Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN3901

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
11-08-2010
Datum publicatie
12-08-2010
Zaaknummer
290158 / JE RK 10-1737
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

vernietiging beslissing WSJ tot afwijzing van het verzoek om af te zien van wijziging van de verblijfplaats van minderjarige. Beslissing berust niet op een deugdelijke motivering. (1:263 lid 2 onder c BW)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

Zaaknummer: 290158 / JE RK 10-1737

Beschikking van 11 augustus 2010 van de kinderrechter:

in de zaak van

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: verzoeker,

tegen

De William Schrikker Jeugdbescherming,

hierna te noemen: de WSJ,

waarin belanghebbenden zijn

[moeder],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de moeder

en

[vader],

wonende te [woonplaats].

hierna te noemen: de vader

1. Verloop van de procedure

Op 6 juli 2010 heeft verzoeker een verzoekschrift ingediend.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen van de ouders van 23 juli 2010.

Op 28 juli 2010 heeft de kinderrechter de zaak ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld.

Ter zitting zijn verschenen:

- Verzoeker en zijn echtgenote (tevens gezinshuisouder), mevrouw [echtgenote verzoeker],

- de vader en de moeder,

- namens de WSJ, mevrouw A. de Jonge en mevrouw Scheur,

- namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen de Raad), de heer P. Willemze.

De vader heeft, op sommatie van de kinderrechter, de zittingszaal tijdens de behandeling verlaten.

De rechtbank heeft ambtshalve kennisgenomen van het rechtbankdossier met betrekking tot het door de Raad ingediende verzoek tot ontheffing (285172 / FA RK 10-2034).

2. Vaststaande feiten

- Het verzoek betreft de minderjarige [kind], geboren te [woonplaats], op [2002], (hierna te noemen: [kind]).

- [kind] is bij beschikking van 11 februari 2008 voorlopig onder toezicht gesteld van Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht. De uitvoering van deze maatregel is opgedragen aan WSJ. Voorts is er een machtiging uithuisplaatsing afgegeven ten aanzien van [kind]. De ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn nadien steeds verlengd, laatstelijk tot 25 februari 2011.

- [kind] verblijft sinds 3 juli 2009 in een gezinshuis van Reinaerde. Mevrouw [echtgenote verzoeker] treedt daar op als gezinsouder. Zij draagt samen met verzoeker de zorg voor [kind].

3. Beoordeling van het verzochte

Verzoeker heeft de kinderrechter verzocht de beslissing van de WSJ om de verblijfplaats van [kind] te wijzigen, in die zin dat hij wordt doorgeplaatst vanuit het gezinshuis naar een zorgboerderij, te vernietigen.

De WSJ heeft ter terechtzitting verweer gevoerd.

De kinderrechter overweegt het volgende.

Ontvankelijkheid

Op grond van artikel 1:263 lid 2 onder c BW kan een ander die de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt wegens gewijzigde omstandigheden de stichting verzoeken af te zien van een krachtens de machtiging (tot uithuisplaatsing) toegestane wijziging van de verblijfplaats van de minderjarige.

[kind] verblijft inmiddels ruim een jaar in het gezin van verzoeker en mevrouw [echtgenote verzoeker] en dit gezin is bij plaatsing van [kind] aangemerkt als perspectief biedend. Verzoeker staat, anders dan zijn echtgenote, niet in een loondienstverband tot Reinaerde, maar draagt wel feitelijk als pleegvader van [kind] (mede) de zorg voor hem. Gelet hierop is de kinderrechter van oordeel dat verzoeker kan worden aangemerkt als een ander die de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt als bedoeld in artikel 1:263 lid 2 onder c BW en dat hij de WSJ kon verzoeken om af te zien van de wijziging van de verblijfplaats van [kind]. Dit sluit ook aan bij het in wetsontwerp 32015 voorgestelde artikel 1:265i BW, dat inhoudt dat de stichting voor wijziging van het verblijf van een minderjarige de toestemming behoeft van degene die niet de ouder is en de minderjarige gedurende ten minste een jaar als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt.

Gelet op het bepaalde in artikel 1:263 lid 3 BW dient de stichting (in dit geval de WSJ) binnen twee weken na ontvangst van een verzoek als bedoeld in het tweede lid van voormeld artikel daarop een schriftelijke beslissing te geven.

