Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN3804

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
04-08-2010
Datum publicatie
12-08-2010
Zaaknummer
275697
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2011:BU3265, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep op vernietiging van een arbitraal vonnis op grond van art. 1065 lid 1 onder e Rv. Schending van regels van goede procesorde en de fundamentele beginselen van procesrecht (1039 Rv en 6 EVRM).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 275697 / HA ZA 09-2400

Vonnis van 4 augustus 2010

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. J. van Hulst,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SLOTERVAARTZIEKENHUIS B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. C.C.B.M. van Kimmenade.

Partijen zullen hierna [eiser] en het Slotervaartziekenhuis genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 3 maart 2010

- het proces-verbaal van comparitie van 28 mei 2010.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] is op 1 februari 1996 in dienst getreden van (een rechtsvoorganger van) het Slotervaartziekenhuis als medisch specialist op het gebied van algemene chirurgie met als aandachtsgebied de vaatchirurgie. [eiser] heeft voornamelijk vaatchirurgische werkzaamheden verricht. Op zijn arbeidsovereenkomst is de Arbeidsvoorwaardenregeling Medisch Specialisten (hierna: AMS) van toepassing, voor zover daar tussen partijen niet van is afgeweken. Van zijn arbeidsvoorwaarden maakt een beding deel uit dat ertoe strekt alle (arbeidsrechtelijke) geschillen tussen partijen in arbitrage te doen beslechten door het Scheidsgerecht Gezondheidszorg (hierna: het Scheidsgerecht).

2.2. Op en omstreeks 21 maart 2009 heeft in het Slotervaartziekenhuis een behandeling plaatsgevonden van een 45-jarige patiënte, die eerder die dag op de Intensive Care-afdeling was opgenomen. Haar behandelend internist [internist] en haar hoofdbehandelaar, intensiviste [intensiviste], vermoedden bij deze patiënte necrotiserende fasciitis, veroorzaakt door infectie met een groep A streptokokken. Zij achtten chirurgische interventie dringend gewenst en hebben daartoe die dag [eiser] (toentertijd dienstdoend chirurg) in consult geroepen. [eiser] en een door hem geraadpleegde orthopedisch chirurg vermoedden bij de patiënte een (conservatief te behandelen) septische arthritis van het heupgewricht. Op grond van die diagnose en de slechte toestand van de patiënte achtte [eiser] het niet verantwoord haar te opereren. Besloten werd tot echografisch onderzoek van de heup. Internist [internist] heeft [eiser] later die dag (’s avonds) gevraagd of hij de patiënte niet toch wilde opereren, welk verzoek is herhaald door een andere collega van [eiser]. [eiser] is daarop terug gegaan naar het ziekenhuis, doch is opnieuw niet tot opereren overgegaan. De patiënte (die daadwerkelijk leed aan necrotiserende fasciitis) is in de vroege ochtend van de volgende dag, 22 maart 2009, uiteindelijk wel geopereerd, door twee collega’s van [eiser] (waaronder [afdeling[afdelingshoofd], afdelingshoofd). Zij is kort daarop overleden.

2.3. Afdelingshoofd [afdelingshoofd] heeft [eiser] later op 22 maart 2009 meegedeeld dat hij geen diensten meer mocht doen in het Slotervaartziekenhuis. Op 23 maart 2009 heeft een bespreking plaatsgehad tussen de voorzitter van de Raad van Bestuur van het Slotervaartziekenhuis (mevrouw [A]), medisch directeur [medisch directeur] en de chirurgen [chirurg] en [afdelingshoofd] voornoemd enerzijds en [eiser], bijgestaan door de internist [internist 2] anderzijds. De beide chirurgen hebben bij die gelegenheid het vertrouwen in [eiser] opgezegd. De Raad van Bestuur van het Slotervaartziekenhuis heeft [eiser] vervolgens op non-actief gesteld.

