Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN3926

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
12-08-2010
Datum publicatie
13-08-2010
Zaaknummer
SBR 09/1909
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank verklaart beroep tegen herroeping standplaatsvergunning snackwagen Maarsseveense Plassen gegrond, maar bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 09/1909

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. D. Fasseur, advocaat te Nieuwegein,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maarssen,

verweerder,

gemachtigde: mr. P.M.L. Schilder Spel, advocaat te Utrecht.

Inleiding

1.1 Eiser heeft op 29 augustus 2008 een standplaatsvergunning aangevraagd voor de verkoop van snacks en aanverwante artikelen vanuit een complete verkoopwagen op het terrein aan de [adres] tussen de nummers [nummer] en [nummer], kadastraal genummerd [kadastraal nummer]. Bij besluit van 5 februari 2009 heeft verweerder de standplaatsvergunning aan eiser verleend met ingang van 1 januari 2009 voor de periode van een jaar. [A] en

[B], wonende aan de [adres], en [C] en

[D], wonende aan de [adres], (hierna: belanghebbenden) hebben tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 26 mei 2009 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van belanghebbenden gegrond verklaard. Verweerder heeft de standplaatsvergunning herroepen en alsnog geweigerd. Eiser heeft hiertegen beroep bij deze rechtbank ingesteld.

1.2 De belanghebbenden hebben aangegeven als partij aan deze beroepszaak te willen deelnemen.

1.3 Het beroep is behandeld ter zitting van 17 juni 2010, waar eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Namens verweerder zijn zijn gemachtigde en drs. [E] verschenen. Namens de belanghebbenden is mevrouw [A] verschenen.

Overwegingen

2.1 Aan eiser is sinds 2002 twee keer een standplaatsvergunning voor de verkoop van snacks uit een verkoopwagen op het bovengenoemde terrein verleend, steeds voor een periode van drie jaar. Op dit terrein staat een bouwwerk dat in het verleden als snackkiosk is gebruikt.

2.2 In het bestreden besluit staat onder “Heroverweging” vermeld dat de standplaats-vergunning aanvankelijk was verleend omdat in het ten tijde van de aanvraag in voorbereiding zijnde bestemmingsplan “Maarsseveense Plassen” de bestaande snackkiosk de aanduiding “horeca” had gekregen binnen de op het perceel rustende bestemming “Tuin”. Zodoende zou de bestaande snackkiosk worden gelegaliseerd. In het uiteindelijk op 18 mei 2009 vastgestelde bestemmingsplan “Maarsseveense Plassen” is de bestaande snackkiosk echter aangeduid als “opslag” ten behoeve van de bestemming “Tuin”. Volgens het bestreden besluit is daarom geen concreet uitzicht op opname van een bestemming die het gebruik van het perceel voor een standplaats mogelijk maakt. In het bestreden besluit staat dat verweerder op basis daarvan tot de conclusie is gekomen dat de vergunning alsnog moet worden geweigerd.

2.3 Ter zitting heeft verweerder onder verwijzing naar het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften het standpunt ingenomen dat de standplaatsvergunning is geweigerd omdat sprake is van strijd met het geldende bestemmingsplan. Volgens artikel 5:18, tweede lid, van de Algemene plaatselijke verordening Maarssen 2009 (hierna: APV) moet verweerder in dat geval de vergunning weigeren.

2.4 Eiser stelt dat de standplaatsvergunning ten onrechte is geweigerd nu toepassing van het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in het geldende bestemmingsplan, leidt tot de conclusie dat geen sprake is van strijd met het bestemmingsplan. Volgens eiser had verweerder moeten kijken naar het gebruik van de grond. Die grond wordt al veertig tot vijftig jaar gebruikt voor de verkoop van snacks. Het is volgens eiser niet van belang of die verkoop plaatsvindt vanuit de bestaande snackkiosk dan wel vanuit een verkoopwagen. In tegenstelling tot het standpunt dat verweerder ter zitting heeft ingenomen, maakt het feit dat dit gebruik enige tijd onderbroken is geweest volgens eiser niet dat geen beroep meer kan worden gedaan op het overgangsrecht. Het overgangsrecht bepaalt volgens eiser dat het op het tijdstip van rechtskracht verkrijgen van het bestemmingsplan bestaande gebruik van de grond, dat in strijd is met dat plan, mag worden voortgezet. Nu de grond volgens eiser ook voor 1985 al werd gebruikt voor de verkoop van snacks, mag dit gebruik worden voortgezet en is geen sprake is van strijd met het geldende bestemmingsplan. Bovendien is het volgens eiser in strijd met de redelijkheid en billijkheid om een reeds jaren bestaande situatie te beëindigen.

2.5 Artikel 5:17, eerste lid, van de APV bepaalt dat onder een standplaats wordt verstaan het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel. Artikel 5:18, eerste lid, van de APV bepaalt dat het verboden is zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat het college de vergunning weigert wegens strijd met een geldend bestemmingsplan.

