Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN3249

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
04-08-2010
Datum publicatie
05-08-2010
Zaaknummer
666697 UC EXPL 09-21399 SdL
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

kennelijk onredelijk ontslag; geen vermelde (geldige) reden; schadevergoeding;

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2010-0627

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector kanton,

locatie Utrecht

zaaknummer: 666697 UC EXPL 09-21399 SdL

vonnis d.d. 4 augustus 2010

inzake

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [eiseres],

eisende partij,

gemachtigde: mr. J.L.A. van Eeuwijk,

tegen:

1. de vennootschap onder firma

[gedaagde 1],

gevestigd te [woonplaats],

2. [gedaagde 2] als vennoot van [gedaagde 1],

wonende te [woonplaats],

3. [gedaagde 3] als vennoot van [gedaagde 1],

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [gedaagde],

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. R. Meijers.

Het verloop van de procedure

De kantonrechter verwijst naar het tussenvonnis van 10 februari 2010.

Partijen hebben voorafgaand aan de comparitie nog stukken in het geding gebracht. [eiseres] heeft de eis in conventie vermeerderd. [gedaagde] heeft een reconventionele eis ingesteld, waarop door [eiseres] is gereageerd..

De comparitie is gehouden op 30 maart 2010. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt.

[eiseres] heeft voor repliek in conventie en [gedaagde] heeft voor dupliek in conventie geconcludeerd.

De reconventionele eis is ingetrokken en blijft buiten behandeling.

Hierna is uitspraak bepaald.

Het geschil en de beoordeling daarvan

1.1

[eiseres] is sinds 27 maart 2006 in loondienst bij [gedaagde] tegen een bruto jaarloon van € 13,55 excl. 8% vakantietoeslag voor 40 uur per 4 weken, maar gemiddeld werkte [eiseres] meer uren per 4 weken zodat zij gemiddeld € 1.454,84 bruto inclusief vakantiebijslag per maand ontving. Op 6 oktober 2009 ontsloeg [gedaagde] [eiseres] op staande voet. [eiseres] riep op 13 oktober 2009 de onregelmatigheid van dit ontslag in (en maakte aanspraak op een vergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag).

1.2.

[gedaagde] is vanwege bedrijfseconomische redenen met haar werkzaamheden opgehouden per 1 januari 2010.

2.

Gevorderd wordt dat de kantonrechter [gedaagde] hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, veroordeelt aan [eiseres] te betalen de gefixeerde schadevergoeding gelijk aan haar loon van 1 oktober 2009 tot 1 december 2009 ad € 1.174,- bruto per maand + 8% , dus totaal € 2.535,84 bruto, alsmede een vergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag van € 7.000,-, later bij repliek vermeerderd tot € 9.000,- bruto, beide bedragen vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der betaling, met veroordeling van [gedaagde]n in de proceskosten.

Aan de vordering wordt het volgende ten grondslag gelegd. De opzegging van de arbeidsovereenkomst op 6 oktober 2009 vond plaats onder opgave van een valse dan wel voorgewende reden. Tevens zijn de gevolgen van het ontslag zeer ernstig. [eiseres] is zonder enige reden van de ene dag op de andere weggestuurd en werkloos geworden. Zij moet nu bijstand aanvragen en trachten voor enkele uren per week als freelancer in de zorg te werken. [gedaagde] heeft ernstig verwijtbaar gehandeld door het ontslag. Zij heeft [eiseres] zwart gemaakt bij klanten, terwijl [eiseres] niets te verwijten valt. [gedaagde] stelt dat [eiseres] haar geheimhoudingsplicht heeft overtreden maar zij stelt niet hoe [eiseres] dat gedaan zou hebben. Dit is ook niet verteld. Het is gewoon verzonnen als reden.

3.

[gedaagde] verweert zich en stelt zich op het standpunt dat er een dringende reden voor het ontslag aanwezig was. Op 2 oktober 2009 waren [gedaagde] en [eiseres] akkoord over beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 2 november 2009. De vaststellingsovereenkomst is nooit getekend. Op 6 oktober heeft [gedaagde] [eiseres] op staande voet ontslagen, omdat deze klanten van [gedaagde] benaderde om mee over te stappen naar een andere zorghulpverlener. [eiseres] gaf daarbij aan dat het slecht met [gedaagde] ging en dat [gedaagde] failliet zou gaan. [eiseres] heeft daarmee de geheimhoudingsplicht uit de arbeidsovereenkomst overtreden. Zij was ervan op de hoogte dat het financieel niet goed ging met [gedaagde] en dat zij daarover niets naar buiten mocht brengen.

