Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN3646

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
10-08-2010
Datum publicatie
10-08-2010
Zaaknummer
16/600380-10 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft wettig en overtuigend bewezen geacht dat verdachte in zeer korte tijd twee feiten heeft begaan, te weten een diefstal in vereniging met een ander, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld op 10 april 2010 en een diefstal voorafgegaan van geweld en bedreiging met geweld op 12 april 2010.

De rechtbank heeft rekening gehouden met de geringe documentatie van verdachte, zijn jonge leeftijd en de omstandigheid dat hij zwakbegaafd is.

Alles afwegende is de rechtbank gekomen tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk en de bijzondere voorwaarde van verplicht reclasseringscontact, ook als dit inhoudt een behandeling/begeleiding bij MEE en/of De Wier of een soortgelijke instelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600380-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 10 augustus 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1990] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats]

Thans gedetineerd in P.I. Midden Holland, Huis van Bewaring Haarlem, te Haarlem.

Raadsvrouwe mr. E.D. van Elst, advocaat te Veenendaal.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 27 juli 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: met geweld of bedreiging met geweld een auto heeft gestolen;

feit 2: in vereniging met geweld of bedreiging met geweld een auto heeft gestolen.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende stukken. Het onder 2 ten laste gelegde feit heeft verdachte met een mededader begaan. Er is sprake van medeplegen, aangezien verdachte de situatie heeft geaccepteerd door na ontvangst van de autosleutels van zijn mededader met de auto weg te rijden en een dag later de auto weer op te zoeken die hij op de Tractieweg heeft geparkeerd. Verdachte heeft vervolgens de door aangeefster en haar zus gekochte goederen uit de auto gehaald en deze terug naar de winkels gebracht om geld te innen. Hieruit blijkt dat hij een graantje wilde meepikken van de autodiefstal. Twee dagen later pleegt verdachte een soortgelijk feit alleen. Verdachte had mogelijk geen opzet op het omverrijden van [slachtoffer 1], maar op deze [slachtoffer 1] afrijden was wel bedreigend.

Verdachte heeft in korte tijd twee feiten gepleegd. Op dergelijke jonge leeftijd is dit zeer ernstig.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat er een gedeeltelijke vrijspraak dient te volgen.

Ten aanzien van feit 1 bekent verdachte dat hij de diefstal met geweld heeft gepleegd. Hij ontkent echter dat hij met kracht zijn hand op de mond van [slachtoffer 2] heeft gelegd. Dit blijkt ook alleen uit de aangifte. De verdediging verzoekt om verdachte van dit deel vrij te spreken.

Daarnaast heeft verdachte niet met hoge of aanzienlijke snelheid op [slachtoffer 1] ingereden. Vanwege de afstand tussen de parkeerhaven en de plek waar [slachtoffer 1] stond, alsmede het feit dat er een haakse bocht naar links volgde, kan het feitelijk niet zo zijn dat verdachte op dat moment met hoge snelheid heeft gereden. Ook voor dit deel van de tenlastelegging verzoekt de verdediging vrijspraak.

Verdachte bekent de overige bestanddelen. Hij zag echter voor zichzelf geen andere keuze dan zo snel mogelijk weggaan toen hij zag dat [slachtoffer 2] zwanger was. Verdachte had niet de intentie om pijn of letsel toe te brengen. Dat de spijtbetuiging van verdachte oprecht is, wordt bevestigd door de psycholoog die verdachte in het kader van een pro justitiarapportage heeft onderzocht.

Ten aanzien van feit 2 stelt de verdediging zich op het standpunt dat de diefstal geen initiatief was van verdachte, maar van zijn kennis. Er heeft geen overleg vooraf plaatsgevonden en deze kennis heeft de feitelijke handelingen verricht. Verdachte heeft enkel [slachtoffer 3] weggeduwd. Het geweld tegen aangeefster heeft zich achter de rug van verdachte afgespeeld. De verdediging verzoekt de rechtbank rekening te houden met het geringe aandeel van verdachte en de duidelijke rolverdeling die blijkt uit de verklaring van verdachte, alsmede de verklaringen van aangeefster en [slachtoffer 3].

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd. Zij grondt haar overtuiging daartoe op de volgende feiten en omstandigheden.

