Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN3511

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
05-08-2010
Datum publicatie
09-08-2010
Zaaknummer
290879
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De vader heeft in kort geding gevorderd dat de Staat de beschikking waarin de teruggeleiding van de minderjarige naar het land van de gewone verblijfplaats is bevolen, ten uitvoer zal leggen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de teruggeleiding van de minderjarige reeds heeft plaatsgevonden. De vordering wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 290879 / KG ZA 10-660

Vonnis in kort geding van 5 augustus 2010

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats], Guatemala,

eiser,

hierna: de vader,

advocaat mr. R. de Falco,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie, meer speciaal de Officier van Justitie in het Arrondissement Utrecht),

zetelende te ‘s-Gravenhage,

gedaagde,

hierna: de Staat,

advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de hersteldagvaarding;

- de namens de vader op 22 en 26 juli 2010 overgelegde producties;

- de namens de Staat op 26 juli 2010 overgelegde producties;

- de mondelinge behandeling d.d. 29 juli 2010;

- de pleitnota van de vader (voor zover de inhoud hiervan tijdens de mondelinge behandeling aan de orde is geweest);

- de pleitnota van de Staat.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. De vader is op [2000] te [plaats], Italië, gehuwd met [moeder] (hierna: de moeder).

2.2. Uit het huwelijk van de vader en de moeder is geboren de minderjarige:

[dochter], op 30 juni 2001 te [woonplaats], Guatemala.

2.3. De vader en de moeder leven sinds 2005 feitelijk gescheiden van elkaar. In 2005 heeft tussen hen een procedure gediend voor de familierechtbank te [woonplaats], Guatemala. In deze procedure zijn zij onder meer overeengekomen (blijkens de in de Nederlandse taal vertaalde beslissing van de familierechtbank) dat [dochter] onder het gezag van de moeder zal vallen, dat de moeder zich verplicht om met [dochter] in Guatemala te blijven wonen en dat, telkens wanneer [dochter] gaat reizen, de ene ouder hiervoor de toestemming dient te vragen en te verkrijgen van de andere ouder. De vader en de moeder zijn daarnaast een omgangsregeling ten behoeve van de vader overeengekomen. De familierechtbank te Guatemala heeft de overeenstemming tussen de vader en de moeder op 7 november 2005 bekrachtigd.

2.4. Rond april 2009 heeft de moeder [dochter], zonder toestemming van de vader, meegenomen naar Nederland.

2.5. Bij beschikking van 7 januari 2010 heeft deze rechtbank, nevenzittingsplaats

’s-Gravenhage, de terugkeer van [dochter] naar Guatemala gelast op 22 februari 2010. Tevens heeft de rechtbank, indien de moeder niet zelf met de minderjarige terugkeert, de afgifte van de minderjarige bevolen aan de vader op 22 februari 2010, opdat de vader de minderjarige mee terug kan nemen naar Guatemala. Bij beschikking van 19 februari 2010 heeft het Gerechtshof te Amsterdam deze beschikking bekrachtigd.

2.6. Op 8 maart 2010 is de moeder met [dochter] teruggekeerd naar Guatemala.

2.7. Omstreeks begin juni 2010 heeft de moeder [dochter] wederom, zonder toestemming van de vader, meegenomen naar Nederland (en Duitsland).

3. Het geschil

3.1. De vader vordert – samengevat – primair de Staat te bevelen om, binnen een dag na de in deze te geven beslissing, de beschikking van deze rechtbank van 7 januari 2010 ten uitvoer te leggen en de minderjarige [dochter] aan de vader af te geven, op straffe van een dwangsom van EUR 100.000,-- (met een maximum van EUR 1.000.000,--) voor iedere dag dat de beslissing niet wordt nagekomen. De vader vordert subsidiair zodanige voorzieningen te treffen als de voorzieningenrechter juist acht. Voorts vordert de vader een veroordeling van de Staat in de kosten van dit geding.

3.2. De vader stelt dat de Staat, in het bijzonder het Openbaar Ministerie, op grond van artikel 13 Uitvoeringswet Haagse Kinderontvoeringsverdrag jo. artikel 813 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) voornoemde beschikking ten uitvoer moet leggen, doch dit – ondanks herhaald verzoek hiertoe – heeft geweigerd.

3.3. De Staat voert verweer. Volgens de Staat is de beschikking van 7 januari 2010 met de terugkeer van de moeder en [dochter] naar Guatemala op of omstreeks 8 maart 2010 reeds ten uitvoer gelegd. De Staat stelt zich op het standpunt dat de door de vader verlangde terugkeer van [dochter] naar Guatemala en/of de afgifte van haar aan de vader in een nieuwe teruggeleidingsprocedure aan de orde moet worden gesteld.

Daarbij stelt de Staat dat ogenschijnlijk sprake is van feiten en omstandigheden die in de eerdere procedure niet aan de orde zijn gesteld en die een nadere beoordeling door de rechter behoeven van de noodzaak tot tenuitvoerlegging van de beschikking. De Staat vordert een veroordeling van de vader in de kosten van dit geding.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De voorzieningenrechter overweegt dat de rechtbank te ’s-Gravenhage relatief bevoegd is om van het onderhavige geschil kennis te nemen, aangezien de Staat aldaar is gezeteld. Ter zitting hebben beide partijen ermee ingestemd dat deze rechtbank bevoegd is om van het onderhavige geschil kennis te nemen.