4.

[eiseres] voert in voortgaand debat nog het volgende aan. [gedaagde] c.s. en haar vennoten hebben een gezamenlijke woning met overwaarde, grote auto’s etc. [eiseres] betwist derhalve uitdrukkelijk dat [gedaagde] na opheffing van het bedrijf een laag vermogen heeft. Bovendien vordert [eiseres] schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag en is haar inziens de Habe-nichts exceptie dan niet aan de orde. Zoals de Hoge Raad in haar arrest van 11 februari 2010 benadrukt, dient de schadevergoeding begroot te worden op basis van de bepalingen in titel 6.10 BW. Tevens moet naar haar mening uitgegaan worden van de situatie in december 2009 en toen was het bedrijf nog niet opgeheven.

De gevolgen van het ontslag zijn voor haar desastreus, daar het ook in de zorg extreem moeilijk is een baan te vinden van 9 tot 15 uur. [eiseres] heeft twee jonge kinderen van wie er één autistisch is. Ze kan dus geen baan buiten schooltijd accepteren van 7 tot 15 uur (of 17 uur) terwijl alle zorgburo’s slechts dat aanbieden. De meeste klanten hebben immers elke dag vanaf uiterlijk 8.00 uur hulp nodig bij opstaan, aankleden, ontbijt etc. [eiseres] heeft ook bij de bekende zorgburo’s in de buurt van [woonplaats] en Utrecht telefonisch gesolliciteerd, maar allen willen slechts zorgverlening vanaf 7.00 uur [gedaagde] heeft zeer verwijtbaar gehandeld door haar op grond van een valse reden te ontslaan.

5.

[gedaagde] voert in voortgezet debat nog het volgende aan. Omstandigheden die relevant zijn bij de beoordeling of er sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag zijn onder andere de leeftijd, het duur van het dienstverband en de arbeidsmarktperspectieven. [eiseres] is vanaf 2 maart 2006 bij [gedaagde] in dienst. Dit is een kort dienstverband. In principe speelt de leeftijd een rol bij de arbeidsmarktperspectieven. [eiseres] is op dit moment 47 jaar. Op de arbeidsmarkt is [eiseres] derhalve relatief jong. Haar leeftijd vormt geen belemmering om een andere dienstbetrekking te krijgen en ook betwist [gedaagde] dat er sprake is van een ongunstige arbeidsmarktpositie. Algemeen bekend is dat er aan zorgverleners een groot tekort is. Voor de volledigheid worden echter de vacatures als zorgverlener in de regio Utrecht overgelegd. Hieruit blijkt dat er veel vraag is naar zorgverleners in de omgeving van [woonplaats]. [eiseres] was vanaf juli 2009 slechts beperkt beschikbaar voor de zorghulptaken. [eiseres] heeft gemiddeld 50,29 uur per periode gewerkt. Dit is 12,57 uur per week. Hier dient rekening mee gehouden te worden voor de begroting van de schadevergoeding. Op 1 januari 2010 heeft [gedaagde] de deuren gesloten en worden er geen activiteiten meer verricht. Als [eiseres] niet op staande voet zou zijn ontslagen, dan zou er sowieso een einde aan het dienstverband zijn gekomen. Vanaf september 2009 is [gedaagde] gestart met de voorbereidingen om het bedrijf te sluiten. Dit heeft tot gevolg dat de arbeidsovereenkomst van [eiseres], met inachtneming van de opzegtermijn van 2 maanden per 31-12-2009 zou zijn beëindigd. Dit heeft tot gevolg dat [eiseres] een beroep op een WW-uitkering had moeten doen. De totale aanvulling bedraagt derhalve maximaal € 280,24 bruto. Dit bedrag bestaat uit het verschil tussen uitkering die [eiseres] als WW-uitkering zal ontvangen, te weten € 1.011,25 bruto, en het bedrag dat [eiseres] op dit moment uit inkomsten verdient, te weten € 808,64 per maand bruto.