Ten aanzien van feit 1:

Aangeefster [slachtoffer 2] parkeerde op 12 april 2010 haar personenauto van het merk Volvo type V50, toebehorende aan benadeelde Ald Automotive, bij haar huis te [woonplaats]. Er kwam een man op haar af rennen die zei: “sleutel van je auto”. Zij zag en voelde dat de man met kracht zijn hand op haar mond legde. [slachtoffer 2] hoorde de man weer zeggen: “geef me je sleutels”. [slachtoffer 2] zag dat de man haar autosleutels aannam en in de richting van haar auto rende. Ondertussen kwam [slachtoffer 1], de vriend van aangeefster, uit hun woning gerend. [slachtoffer 2] hoorde een loeiende motor en piepende banden en zag dat de man op haar vriend inreed. [slachtoffer 1] kon net op tijd tussen twee geparkeerde auto’s induiken.

Ook [slachtoffer 1] doet aangifte en verklaart tegenover de politie dat hij op 12 april 2010 thuis was te [woonplaats], toen hij zijn vriendin hoorde schreeuwen. [slachtoffer 1] is vervolgens naar buiten gerend. Daar zag hij dat de auto van [slachtoffer 2], een Volvo V50, in een parkeerhaven aan de overzijde van de straat stond. Hij zag dat er aan de rechterzijde van de auto een groep van drie à vier mensen stonden die probeerden de bestuurder van de auto te doen stoppen met behulp van onder andere hockeysticks. [slachtoffer 1] rende op de auto af om de bestuurder tegen te houden. [slachtoffer 1] hoorde dat de auto een hoog toerental maakte en met piepende banden van zijn plek kwam. Hij zag dat de auto met hoge snelheid recht op hem afkwam.

Getuige [getuige 1] verklaart dat hij op 12 april 2010 iemand “help” hoorde schreeuwen. Daarop is hij naar buiten gelopen, waar hij zijn overbuurvrouw zag staan. Zij schreeuwde: “hij jat mijn auto”. De overbuurvrouw stond bij een auto van het merk Volvo. Er zat een man in de auto. [getuige 1] zag deze man onbesuisd wegrijden. De auto maakte een hoog toerental. [getuige 1] zag zijn overbuurman op de weg staan. De auto reed door zonder te remmen. [getuige 1] zag zijn overbuurman wegspringen.

Bovengenoemde verklaringen worden ondersteund door de verklaring van getuige [getuige 2]. Deze verklaart dat hij zijn huisgenoot [getuige 1] naar buiten is gevolgd. Buiten zag hij een auto van het merk Volvo staan waar een man in zat. [getuige 2] zag zijn overbuurvrouw naast de auto staan en hoorde haar schreeuwen: “hij steelt mijn auto”. [getuige 2] zag voornoemde man in de Volvo wegrijden. De overbuurman van [getuige 2] stond midden op de weg en maakte met beide handen in de lucht een zwaaiende beweging. [getuige 2] zag dat de auto doorreed zonder te remmen. Zijn overbuurman kon nog net voor de auto wegspringen. De man vervolgde zonder snelheid te verminderen zijn weg. Volgens [getuige 2] scheelde het weinig of de overbuurman was aangereden.

Na de melding van de diefstal van de Volvo V50 treffen agenten verdachte aan als bestuurder van deze auto op de Vaalserberg te Utrecht.

Verdachte verklaart bij de politie dat hij op 12 april 2010 kwaad was, omdat hij dacht dat hij door de jongen waarmee hij twee dagen eerder een personenauto van het merk Volvo had gestolen, belazerd was. Verdachte dacht dat deze jongen stiekem de Volvo had verkocht en hem niet in de opbrengst had laten delen. Verdachte verklaart dat hij op 12 april 2010 een vrouw uit een Volvo V50 zag stappen en dat zij de autosleutels in haar linkerhand had. Verdachte besloot toen om die Volvo V50 te stelen.

Verdachte verklaart over dit feit ter terechtzitting dat hij naar de vrouw is toegelopen en heeft geprobeerd de sleutel te pakken. Verdachte zei dat hij de sleutel wilde, die hij uit haar handen trok. Verdachte verklaart dat hij zijn hand niet op haar mond heeft gelegd. Verdachte zag toen pas dat zij hoogzwanger was en schrok daarvan zo dat hij in paniek raakte en alleen nog maar weg wilde. Toen verdachte in de auto was gestapt, zag hij dat er een aantal studenten om hem heen stonden. Verdachte reed weg en zag vervolgens een man op de auto af komen rennen. Verdachte verklaart dat hij de auto tot stilstand heeft gebracht en dat de man toen naast de auto stond. Hij is niet op de man afgereden.