2.4. Op 3 april 2009 heeft het Slotervaartziekenhuis een procedure aanhangig gemaakt bij het Scheidsgerecht met het verzoek de arbeidsovereenkomst met [eiser] te ontbinden (hierna: de ontbindingsprocedure), primair op grond van een dringende reden als bedoeld in artikel 7:685 BW alsmede een klemmende reden als bedoeld in artikel 1.2.5 lid 2 van de AMS, subsidiair op grond van veranderingen in de omstandigheden als in eerstgenoemd artikel bedoeld.

2.5. [eiser] heeft in de ontbindingsprocedure een memorie van antwoord ingediend, strekkende tot afwijzing van het verzoek.

2.6. Vervolgens heeft op 19 mei 2009 een mondelinge behandeling in het arbitrale geding plaatsgevonden, waarop partijen, vergezeld van hun raadslieden, aanwezig waren. Aan het slot van de mondelinge behandeling heeft het Scheidsgerecht partijen verzocht mee te werken aan:

a. een onderzoek zoals gebruikelijk in een ziekenhuis naar de professionele gang van zaken betreffende de patiënte voor wie [eiser] op 21 maart 2009 in consult is opgeroepen door zijn collega’s in het ziekenhuis,

b. een onderzoek naar de mogelijkheden van herstel van vertrouwen in het functioneren van [eiser] in het ziekenhuis ‘zo veel mogelijk op de voet van (het hier niet geheel toepasselijke) protocol mogelijk disfunctionerend medisch specialist’.

Daarbij is voorgesteld dat bij onderwerp a. een extern deskundige zou worden ingeschakeld. Het genoemde protocol betreft het Modelreglement mogelijk disfunctioneren medisch specialisten inclusief bijlage 1 (gedragscode intramuraal medisch specialist), dat is opgesteld door de Orde van Medisch Specialisten. Dit protocol wordt gebruikelijkerwijs gebezigd voor intern onderzoek naar het mogelijke disfunctioneren van een medisch specialist, uit te voeren door en binnen de instelling waarin deze werkzaam is. Het protocol voorziet in een (door de in geding zijnde onderzoekscommissie gevolgde) versnelde onderzoeksprocedure.

2.7. In de ontbindingsprocedure is tussen [eiser] en het Slotervaartziekenhuis een uitvoerige discussie ontstaan over het plan van aanpak van genoemd onderzoek, met name over de samenstelling van de commissie die dat onderzoek zou gaan uitvoeren. [eiser] heeft daarbij gesteld dat het belangrijkste uitgangspunt is dat een onafhankelijk en objectief onderzoek plaatsvindt naar de gehele casus, hetgeen met de (door het Slotervaartziekenhuis voorgestelde commissiesamenstelling) zijns inziens niet het geval was. In reactie op de meningsverschillen tussen partijen op dat punt heeft het Scheidsgerecht tussentijds als zijn oordeel uitgesproken dat het bezwaar van [eiser] slaagt ten aanzien van de heer [B] (de voorzitter van de medische staf van het Slotervaartziekenhuis) als voorgesteld commissielid en dat zijn bezwaar voor het overige faalt. Daarop heeft het Scheidsgerecht de onderzoekscommissie vastgesteld als hier na te melden en heeft [eiser] zich, onder protest, akkoord verklaard met die samenstelling en met de opdracht aan de commissie.

2.8. Ten behoeve van het onderzoek (omtrent vraag b) is tevoren een plan van aanpak opgesteld. Dit hield in, voor zover hier van belang:

- de commissieleden dienen neutraal en objectief te zijn en het besprokene is confidentieel,

- van de gesprekken met de te horen personen (vakgroepsleden, aanpalende specialisten, Raad van Bestuur, voorzitter bestuur medische staf, arts-assistenten chirurgie, hoofd OK, hoofden poli- en verpleegafdelingen inclusief ICU en sectormanagement), zullen schriftelijke notulen worden opgemaakt als werkdocument en deze zullen na indiening van het rapport worden vernietigd.

2.9. Het onderzoek naar vraag a (weergegeven onder 2.6), is verricht door prof. dr [C] (intensivist/internist) en prof. dr. [D] (emeritus hoogleraar chirurgie), die beiden niet aan het Slotervaartziekenhuis zijn verbonden.