De eis in reconventie wordt ingetrokken.

Tot zover de standpunten van partijen.

6.

De kantonrechter komt tot het volgende oordeel.

6.1.

Ter zake de betaling van achterstallig loon vanaf 18 februari 2009 tot 6 oktober 2009, zijn partijen het eens over toewijzing van een bedrag van € 1.976,38 bruto. [eiseres] ziet af van de wettelijke verhoging. Tussen partijen is voorts onweersproken overeengekomen dat door [eiseres] afstand is gedaan van de gevorderde wettelijke rente over deze post.

6.2.

Partijen hebben kennelijk na de gehouden comparitie na antwoord met elkaar onderhandeld over de hoogte van een bedrag aan gefixeerde schadevergoeding, maar uiteindelijk kennelijk geen overeenstemming bereikt en ook niets bepaald of aan de kantonrechter gemeld over de onverwijlde opzegging (en wel over deze opzegging nog het een en ander opgemerkt in de processtukken). Dit ontslag op staande voet moet dus nog beoordeeld. Het heeft kennelijk betrekking gehad op een flyer die terecht is gekomen bij een klant van [gedaagde]. De flyer was afkomstig van een andere zorgverzekeraar. Volgens [eiseres] heeft zij de flyer bij een klant in de brievenbus gevonden en deze aan haar klant gegeven en toen [gedaagde] dit vernam heeft zij [eiseres] op staande voet ontslagen. [gedaagde] heeft dit onvoldoende weersproken. [gedaagde] heeft nog wel de vinger gelegd op een e-mail die door [eiseres] verzonden is op 6 oktober 2009, maar uit deze mail blijkt dat [eiseres], aan de hand van wat [A] en [B] zelf aan mevr. [C] hadden verteld over de slechte bedrijfseconomische situatie, uitleg geeft over het voorgevallene toen het ontslag al gegeven was zodat het bericht in de mail (en de melding dat [gedaagde] ”faït” zou gaan ) niet bij kan dragen aan de onderbouwing van de redenen voor het gegeven ontslag op staande voet.

Ook de aangevoerde overtreding van de geheimhoudingsplicht is onvoldoende bewaarheid. Volgens artikel 11 van de arbeidsovereenkomst is het de werknemer verboden om gedurende de arbeidsovereenkomst op enigerlei wijze aan derden direct of indirect in welke vorm en op welke wijze dan ook enige mededeling te doen van hetgeen te zijner kennis is gekomen aangaande de zakelijke belangen van werkgever, haar klanten en andere relaties, een en ander in de ruimste zin des woords, maar een overtreding van zo’n ruim gestelde geheimhoudingsplicht is zonder nader gespecificeerde redenen, die in dit geval niet gegeven zijn, niet een (subjectieve of objectieve) dringende reden. De kantonrechter heeft daarbij mede gelet op het wel vaststaande feit dat in september 2009 bekend was dat het slecht ging met [gedaagde] en dat met [eiseres] onderhandeld werd over een beëindigingsovereenkomst waarin de vermelde reden van de beëindiging de slechte bedrijfseconomische situatie was.

[eiseres] heeft derhalve recht op loon c.q. de gefixeerde schadevergoeding gelijk aan het salaris over de maanden oktober en november 2009. Nu [eiseres] niet voldoende heeft aangetoond dat de gefixeerde schadevergoeding € 3.015,- bedraagt, zal moeten worden uitgekomen op een bedrag van € 2.806,84 bruto.

6.3.

Bij de beoordeling van de aangevoerde grond (voor kennelijke onredelijkheid) dat de opzegging wegens een valse of voorgewende reden is gegeven, moet rekening worden gehouden met de omstandigheid dat de reden voor het ontslag op staande voet niet standhoudt en dat dientengevolge de opzegging niet gedaan is vanwege de aangevoerde grond en daarom voorgewend is. De kantonrechter is van mening dat [gedaagde] vanwege deze voorgewende of valse grond een ernstig verwijt valt te maken en dat heeft ook gevolgen voor de toe te kennen schadevergoeding.

6.4.