Verdachte bekent dat hij de ten laste gelegde diefstal op 12 april 2010 heeft gepleegd. Hij zou echter niet zijn hand op de mond van [slachtoffer 2] hebben gelegd en niet op [slachtoffer 1] zijn afgereden. Voor wat betreft het eerste punt ziet de rechtbank geen reden om aan de verklaring van aangeefster te twijfelen. Op grond van de verklaring van aangeefster acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte (met kracht) zijn hand op de mond van [slachtoffer 2] heeft gelegd, met het opzet om haar de autosleutel afhandig te maken.

Ook voor wat betreft het tweede punt acht de rechtbank de verklaring van verdachte niet aannemelijk. Dat verdachte de auto tot stilstand zou hebben gebracht en dat [slachtoffer 1] zich op dat moment naast de auto bevond wordt weersproken door de aangiften en twee getuigenverklaringen. Bovendien verklaarde verdachte zelf dat hij op het moment dat hij in de auto zat zo snel mogelijk weg wilde. De rechtbank vindt de verklaring van verdachte derhalve niet aannemelijk. Door met een aanzienlijke snelheid op [slachtoffer 1] af te rijden waardoor deze [slachtoffer 1] genoodzaakt was om weg te springen, is er voor hem een zeer bedreigende situatie ontstaan.

Ten aanzien van feit 2:

Op 10 april 2010 doet [slachtoffer 4] aangifte van diefstal van de auto van haar vader eerder die dag te Utrecht. Het betreft een auto van het merk Volvo, type S60. Aangeefster verklaart dat zij zich samen met haar zus [slachtoffer 3] in Utrecht bevond. Op het moment dat aangeefster en haar zus de auto uitstapten, zag zij twee jongens op zich aflopen. Aangeefster hoorde de man met een wit vest en een capuchon zeggen: “geef mij de sleutels”. Aangeefster weigerde dit en liep weg, waarna zij een arm om haar hals voelde die haar tegen hield. Tegelijkertijd kreeg zij een harde vuistslag in haar gezicht. Aangeefster voelde een hevige pijn aan haar neus en voelde dat zij een bloedneus had. Zij draaide zich om en zag de twee mannen in de Volvo stappen en wegrijden.

[slachtoffer 3] verklaart dat zij op 10 april 2010 te Utrecht twee jongens aan zag komen lopen, toen haar zus [slachtoffer 4] de auto van hun ouders parkeerde. Eén van de jongens droeg een capuchon over het hoofd getrokken. Beide jongens liepen op [slachtoffer 4] af. [slachtoffer 3] hoorde de jongen met de capuchon over zijn hoofd tegen haar zus zeggen: “geef me de sleutel”. Zij hoorde dat haar zus dit weigerde. [slachtoffer 3] zag dat deze jongen zijn rechterarm om de hals van haar zus had. Ook zag zij dat de jongen haar met kracht met haar gezicht tegen het raam van een woning zette. De andere jongen had zich tussen [slachtoffer 3] en haar gepositioneerd. Deze jongen belette haar de doorgang naar haar zus. [slachtoffer 3] voelde dat hij haar wegduwde. Even later zag zij de beide jongens rustig naar de Volvo S60 lopen. Zij zag dat de jongen die haar had weggeduwd achter het stuur ging zitten en wegreed.

[slachtoffer 4] heeft haar letsel door een arts laten onderzoeken. De geconsulteerde arts constateert een brilhematoom en mogelijk een kleine breuk van de neus.