Gebleken is dat de gezinsvoogd van [kind] in een gesprek met verzoeker en mevrouw [echtgenote verzoeker] heeft aangegeven [kind] te zullen doorplaatsen naar een zorgboerderij in Rutten. Verzoeker heeft daarbij de gezinsvoogd te kennen gegeven dat hij het niet eens is met de wijziging van de verblijfplaats van [kind]. De kinderrechter merkt dit aan als een aan de WSJ gericht verzoek om af te zien van een krachtens de machtiging tot uithuisplaatsing toegestane wijziging van de verblijfplaats van [kind]. Vervolgens heeft de WSJ besloten dat [kind] op 8 augustus 2010 zal worden doorgeplaatst naar de zorgboerderij. Ter zitting heeft de WSJ toegelicht dat de beslissing tot wijziging van de verblijfplaats van [kind] inderdaad is genomen, maar niet op schrift is gesteld. Derhalve heeft de WSJ naar het oordeel van de kinderrechter niet tijdig een (schriftelijke) beslissing genomen op het verzoek van verzoeker. Het niet tijdig nemen van een beslissing dient ingevolge artikel 1:263 lid 4, tweede volzin, BW in verband met artikel 1:260 lid 4 BW gelijkgesteld te worden met afwijzing van het verzoek. Verzoeker kon zich ingevolge artikel 1:263 lid 4 BW dan ook tot de kinderrechter wenden met zijn verzoek. Hoewel in artikel 1:263 lid 4 BW enkel sprake is van een geheel of gedeeltelijk intrekken van de machtiging of de duur daarvan bekorten, moet dit artikellid naar het oordeel van de kinderrechter, gezien de samenhang met het tweede lid onder c van artikel 1:263 BW, zo worden verstaan dat de kinderrechter kan worden verzocht een beslissing tot een krachtens de machtiging tot uithuisplaatsing toegestane wijziging van een minderjarige te vernietigen.

Verzoeker kan derhalve worden ontvangen in zijn verzoek.

Inhoudelijke beoordeling

De WSJ meent dat wijziging van de verblijfplaats van [kind] nodig is om de volgende redenen. De WSJ vreest dat [kind] last zal krijgen van een loyaliteitsconflict, nu zijn zus niet in het gezin [verzoeker] kon blijven wonen. Mogelijk zal hij ook gaan twijfelen of hij zelf wel mag blijven. Voorts is volgens de WSJ bij [kind] sprake van een dreigend loyaliteitsconflict door de conflicten die zijn ouders met zijn pleegouders hebben. In verband hiermee acht de WSJ een neutrale woonplek voor [kind] noodzakelijk, waarbij geen rechtstreeks contact meer plaatsvindt tussen de feitelijke verzorgers van [kind] en de ouders van [kind].

Ten aanzien van de hechting van [kind] in het gezin waar hij nu verblijft, heeft de WSJ ter zitting opgemerkt dat onduidelijk is in hoeverre hierbij slechts sprake is van functionele hechting.

Verzoeker heeft gesteld dat het met [kind] steeds beter gaat in het gezin. Hij gaat met kleine stapjes vooruit en lijkt zich te hechten. [kind] verwacht zelf dat hij tot zijn volwassenheid in het gezin kan blijven. Daarnaast heeft hij regelmatig contact met zijn zus aangezien zij dezelfde school bezoeken en nu ook op korte afstand van elkaar wonen. Dat beoogde nieuwe woonplek van [kind] bevindt zich echter op grote afstand van de woonplek van zijn zus. Verzoeker ziet geen grond om [kind] door te plaatsen.

De Raad heeft ter zitting aangegeven dat uit een onlangs verricht onderzoek door de Raad in het kader van de verderstrekkende maatregel niet is gebleken dat het niet goed gaat met [kind] in het gezin van de familie [verzoeker]. De Raad kan zich voorstellen dat bij [kind] een loyaliteitsconflict dreigt, maar meent dat daaraan wellicht beter kan worden gewerkt door de familie [verzoeker] te ondersteunen bij het omgaan hiermee, dan door een wijziging van de verblijfplaats van [kind].

De ouders hebben laten weten niet tevreden te zijn over de samenwerking tussen hen en de gezinsvoogd en de wijze waarop zij over [kind] worden geïnformeerd. Zij hebben geen bezwaren geuit tegen hetzij doorplaatsing van [kind] hetzij verblijf van [kind] in het gezinshuis.

De kinderrechter overweegt het volgende.

Uit onderzoeken in 2006 door het UMC en in 2008/2009 door het psychodiagnostisch centrum van Reinaerde blijkt dat bij [kind] sprake is van de nodige eigen problematiek op cognitief en sociaal-emotioneel vlak. Bij [kind] is in 2006 door het UMC geconstateerd dat sprake was van moeizame contactname, rigide gedrag en een afwijking in de taal-/spraakontwikkeling. Voorts was sprake van een ontwikkelingsachterstand, hyperactiviteit en een aandachtsprobleem.

In het rapport van januari 2009 van Reinaerde wordt onder meer geconcludeerd dat [kind] het risico loopt zich steeds negatiever en destructiever op te stellen en dat hij zich daardoor sociaal-emotioneel veel minder ontwikkelt dan er eigenlijk in hem zit. Ook loopt hij het risico cognitief steeds verder achter te gaan lopen dan nodig is. Door zijn onrust, impulsiviteit en chaos mist hij informatie en ervaringen die hem vooruit moeten helpen. [kind] heeft een pedagogisch klimaat nodig waarin rust, ritme, regelmaat en een consequente aanpak centraal staan en waarbij veel geduld voor hem is. Hij heeft een veilige omgeving nodig. Er moet voorts bewust met zijn communiceren worden omgegaan.