2.10. Het onderzoek naar vraag b (weergegeven onder 2.6), is verricht door dr. [E] (internist in het Slotervaartziekenhuis en mede-voorzitter van de commissie), drs. [F] (ambtelijk ondersteuner van de medische staf van het Slotervaartziekenhuis en notuliste van de commissie), mevrouw drs. [G] (anesthesioloog in het Slotervaartziekenhuis en commissielid), drs [H] (artsmicrobioloog in het Slotervaartziekenhuis en commissielid), alsmede [C] voornoemd (mede-voorzitter van de commissie). De artsen [E], [G] en [H] zijn betrokken geweest bij de in geding zijnde medische casus op en rond 21 maart 2009. In het kader van dit onderzoek zijn door (leden van) de onderzoekscommissie gesprekken gevoerd met 27 (aan het Slotervaartziekenhuis verbonden) personen waaronder [eiser] zelf, die tweemaal is gehoord. Het onderzoek heeft zich mede gericht op het functioneren van [eiser] binnen de vakgroep chirurgie in de aan de jaren die aan zijn op-non-actiefstelling zijn voorafgegaan. Het rapport vermeldt als bevindingen van de onderzoekscommissie, zakelijk:

- de vakgroep chirurgie (bestaande uit zes chirurgen, waaronder een waarnemer) functioneert adequaat; de grote invloed van de vakgroepvoorzitter en de opleider wordt door de chirurgen, met uitzondering van [eiser], niet als ondemocratisch ervaren; er is een zwenkend beleid (geweest) ten aanzien van de invulling van de post van de zesde chirurg, hetgeen tot discordantie heeft geleid tussen (leden van) de vakgroep en de Raad van Bestuur enerzijds en [eiser] anderzijds; ook de relatie met de waarnemer is hierdoor ongunstig beïnvloed;

- [eiser]’s kwaliteit in de arteriële en veneuze chirurgie is goed; zijn competenties in de traumazorg zijn al lang onvoldoende; ook zijn vaardigheid als abdominaal chirurg is in het geding; zijn competentie als algemeen chirurg is door hem onvoldoende onderhouden; algemeen is aangegeven dat dit leidt tot omtrekkende bewegingen in de diensten;

- organisatorisch heerst er rond het werk van [eiser] wanorde; hij plant te krap, neemt per patiënt teveel tijd en wil geen derde dagdeel poli invullen; zijn communicatie met huisartsen en anderszins is onvoldoende; hij kwam structureel te laat en miste daardoor delen van informatie-overdracht ;

- het probleem rond de invulling van de algemene chirurgie binnen het Slotervaartziekenhuis bestaat al heel lang, doch [eiser] is er desondanks niet in geslaagd die invulling verantwoord vorm te geven; het zelfreinigend vermogen van de vakgroep en het Slotervaartziekenhuis is laat op gang gekomen; de kans dat het alom bestaande gebrek aan vertrouwen in [eiser]’s functioneren binnen het huidige takenpakket wordt hersteld, wordt door praktisch alle geïnterviewden (met name chirurgen, internisten en ondersteunende afdelingen) heel laag ingeschat, temeer omdat [eiser] blijk geeft van weinig inzicht in zijn eigen rol in de ontstane situatie en onvoldoende bij machte blijkt een pro-actieve rol te vervullen bij de oplossing van de problemen.

2.11. Op 14 juni 2009 is het onderzoeksrapport van de commissie tot stand gekomen. In het rapport zijn beide onderzoeksvragen beantwoord. Op 15 juni 2009 is het aan het Scheidsgerecht en partijen verzonden. In het rapport zijn de volgende conclusies opgenomen:

Ad 1. Casus

De twee externe adviseurs zijn van mening dat de juiste stappen genomen zijn bij de behandeling van de patiënte, maar dat op een aantal vlakken te laat gehandeld is, waaronder begrepen de operatie in de vroege ochtend van 22 maart 2009. (…)

Ad 2. Herstel van vertrouwen

De commissie acht de kans op herstel van vertrouwen gering om twee redenen:

- Het vermogen om als algemeen chirurg te functioneren binnen een vakgroep/maatschap is onvoldoende, en de bereidheid om vaardigheden te ontwikkelen of te onderhouden in andere delen van de algemene heelkunde dan de vaatchirurgie ontbreekt.’