Verdachte verklaart bij de politie dat hij op 10 april 2010 in Utrecht een kennis tegenkwam met wie hij samen verder is gelopen. Zij zagen onderweg een auto van het merk Volvo. De kennis vroeg aan verdachte of hij wist wat deze auto op zou leveren. Verdachte zag dat er twee vrouwen bij deze auto stonden. Vervolgens zag hij dat zijn kennis de autosleutel afhandig maakte van de bestuurster. Verdachte stond op dat moment bij de andere vrouw en richtte zijn blik op de grond. Achter hem hoorde hij de bestuurster schreeuwen. Op dat moment kwam de bijrijdster op verdachte af. Verdachte duwde haar weg. Vervolgens tikte de kennis verdachte van achteren aan en drukte hij de autosleutel in de hand van verdachte. Daarop is verdachte weggereden. Hij zat achter het stuur en de kennis zat naast hem. Verdachte verklaart dat hij de auto ergens heeft geparkeerd en dat hij de autosleutel aan zijn mededader heeft gegeven. De volgende dag heeft verdachte met zijn mededader afgesproken om over de verdere afhandeling te praten. Verdachte is vervolgens met een andere vriend weer naar de auto gegaan om de tassen met goederen uit de kofferbak mee te nemen. Daarna heeft verdachte de sleutel weer afgegeven. De betreffende kennis heeft hij daarna niet meer gezien. Verdachte heeft de spullen waarvan een bon was bijgesloten teruggebracht naar de winkels en het retourbedrag gehouden. Verdachte verwachtte nog iets van de opbrengst van de auto te ontvangen. Dit is niet gebeurd.

De rechtbank stelt vast dat verdachte bekent op 10 april 2010 samen met een ander de Volvo S60 te Utrecht te hebben gestolen. De verdediging benadrukt het geringe aandeel van verdachte, nu hij niet het initiatief heeft genomen tot de diefstal, er geen overleg is geweest tussen verdachte en zijn mededader en verdachte geen geweldshandelingen jegens het slachtoffer heeft verricht.

De rechtbank overweegt dat niet is gebleken dat verdachte op 10 april 2010 voorafgaand aan de diefstal afspraken heeft gemaakt met zijn mededader. Echter, op het moment dat verdachte zag dat deze mededader de bestuurster de autosleutel afhandig probeerde te maken, wist hij dat deze mededader de auto wilde stelen. De rechtbank stelt op grond van de verklaring van verdachte, de aangifte en een getuigenverklaring vast dat verdachte zich op dat moment niet heeft gedistantieerd van de diefstal. Verdachte heeft zich eveneens niet gedistantieerd van het gepleegde geweld. Dat verdachte niet daadwerkelijk heeft gezien dat zijn mededader geweld gebruikte doet hier niet aan af, nu verdachte het slachtoffer hoorde schreeuwen terwijl haar de autosleutel afhandig werd gemaakt en verdachte hierop zijn mededader niet heeft tegen gehouden. Verdachte heeft daarentegen juist de zus van het slachtoffer weggeduwd, waarmee haar werd belet om het slachtoffer te helpen. Ook is het verdachte geweest die de autosleutels heeft aangenomen van zijn mededader en met de auto is weggereden. Op grond van het bovenstaande kan een voldoende nauwe en bewuste samenwerking worden aangenomen. Daarbij komt dat verdachte de volgende dag heeft afgesproken met zijn mededader, de autosleutel van hem heeft ontvangen en goederen uit de gestolen auto heeft weggenomen om deze vervolgens te gelde te maken. De opbrengst van deze goederen heeft verdachte voor zichzelf gehouden. Uit de verklaring van verdachte blijkt voorts dat hij daarnaast had verwacht een deel van de opbrengst van de gestolen auto te zullen ontvangen. Hieruit blijkt dat verdachte wel degelijk opzet had om de auto te stelen en in de opbrengst daarvan te delen. Alles overwegende komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte tevens het tweede ten laste gelegde feit heeft begaan.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 12 april 2010 te [woonplaats], met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een personenauto (merk Volvo, type V50) toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of Ald Automative , welke diefstal werd voorafgegaan en/of gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij,

verdachte,

-op die [slachtoffer 2] is afgerend en daarbij tegen die [slachtoffer 2] heeft

geroepen: "Sleutel van je auto" en

-vervolgens zijn, verdachtes, hand (met kracht) op de mond van die [slachtoffer 2]

heeft gelegd en (daarbij) tegen die [slachtoffer 2] heeft geroepen: "Geef me

je sleutels" als gevolg waarvan die [slachtoffer 2] de autosleutel(s) van die

personenauto aan verdachte heeft afgegeven en

-als bestuurder van die personenauto (met aanzienlijke snelheid) op die [slachtoffer 1] is afgereden (waardoor die [slachtoffer 1] opzij moest springen);