2.6 De rechtbank stelt voorop dat ter beoordeling voorligt of verweerder terecht de door eiser aangevraagde standplaatsvergunning voor de verkoop van snacks en aanverwante artikelen uit een verkoopwagen heeft geweigerd. Nu ten tijde van het bestreden besluit het bestemmingsplan “Maarsseveense Plassen” nog niet in werking was getreden, omdat de beroepstermijn als bedoeld in artikel 3.8, vijfde lid, van de Wet ruimtelijke ordening nog niet was verstreken, is “Landelijk gebied, eerste herziening” het geldende bestemmingsplan. Ter zitting is gebleken dat het voorgaande tussen partijen niet in geschil is. In dit bestemmingsplan, dat is vastgesteld op 22 april 1985 en is goedgekeurd door Gedeputeerde Staten op 8 oktober 1985, is aan het perceel van eiser waarop de standplaatsvergunning ziet de bestemming “Tuin” toegekend. Artikel 30, eerste lid, van de voorschriften van dit bestemmingsplan bepaalt dat de gronden die blijkens de kaart tot tuin zijn bestemd, uitsluitend mogen worden gebruikt als tuin bij de gebouwen op de aangrenzende gronden. Het tweede lid van dat artikel bepaalt onder meer dat op en boven deze gronden uitsluitend bouwwerken mogen worden gebouwd die geen gebouwen zijn en welke zijn bedoeld als tuinsieraad of erfafscheiding. De rechtbank is van oordeel dat het innemen van een standplaats voor de verkoop van snacks en aanverwante artikelen vanuit een verkoopwagen niet kan worden begrepen onder de bestemming “Tuin”. Uit het voorgaande volgt dat sprake is van strijd met het geldende bestemmingsplan.

2.7 De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat deze strijdigheid wordt opgeheven door het in dit bestemmingsplan opgenomen overgangsrecht. Artikel 37, eerste lid, van voormelde voorschriften bepaalt dat gronden, gebouwen en andere bouwwerken die bij het van kracht worden van het plan op andere wijze in gebruik zijn dan overeenkomt met de aan de grond gegeven bestemming dan wel met andere bepalingen van dit plan, als zodanig in gebruik mogen blijven. Dit bestemmingsplan is van kracht geworden zes weken na 22 april 1985. Weliswaar werd de bestaande snackkiosk op dat moment gebruikt voor de verkoop van snacks maar van bestaand gebruik van de verkoop van snacks vanuit een verkoopwagen bij het van kracht worden van dit bestemmingsplan in 1985 was geen sprake, evenmin van op dat moment bestaand gebruik van de (rest van de) grond voor de verkoop van snacks. Eiser gaat in zijn betoog ten onrechte voorbij aan dit onderscheid nu hij niet voor de verkoop van snacks vanuit de bestaande kiosk een standplaatsvergunning heeft aangevraagd maar voor de verkoop van snacks vanuit een verkoopwagen. Van een reeds jaren bestaande situatie, zoals eiser heeft gesteld, is derhalve evenmin sprake. Nu geen sprake is van bestaand gebruik bij het van kracht worden van het geldende bestemmingsplan, komt eiser reeds om die reden geen beroep toe op het overgangsrecht. De tussen partijen ter zitting gevoerde discussie over het al dan niet onderbroken zijn van het gebruik behoeft derhalve geen bespreking meer. Verweerder heeft derhalve de standplaatsvergunning terecht geweigerd.

2.8 De rechtbank is evenwel van oordeel dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt nu het niet op een deugdelijke motivering berust. Verweerder heeft ter onderbouwing van zijn standpunt ter zitting - gelet op hetgeen de rechtbank in 2.6 heeft overwogen - terecht verwezen naar het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften. Deze commissie heeft geconcludeerd dat het exploiteren van een snackkar in strijd is met artikel 30 van het bestemmingsplan “Landelijk gebied, eerste herziening”. Weliswaar heeft verweerder ook in het bestreden besluit verwezen naar dit advies maar hij heeft de inhoud van dit advies niet kenbaar ten grondslag gelegd aan de in het bestreden besluit geweigerde standplaatsvergunning. Daarbij komt dat de in het bestreden besluit onder “Heroverweging” vermelde motivering van de weigering onjuist is in die zin dat verweerder de vergunning ten onrechte heeft getoetst aan het bestemmingsplan “Maarsseveense Plassen”. Dat ten tijde van het primaire besluit wellicht zicht was op legalisatie van de bestaande snackkiosk doet daaraan niet af.

2.9 De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand blijven. Daartoe overweegt de rechtbank dat verweerder ter zitting heeft toegelicht dat het bij het bestreden besluit gevoegde advies weliswaar niet is ingelast maar wel als motivering dient te worden beschouwd. Het advies is ook met het bestreden besluit aan eiser toegezonden. Ter zitting heeft verweerder eveneens het standpunt van de Adviescommissie bezwaarschriften ingenomen onder verwijzing naar dat advies. Bovendien is ook eiser van deze motivering uitgegaan gelet op de inhoud van diens beroepschrift en de ter zitting overgelegde pleitnota.

2.10 Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

2.11 De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser. Deze kosten worden begroot op € 644,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,--).

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het besluit van 26 mei 2009;

bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedragen van € 150,-- vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding ten bedrage van € 644,--.

Aldus vastgesteld door mr. J. van Es - de Vries, als rechter en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2010.

De griffier: De rechter:

W.T. Nuninga mr. J. van Es - de Vries

De griffier is verhinderd

deze uitspraak mede te ondertekenen.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

De uitspraak van de rechtbank is bindend tussen partijen. Die binding heeft ook betekenis bij een eventueel vervolg van deze procedure, bijvoorbeeld indien het beroep gegrond wordt verklaard en verweerder een nieuw besluit moet nemen. Als een partij niet met hoger beroep opkomt tegen een oordeel van de rechtbank waarbij uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een standpunt van die partij is verworpen, staat de bestuursrechter die partij in beginsel niet toe dat standpunt in een latere fase van de procedure opnieuw in te nemen.