- Alle betrokken chirurgen (één onthouding), internisten en een deel van de betrokken ondersteunende diensten (poli, OK, afdeling) hebben het vertouwen in hem verloren en zien geen kans op herstel.

In het rapport is vermeld dat de onderzoekscommissie heeft kennis genomen van een aantal bescheiden die direct of zijdelings op het functioneren van [eiser] en de daarop bestaande kritiek betrekking hebben (kwaliteitsrapport van de NNvH, VIP- en MIPmeldingen, calamiteitenmeldingen aan IGZ, integrale verslagen van complicatiebesprekingen van de vakgroep chirurgie van de laatste twee jaar en andere bescheiden). Uit de aanduiding van deze bescheiden blijkt dat het gaat om circa 70 bescheiden, veelal e-mails. Deze bescheiden zelf zijn niet bij het rapport gevoegd. In het rapport is wel vermeld wie zijn gehoord, maar niet wat door elk van hen is verklaard. Van de verhoren is overigens geen verslaglegging (meer) beschikbaar, omdat de commissie de aantekeningen ervan direct na verwerking ervan uit privacy-overwegingen heeft vernietigd op verzoek van de gehoorden.

2.12. Op 16 juni 2009 heeft een voortzetting van de mondelinge behandeling plaatsgevonden in de ontbindingsprocedure. Partijen en hun raadslieden zijn daarbij verschenen.

2.13. Het Scheidsgerecht heeft op 30 juni 2009 vonnis gewezen. In de kern luidt de beslissing als volgt, zakelijk:

- aan [eiser] kan verweten worden dat hij in een acute en levensbedreigende situatie een verkeerde inschatting heeft gemaakt, niet adequaat is opgetreden en te weinig heeft opengestaan voor de afwijkende opvatting van collega’s die erop aan drongen anders te handelen dan hijzelf voor juist hield;

- van grove nalatigheid is echter geen sprake en daarom evenmin van de door het Slotervaartziekenhuis gestelde dringende reden/klemmende reden (zie onder 2.4); de primaire grondslag van het verzoek faalt daarom;

- wel is sprake van verlies van vertrouwen in [eiser] aan de zijde van de Raad van Bestuur van het Slotervaartziekenhuis en van zijn daar werkzame collega’s, in verband met zijn handelen ten aanzien van de voormelde patiënte op en rond 21 maart 2009, in verband met zijn daarop gevolgde hardnekkige (tot aan de behandeling van 16 juni 2009 volgehouden) ontkenning een beoordelingsfout te hebben gemaakt (hetgeen tot verharding van de verstandhouding tussen [eiser] en zijn collega’s heeft geleid) en in verband met de aanmerkingen op [eiser]’s functioneren in de voorafgaande jaren;

- voorts ontbreekt blijkens het onderzoeksrapport een voldoende basis voor herstel van dat vertrouwen en voor terugkeer van [eiser] in het Slotervaartziekenhuis, reden waarom dat rapport aantoont dat de verhouding tussen partijen onherstelbaar is verstoord;

- het uitgevoerde onderzoek was voldoende zorgvuldig en objectief en heeft tot een begrijpelijke en voldoende gemotiveerde conclusie geleid;

- gelet op het voorgaande is wel sprake van de door het Slotervaartziekenhuis gestelde wijziging van omstandigheden (zie onder 2.4), die - zo het Slotervaartziekenhuis zijn verzoek handhaaft - tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst moet leiden per 1 september 2009;

- als ontbindingsvergoeding moet aan [eiser] een bedrag worden toegekend op basis van de kantonrechtersformule waarbij naast de factoren loon en arbeidsduur (vanaf 1 februari 1996) een op 1 te stellen (en dus neutrale) correctiefactor moet worden gehanteerd; gelet op de wachtgeldregeling behorende bij de CAO Ziekenhuizen die van overeenkomstige toepassing is voor [eiser], moet de hem toekomende vergoeding (met inachtneming van het inkomen uit die wachtgeldregeling) op maximaal EUR 101.258,00 netto worden bepaald.