2.

hij op 10 april 2010 te Utrecht tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een auto (type Volvo S60), toebehorende aan de heer [slachtoffer 5], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat door verdachte en/of diens mededader:

- nadat [slachtoffer 4] de auto had geparkeerd en uit de auto was gestapt tegen haar

werd gezegd "geef mij de sleutels";

- een arm om de hals van die [slachtoffer 4] werd gelegd;

- die [slachtoffer 4] in haar gezicht werd gestompt/geslagen;

- de autosleutel van die [slachtoffer 4] werd afgepakt;

- die [slachtoffer 3] de weg werd versperd en werd weggeduwd;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1: diefstal, voorafgegaan van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren;

Feit 2: diefstal tezamen en in vereniging met een ander, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 24 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en verplicht reclasseringscontact, ook als dit inhoudt behandeling bij een instelling.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar is en feitelijk geen geweld heeft gebezigd. Ook verzoekt de verdediging om rekening te houden met het ontbreken van relevante documentatie en de wens van verdachte om in september verder te kunnen gaan met zijn opleiding. Mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen, dan vraagt de verdediging om een lagere straf dan het geëiste op te leggen.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf(fen) heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft in zeer korte tijd twee diefstallen met geweld en bedreiging met geweld gepleegd. Dit betreffen ernstige feiten. Feiten waarvan verdachte niet heeft stilgestaan bij de gevolgen die deze met zich mee zouden brengen voor de slachtoffers.

Eén van de slachtoffers betrof een hoogzwangere vrouw. De rechtbank kan zich voorstellen dat de situatie voor haar extra beangstigend moet zijn geweest.

Daarnaast is er bij de diefstal op 10 april 2010 door de mededader van verdachte fors geweld gebruikt. Verdachte heeft zich niet van dit geweld gedistantieerd. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij door het wegduwen van de zus van het slachtoffer juist mogelijk heeft gemaakt dat zijn mededader ongestoord geweldshandelingen kon verrichten. De beide diefstallen met geweld en bedreiging met geweld moeten voor de slachtoffers een bijzonder traumatische ervaring zijn geweest.

De rechtbank houdt verder rekening met het strafblad van de verdachte waaruit blijkt dat verdachte een geringe documentatie heeft. Verder heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in vergelijkbare gevallen door de rechtbank worden opgelegd.

De rechtbank heeft tevens kennis genomen van een pro justitiarapportage d.d. 16 juni 2010, waaruit volgt dat verdachte zwakbegaafd is en enigszins verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht. De rechtbank neemt deze conclusie over. In het rapport wordt geadviseerd om verdachte te laten begeleiden door een instelling die zich heeft gespecialiseerd in het begeleiden van mensen met een beperking om de dagelijkse gang van zaken met verdachte door te nemen en te helpen structureren, zoals de instelling MEE. Een dergelijke instelling kan tevens zoeken naar een instelling die in de vorm van ambulante begeleiding verdachte kan helpen weerbaarder en minder beïnvloedbaar te worden (bijvoorbeeld De Wier).

Gelet op de geringe documentatie van verdachte, zijn zwakbegaafdheid en zijn jonge leeftijd zal de rechtbank verdachte een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie geëist.

Een gedeeltelijk onvoorwaardelijke detentie acht de rechtbank echter wel in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden passend en geboden is. De rechtbank ziet aanleiding om een deel van deze gevangenisstraf, te weten 8 maanden, voorwaardelijk op te leggen. Met deze voorwaardelijke straf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

7 Het beslag

7.1 De teruggave

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp aan verdachte, omdat deze redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 57, 310, 312 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: diefstal, voorafgegaan van geweld en bedreiging met geweld tegen personen,

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken,hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren;

feit 2: diefstal tezamen en in vereniging met een ander, welke diefstal werd

voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de reclassering, ook als dat inhoudt een behandeling/begeleiding bij MEE en/of De Wier of een soortgelijke instelling;

- gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslagenomen telefoon van het merk Nokia.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Perrick, voorzitter, mr. A. Wassing en mr. Y.M.J.I. Baauw-de Bruijn, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.T. Dezentje, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 10 augustus 2010.