[kind] woont sinds 3 juli 2009 in het gezin van verzoeker en mevrouw [echtgenote verzoeker]. Deze plaatsing was perspectiefbiedend bedoeld, daar inmiddels door de WSJ was besloten om af te zien van een terugplaatsing naar de ouders. Begin 2010 heeft de Raad onderzoek gedaan naar de noodzaak van een verderstrekkende maatregel. Uit het rapport van de Raad van 1 april 2010 blijkt dat [kind] sinds de start van de plaatsing in zijn huidige gezin beter is gaan praten en daarnaast ook zijn emoties beter kan uiten. Ook heeft hij geleerd te delen en te gunnen aan anderen. Hij lijkt zich te gaan hechten aan zijn verzorgers, er is een vorm van vertrouwen op basis waarvan hij zich emotioneel meer gaat uiten.

Deze bevindingen van de Raad wijzen er naar het oordeel van de kinderrechter op dat de plaatsing van [kind] in het gezin van de familie [verzoeker] zijn ontwikkeling positief beïnvloedt. Dat wordt ook bevestigd door verzoeker en mevrouw [echtgenote verzoeker]. Wel maakt ook de Raad melding van loyaliteitsconflicten: [kind] gaf zelf aan dat zijn pleegouders goed voor hem zorgen ondanks dat zijn ouders tegen hem gezegd zouden hebben dat dat niet zo is. Desondanks geeft de Raad in het rapport als zijn visie op het perspectief voor [kind] op lange termijn dat [kind] zich nog beter gaat hechten aan de mensen die belangrijk voor hem zijn, dat hij leert mensen te vertrouwen en dat hij contact met zijn zus houdt. De kinderrechter ziet niet hoe een nieuwe woonplek voor [kind] op aanzienlijke afstand van de woonplek van zijn zus in dit perspectief zou kunnen passen, zodat aangenomen mag worden dat de Raad bij de opstelling van zijn rapport een voortzetting van het verblijf van [kind] bij de familie [verzoeker] voor ogen stond. Dit wordt overigens ook ondersteund door de kritische opmerkingen die de Raad ter zitting heeft gemaakt over wijziging van de verblijfplaats van [kind].

De WSJ heeft tegenover de positieve aspecten van het verblijf van [kind] in het huidige gezin gesteld dat zij vreest voor een loyaliteitsconflict bij [kind]. Enerzijds zou dit samenhangen met het feit dat zijn zus niet bij de familie [verzoeker] mocht blijven wonen en [kind] nu onzeker zou moeten zijn over het voortduren van zijn eigen verblijf in het gezin. Anderzijds zou het loyaliteitsconflict worden veroorzaakt door de conflicten van de ouders met de pleegouders.

Hoewel de kinderrechter niet uitsluit dat bij [kind] sprake is van een (dreigend) loyaliteitsconflict, constateert de kinderrechter ook dat de WSJ de vrees voor een loyaliteitsconflict bij [kind] niet nader heeft kunnen concretiseren. Zo heeft de WSJ ter zitting geen bij [kind] geconstateerde signalen kunnen noemen die grond kunnen geven voor die vrees. De WSJ heeft ter zitting enkel aangegeven dat de eigen gedragswetenschapper van oordeel is dat sprake is van een loyaliteitsconflict.

De WSJ heeft verder evenmin onderbouwd, waarom een eventueel loyaliteitsconflict bij [kind] enkel door wijziging van zijn woonplek kan worden afgewend. De kinderrechter wijst in dit verband op hetgeen de Raad ter zitting heeft opgemerkt over het aanpakken van dat probleem door ondersteuning van de huidige verzorgers van [kind]. Voorts is het, gezien de ervaringen tot nu toe, zeer de vraag of de WSJ met een nieuwe plaatsing van [kind] kan bereiken dat geen conflicten tussen de ouders en de nieuwe feitelijke verzorgers ontstaan.

Op grond van de beschikbare stukken en het verhandelde ter zitting kan de kinderrechter niet beoordelen of een doorplaatsing van [kind] naar een nieuwe woonplek – met het oog op de met de ondertoezichtstelling te bereiken doelen - in het belang van [kind] noodzakelijk is. Wel is de kinderrechter van oordeel dat de WSJ de (fictieve) beslissing van de WSJ tot afwijzing van het verzoek van verzoeker niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft voorbereid. Niet gebleken is dat de WSJ de voors en tegens van een doorplaatsing van [kind] zorgvuldig heeft onderzocht en op grond daarvan de noodzaak tot doorplaatsing heeft vastgesteld.

De beslissing van de WSJ berust derhalve ook niet op deugdelijke motivering.

Het voorgaande leidt de kinderrechter tot het oordeel dat de fictieve beslissing tot afwijzing van het verzoek om af te zien van wijziging van de verblijfplaats van [kind] niet in stand kan blijven. De kinderrechter zal de beslissing derhalve vernietigen.

3. Beslissing

De kinderrechter:

Vernietigt de fictieve beslissing van de WSJ tot afwijzing van het verzoek om af te zien van wijziging van de verblijfplaats van [kind].

Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 11 augustus 2010 door mr. R.C. Stijnen, kinderrechter, in bijzijn van I. Coenen als griffier.