4.2. Uitgangspunt is dat ingevolge het bepaalde in artikel 813 lid 1 sub c Rv jo. artikel 812 Rv het Openbaar Ministerie (hierna: OM) zo nodig zijn medewerking verleent aan de afgifte van de minderjarige [dochter] aan de vader, teneinde haar terug te geleiden naar Guatemala. Dit betreft de tenuitvoerlegging van de beschikking van deze rechtbank van 7 januari 2010, waarin de terugkeer van [dochter] naar Guatemala op 22 februari 2010 is gelast. Het is de rechtbank gebleken dat de moeder, ter uitvoering van deze beschikking, met [dochter] is teruggekeerd naar Guatemala, zonder dat de inzet van het OM hierbij nodig is geweest. Feitelijk zijn [dochter] en haar moeder op 8 maart 2010 in Guatemala teruggekeerd, welke datum met instemming van de Centrale Autoriteit, maar zonder instemming van de vader, is bepaald. Begin juni 2010 is de moeder wederom met [dochter] naar Nederland gegaan. Gelet hierop heeft de vader (opnieuw) de tenuitvoerlegging van de beschikking van 7 januari 2010 gevorderd, maar ditmaal alsnog met medewerking van het OM.

4.3. De voorzieningenrechter overweegt dat met de terugkeer op 8 maart 2010 reeds is voldaan aan het bepaalde in het dictum van de beschikking van 7 januari 2010, voor zover het de letterlijke weergave van de tekst betreft (met dien verstande dat met instemming van de Centrale Autoriteit van de aldaar bepaalde datum is afgeweken). Reeds hierom moet de vordering worden afgewezen.

4.4. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de bedoeling van deze beschikking echter meeromvattend dan uit de letterlijke weergave van het dictum blijkt. De bedoeling is immers dat [dochter] terugkeert naar Guatemala, waar zij haar gewone verblijfplaats heeft en waar tussen de ouders (door de rechtbank vastgelegde) afspraken gelden, met betrekking tot de verblijfplaats van [dochter] bij de moeder, de omgang tussen [dochter] en de vader en het niet zonder toestemming van de andere ouder meenemen van [dochter] buiten Guatemala. Geschillen tussen de ouders over deze afspraken en de nakoming hiervan dienen echter te worden beoordeeld in het kader van een bodemprocedure in Guatemala (dan wel elders). Nu de moeder [dochter] in strijd met de afspraken van de ouders opnieuw in Nederland of Duitsland heeft doen verblijven, wordt een nieuwe bodemprocedure nodig geacht, waarin ofwel de moeder ofwel de vader op grond van nieuwe feiten en omstandigheden wijziging van de tussen hen geldende afspraken vordert. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal het opleggen van de medewerking van het OM aan de teruggeleiding van [dochter] de geschillen tussen partijen niet oplossen en leent de procedure in kort geding zich naar haar aard ook niet hiervoor.

Door louter de medewerking van het OM aan de teruggeleiding te eisen, wordt de bedoeling van de teruggeleiding en het eventueel wijzigen van de gemaakte afspraken rondom de verzorging en opvoeding van [dochter] niet bereikt. Toewijzing van de vordering, als hier al aan zou kunnen worden toegekomen, biedt dan ook geen structurele oplossing voor de kern van het geschil.

4.5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de teruggeleiding van [dochter] naar Guatemala – zoals bepaald bij beschikking van 7 januari 2010 – reeds heeft plaatsgevonden. Gesteld door de vader, doch voldoende gemotiveerd weersproken door de Staat, is dat de terugkeer van de moeder met [dochter] naar Guatemala op 8 maart 2010 als een schijnhandeling zou kunnen worden aangemerkt. In dit kader heeft de Staat onder meer naar voren gebracht dat de moeder en [dochter] gedurende circa drie maanden in Guatemala hebben verbleven en dat [dochter] in die periode ook naar school is gegaan.

Nu de voorzieningenrechter van oordeel is dat de teruggeleiding reeds heeft plaatsgevonden, wordt derhalve niet meer toegekomen aan de beoordeling van de (eventuele) mate van beleidsvrijheid van het OM in het kader van artikel 813 Rv.

Voorts wordt nog overwogen dat de door partijen overgelegde jurisprudentie niet vergelijkbaar is met de feiten in de onderhavige procedure, aangezien in die procedures voor het eerst werd getracht om een kind terug te geleiden met de inzet van het OM, terwijl in de onderhavige procedure de teruggeleiding al op 8 maart 2010 een feit was.

4.6. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering, zowel primair als subsidiair, zal worden afgewezen. Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft en niet gezegd kan worden dat de vader met het instellen van de dagvaarding in strijd met het recht heeft gehandeld, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren als hierna vermeld.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1. wijst de vordering van eiser af;

5.2. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Gerritse, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van mr. A. Verouden, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2010.?