2.14. Aan het Slotervaartziekenhuis is in het vonnis de gelegenheid geboden het verzoek in te trekken voor 1 augustus 2009. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt, waardoor de arbeidsovereenkomst van [eiser] per 1 september 2009 is geëindigd.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert vernietiging van het arbitraal vonnis van 30 juni 2009 van het Scheidsgerecht met veroordeling van het Slotervaartziekenhuis in de proceskosten. Zijn vordering heeft betrekking op de gang van zaken rond het commissie-onderzoek ter beantwoording van de vraag die onder 2.6 bij b is geformuleerd. De vordering heeft geen betrekking op het commissie-onderzoek ten aanzien van de vraag die onder 2.6 bij a is geformuleerd. Hij schaart zich ten aanzien van de laatstgenoemde vraag achter het commissie-onderzoek, zowel wat de werkwijze van de commissie betreft als wat betreft de beantwoording van die vraag.

3.2. Het Slotervaartziekenhuis voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [eiser] beroept zich op de vernietiginggrond als bedoeld in artikel 1065 lid 1 onder e Rv, stellend dat de wijze waarop het arbitrale vonnis tot stand is gekomen, strijdt met de openbare orde of goede zeden. Hij voert daartoe aan dat bij het commissie-onderzoek ter beantwoording van vraag b sprake was van processuele achterstand van hem op het Slotervaartziekenhuis, waardoor de gelijkheid van partijen (equality of arms) is geschonden en daarmee artikel 1039 Rv en 6 EVRM. De schending heeft naar zijn stelling mede betrekking op het beginsel van hoor en wederhoor. De samenstelling van de commissie in het vertrouwensonderzoek was naar zijn zeggen niet neutraal en objectief. Vier van de vijf leden waren in dienst van het Slotervaartziekenhuis, terwijl één extern adviseur was toegevoegd. Drie van de vier artsen uit de commissie waren bovendien betrokken bij de medische casus rond 21 maart 2009 die de aanleiding was voor het Slotervaartziekenhuis om het vertrouwen in [eiser] op te zeggen. Aan het Slotervaartziekenhuis kwam het eenzijdige initiatief toe om leden voor de commissie aan te dragen en deze zijn door het Scheidsgerecht goedgekeurd. Ook wijst hij erop dat:

- hij niet bij de onderzoekshandelingen van de commissie aanwezig mocht zijn,

- gaande het onderzoek en in strijd met het plan van aanpak door de onderzoekscommissie is besloten geen notulen van de gesprekken op te maken,

- hij de commissie heeft gevraagd negen door hem genoemde personen uit het Slotervaartziekenhuis te horen waarvan er slechts vier zijn gehoord terwijl de andere vijf zonder opgave van redenen niet zijn gehoord,

- hij niet beschikte over de bescheiden waarvan de onderzoekscommissie kennis nam,

- hij niet de gelegenheid heeft gehad op het onderzoeksrapport commentaar te leveren voor het uitkwam,

- het Scheidsgerecht het oordeel van de commissie tot het zijne heeft gemaakt.

[eiser] heeft zich herhaaldelijk verzet tegen de door het Scheidsgerecht voorgestelde procedure en is slechts onder maximale (tijds-)druk, onder protest, akkoord gegaan met het plan van aanpak, aldus - telkens - [eiser].