De omstandigheid dat [eiseres] geen uitkering krachtens de Werkloosheidswet (WW) heeft gekregen kan haar niet in het kader van eigen schuld worden aangewreven, omdat voldoende is komen vast te staan dat [eiseres] een WW-uitkering heeft aangevraagd, maar van UWV te horen heeft gekregen dat ze geen WW-uitkering kon ontvangen, omdat ze op staande voet was ontslagen en dus onvrijwillig werkloos was. In het kader van de schadebeperkingsplicht daarentegen is weer wel van belang dat [eiseres] een WW uitkering aanvraagt (indien in rechte is vast komen te staan dat het ontslag op staande voet geen standhoudt).

6.5.

[gedaagde] heeft voorts aan [eiseres] voorgehouden dat zij zich slechts beperkt beschikbaar stelt op de arbeidsmarkt en derhalve de schade te weinig beperkt, maar de kantonrechter acht voldoende vaststaan dat [eiseres] vanwege de zorg die zij als alleenstaande ouder besteedt aan haar dochter eraan in de weg staat dat zij veel meer uren beschikbaar is. [eiseres] heeft dus weliswaar voldoende aangetoond dat haar kansen op de arbeidsmarkt in en om [woonplaats] gering zijn vanwege de bijzondere zorg die zij moet verlenen aan een dochter waardoor haar arbeidstijden beperkt zijn, maar de werkgever behoeft die hoofdzakelijk in de persoonlijke sfeer van [eiseres] gelegen kans op langere werkloosheid niet geheel voor haar rekening te nemen.

6.6.

In het kader van de bepaling van de hoogte van de schadevergoeding, dient het argument van de werkgever dat zij niet staat is om een schadevergoeding te betalen, aan de hand van een strengere maatstaf te worden beoordeeld (dan de toets die bij de beantwoording van de vraag of de opzegging kennelijk onredelijk is vanwege onevenredigheid wordt aangelegd). De door de werknemer geleden schade dient immers in beginsel integraal te worden vergoed en de rechter mag de schadevergoedingsverplichting slechts matigen indien toekenning van een volledige schadevergoeding in de gegeven omstandigheden tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden (art. 6:109 BW jo. art. 6:2 lid 2 en 6:248 lid 2 BW). Hierbij moet worden gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid, de tussen partijen bestaande rechtsverhouding en hun beider draagkracht.

Uit de overgelegde jaarrekeningen van de laatste drie jaar (2007, 2008 en 2209) blijkt dat er verlies wordt geleden in de laatste twee jaar (2008 en 2009), maar de kantonrechter kan uit de toelichting op de fiscale winst- en verliesrekening over 2009 onvoldoende opmaken waarom in het jaar 2008, toen nog 14 werknemers in dienst waren, de bruto lonen en salarissen € 444.796 bedroegen, terwijl in 2009, toen het gemiddeld aantal werknemers nul bedroeg, de brutolonen en salarissen nog € 303.533 bedroegen. Indien dit laatste bedrag op is gegaan aan de regeling of aan regelingen voor de 14 werknemers is niet te begrijpen waarom er dan voor [eiseres], die ten onrechte op staande voet ontslagen is, geen pleister op de wonde over zou zijn. Indien, anders gezegd, er geen rekening mee gehouden is dat het ontslag op staande voet van [eiseres] geen stand zou kunnen houden, dient dat thans niet voor rekening van [eiseres] te komen. [gedaagde] dient aan [eiseres] schade te vergoeden.

6.7.

Gelet op het onder 5.4. overwogene en op de beperkte duur van het dienstverband acht de kantonrechter een schadevergoeding van € 4.000,- aangewezen.

6.8.

Nu beide partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld ziet de kantonrechter termen de proceskosten geheel te compenseren in die zin dat elk der partijen de eigen kosten draagt.

De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] hoofdelijk, in die zin, dat wanneer de een betaalt, de ander tot de hoogte van die betaling zal zijn bevrijd, om aan [eiseres] tegen bewijs van kwijting te betalen € 1.976,38 bruto ter zake van achterstallig loon, € 2.806,84 ter zake van gefixeerde schadevergoeding en € 4.000,- ter zake van schadevergoeding wegens kennelijk onredelijke opzegging, de bedragen van € 2.806,84 en van € 4.000,- vermeerderd met de wettelijke rente erover vanaf 23 november 2009 tot de voldoening;

compenseert de proceskosten geheel.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J.M. de Laat, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2010.