4.2. Het Slotervaartziekenhuis heeft daar tegen aangevoerd dat in vergaande mate tegemoet is gekomen aan de bezwaren van [eiser], omdat de heer [B] niet als commissielid is benoemd. Het onderzoek is uitgevoerd door commissieleden die het Scheidsgerecht goedgekeurde. [eiser] had ervoor kunnen kiezen niet in te stemmen met de samenstelling van de onderzoekscommissie waarna hij op grond van artikel 1052 lid 4 Rv om een contra-expertise had kunnen verzoeken waarbij hij zelf deskundigen naar voren kan brengen. [eiser] heeft dat nagelaten. Partijen verkeerden processueel in gelijke omstandigheden, nu ook het Slotervaartziekenhuis niet over meer gegevens beschikte dan in het onderzoeksrapport verwoord. Bovendien, zo stelt het Slotervaartziekenhuis, kon dit onderzoek naar het vertrouwen het beste door interne personen worden uitgevoerd, waarbij de externe (mede)voorzitter [C] een waarborg vormde voor de objectiviteit van de bevindingen.

4.3. Het is in beginsel aan het Scheidsgerecht overgelaten of en in welke mate het partijen zal toestaan bewijs van hun stellingen te leveren. Het Scheidsgerecht is daarbij niet gebonden aan de regels van het burgerlijk procesrecht en de vrijheid van het Scheidsgerecht om de bewijsregels te passeren vindt slechts daar haar grens waar dit in strijd zou komen met eisen van een goede procesorde of met andere fundamentele beginselen van procesrecht. Daar komt bij dat de rechter bij beantwoording van de vraag of er gronden voor vernietiging van een arbitraal vonnis bestaan als bedoeld in artikel 1065 lid 1 onder e, terughoudendheid moet betrachten. Deze regel hangt onder meer hiermee samen dat een vernietigingsprocedure niet mag worden gebruikt als een verkapt hoger beroep en dat het algemeen belang bij een effectief functionerende arbitrale rechtspleging meebrengt dat de burgerlijke rechter slechts in sprekende gevallen dient in te grijpen in arbitrale beslissingen (vgl. HR 17 januari 2003, LJN AE9395). Voor een terughoudende toepassing van artikel 1065 lid 1 onder e Rv is echter geen plaats wanneer moet worden geoordeeld dat bij de totstandkoming van het arbitrale vonnis is gehandeld in strijd met het recht van hoor en wederhoor (vlg. HR 24 april 2009, LJN BH3137).

4.4. Naar volgt uit het arbitrale vonnis is het Scheidsgerecht op grond van het onderzoeksrapport (met betrekking tot vraag b) tot zijn eindoordeel gekomen dat van een vertrouwensbreuk tussen partijen sprake is, dat die breuk niet kan worden hersteld en dat daarom het verzoek van het Slotervaartziekenhuis toewijsbaar is op de door haar geformuleerde subsidiaire grond. Zowel uit hetgeen tussentijds is voorgevallen ten aanzien van de bezwaren van [eiser] omtrent de samenstelling van de onderzoekscommissie (het gedeeltelijk honoreren door het Scheidsgerecht van het op onafhankelijkheid ziende bezwaar) alsook uit het arbitrale vonnis zelf (het onderzoeksrapport wordt door het Scheidsgerecht voldoende zorgvuldig en objectief geoordeeld), volgt dat het Scheidsgerecht heeft beoogd het commissie-onderzoek als een objectief (dat wil zeggen: niet door de belangen van partijen gestuurd) onderzoek te doen plaatsvinden. Met dat oogmerk strookt dat het Scheidsgerecht in het arbitrale geding aan dat onderzoek een processuele rol heeft toegekend als ware het een door derden uitgevoerd (deskundigen)onderzoek. Na het uitbrengen van het rapport is het partijdebat ten overstaan van het Scheidsgerecht immers op basis van dat rapport gevoerd, waarbij elk van partijen zich erover heeft kunnen uitlaten en waarbij niet (zoals aangewezen zou zijn geweest wanneer het onderzoek als een partij-actie van het Slotervaartziekenhuis was aangemerkt) aan [eiser] de gelegenheid is geboden zijnerzijds onderzoek ter beantwoording van vraag b te (laten) doen of hem anderszins een gelijkwaardige gelegenheid is geboden zijn standpunt te onderbouwen.

4.5. Weliswaar kan worden gezegd dat de (rond vraag b) onderzochte kwestie betrekking had op gegevens die naar hun aard nu eenmaal met name bekend waren bij de medewerkers van het Slotervaartziekenhuis, maar dat doet er niet aan af aan dat het onderzoek en dat rapport de onder 4.4 omschreven betekenis toekomt.

4.6. Bij deze stand van zaken moet, ook ondanks de vorenomschreven terughoudendheid bij de toepassing van artikel 1065 lid 1 sub e Rv, het oordeel zijn dat het Scheidsgerecht door zijn onder 4.4. omschreven handelen de regels van een goede procesorde en de fundamentele beginselen van het procesrecht (het beginsel van gelijke behandeling/equality of arms: artikel 1039 Rv en artikel 6 EVRM) in zodanige mate heeft geschonden dat het arbitrale vonnis moet worden vernietigd. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

4.7. Op grond van de (door het Scheidsgerecht geaccordeerde) samenstelling van de onderzoekscommissie mocht [eiser] er in aanmerkelijke mate gerechtvaardigd voor vrezen dat het onderzoeksrapport niet op objectieve wijze tot stand zou komen. Niet alleen ging het immers om een vijfkoppige commissie waarvan vier leden in loondienst waren van één van de partijen, het Slotervaartziekenhuis, doch drie van hen (de arts-leden) waren bovendien betrokken bij de casus die de directe aanleiding vormde tot het aan het Scheidsgerecht ter beslechting voorgelegde conflict. De vermelding in het plan van aanpak dat de commissieleden neutraal en objectief dienen te zijn neemt dat bezwaar niet weg. Het verandert immers niets aan de feitelijke gezagsverhouding tussen de commissieleden en hun werkgever het Slotervaartziekenhuis, noch aan de feitelijke betrokkenheid van drie van hen bij de desbetreffende medische casus. Voor zover met de zinsnede uit het plan van aanpak omtrent de objectieve en neutrale commissieleden mocht zijn bedoeld dat de Raad van Bestuur van het Slotervaartziekenhuis de commissieleden garandeert dat zij neutraal en objectief als commissielid kunnen optreden, is dat van onvoldoende gewicht om hier tot een ander oordeel te kunnen leiden.

4.8. Voorts telt hier dat het Slotervaartziekenhuis eenzijdig de in de commissie te benoemen leden mocht aangedragen en dat [eiser], anders dan het Slotervaartziekenhuis in de persoon van de bij haar in loondienst zijnde commissieleden, niet bij de uitvoering van het onderzoek is betrokken of daarbij aanwezig is geweest (afgezien van zijn ‘eigen’ verhoren). Ook is hier van belang dat [eiser], naar hij onweersproken heeft gesteld, (wederom: anders dan het Slotervaartziekenhuis in de persoon van de bij haar in loondienst zijnde commissieleden) niet beschikte over de (circa 70) bescheiden die de commissie bij haar onderzoek heeft gebezigd en dat de commissie zonder opgave van redenen heeft geweigerd vijf van de negen personen te horen van wie [eiser] om verhoor had verzocht. Het ging daarbij, naar hij eveneens onweersproken heeft gesteld, om personen met wie hij nauw samenwerkte en die over zijn functioneren en samenwerken informatie konden verschaffen.

4.9. Voorts komt betekenis toe aan het volgende. Ondanks dat artikel 19 lid 2 van het toepasselijke Arbitragereglement niet voorschrijft dat [eiser] in staat had moeten worden gesteld de verhoren van de commissie bij te wonen, bieden de door de commissie en in vervolg daarop door het Scheidsgerecht gekozen werkwijzen onvoldoende vorm aan het recht van hoor en wederhoor. Nu het rapport geen melding maakt van hetgeen door elk van de gehoorden is verklaard en een verslaglegging van die verhoren niet (meer) beschikbaar is, was het Slotervaartziekenhuis in de persoon van de bij haar in loondienst zijnde commissieleden in staat invloed uit te oefenen op de weergave (in het rapport) van de algehele strekking van hetgeen is verklaard en aldus het Scheidsgerecht met informatie te voeden, zonder dat [eiser] beschikte over de mogelijkheid de inhoud van het rapport te verifiëren. Daarbij is van belang dat het rapport een dag na gereedkomen aan hem is bekendgemaakt en slechts één dag later onderwerp van debat vormde tijdens de tweede mondelinge behandeling van het verzoekschrift door het Scheidsgerecht (zijnde de enige gelegenheid waarbij hij op het rapport kon reageren). Naar [eiser] heeft gesteld, heeft hij als gevolg van dit tijdverloop eerst na die behandeling kontakt kunnen krijgen met enkele van de gehoorden en aan die kontakten argumenten ontleend die hij tijdens de mondelinge behandeling had willen verwoorden (de context van het verhoorgesprek zou niet correct aan hen zijn voorgehouden en niet is steeds gevraagd naar het vertrouwen in [eiser]). Hem had, daargelaten of deze stellingen juist zijn, ruimer gelegenheid moeten worden geboden een onderbouwde inhoudelijke reactie te geven.

4.10. Voor zover het Slotervaartziekenhuis heeft betoogd dat de akkoordverklaring van [eiser] met het onderzoek en het plan van aanpak eraan in de weg staat dat hij zich in dit geding op de genoemde schending beroept, faalt dat betoog. Vast staat immers dat [eiser] onder protest (dat wil zeggen: onder handhaving van zijn desbetreffende, op die schending ziende, bezwaren) akkoord is gegaan en dat die akkoordverklaring (naar het Slotervaartziekenhuis zelf stelt) met name het feitelijke gevolg is van het feit dat het Scheidsgerecht [eiser] heeft voorgehouden dat [C] zijn werk (als commissievoorzitter) slechts wilde aanvangen als [eiser] daarmee instemde en dat zonder die instemming die (onafhankelijke) [C] geen deel zou uitmaken van de commissie. Onder die omstandigheden komt het Slotervaartziekenhuis in redelijkheid en billijkheid niet het bedoelde beroep op die akkoordverklaring toe.

4.11. Nu zich hier het geval voordoet als genoemd in artikel 1065 lid 1, aanhef en sub e, Rv, zal de rechtbank het vonnis van het Scheidsgerecht vernietigen. De overige door [eiser] aangevoerde gronden voor vernietiging behoeven derhalve geen bespreking.

4.12. Het voorgaande betekent niet dat het Slotervaartziekenhuis in de persoon van de bij haar in dienst zijnde commissieleden daadwerkelijk de vorenomschreven subjectiviteit in het onderzoeksrapport heeft ingebracht of dat die commissieleden anderszins hun onderzoekswerk niet op correcte wijze hebben uitgevoerd, noch dat de conclusies van de onderzoekscommissies (als gevolg daarvan) onjuist zijn. Of dat het geval is, is een vraag die in dit geding niet behoeft te worden beantwoord, nu reeds het enkele feit van de schending van de genoemde rechtsbeginselen tot de vernietiging van het arbitrale vonnis leidt. Indien vast stond dat die schending in het geheel geen gevolg kon hebben voor de uitkomst van het arbitrale geding (omdat zonder die schending een gelijke uitkomst zou zijn verkregen) dan had dat een argument kunnen zijn bij de beantwoording van de vraag of de schending tot vernietiging dient te leiden. Zulks staat hier echter niet vast, reeds omdat in het partijdebat niet op die kwestie is ingegaan.

4.13. De vordering moet worden toegewezen. Slotervaartziekenhuis zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding EUR 85,98

- overige explootkosten 0,00

- vast recht 262,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.251,98

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. vernietigt het arbitraal vonnis van 30 juni 2009 van het Scheidsgerecht Gezondheidszorg met kenmerk 09/07,

5.2. veroordeelt Slotervaartziekenhuis in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 1.251,98,

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Steenbergen en in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2010.?