Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN2884

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
29-07-2010
Datum publicatie
02-08-2010
Zaaknummer
SBR 10-1926 en SBR 10-1935
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Schorsing van de besluiten waarbij reguliere bouwvergunningen eerste fase zijn verleend voor het oprichten van een woning respectievelijk voor een appartementengebouw. Beoogd gebruik, strijd met bestemmingsplan, ontbreken van definitief welstandsadvies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummers: SBR 10/1926 en SBR 10/1935

uitspraak van de voorzieningenrechter op de verzoeken om een voorlopige voorziening

inzake

[verzoeker 1] en [verzoeker 2], wonende te [woonplaats], verzoekers,

gemachtigde mr. R.C.H. Schrömbges, advocaat te Rotterdam,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug,

verweerder,

gemachtigde: mr. D.L. de Vries, werkzaam bij de gemeente Utrechtse Heuvelrug.

Inleiding

1.1 Het verzoek geregistreerd onder SBR 10/1926, heeft betrekking op verweerders besluit van

11 mei 2010, waarbij aan [vergunninghouder] (hierna: de vergunninghouder) een eerste fase reguliere bouwvergunning is verleend voor het oprichten van een woning op het perceel [adres 1] te [woonplaats], kadastraal bekend als sectie [kadastrale aanduiding].

1.2 Het verzoek, geregistreerd onder SBR 10/1935, heeft betrekking op verweerders besluit van

11 mei 2010, waarbij aan de vergunninghouder een eerste fase reguliere bouwvergunning is verleend voor het oprichten van een appartementengebouw op het perceel [adres 2] te [woonplaats], kadastraal bekend als sectie [kadastrale aanduiding].

1.3 De verzoeken zijn op 15 juli 2010 ter zitting behandeld, waar verzoeker [verzoeker 1] in

persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens verweerder is verschenen gemachtigde, voornoemd. Namens de vergunninghouder zijn verschenen [A], directeur, en [B].

Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.

2.3 Ter zitting heeft vergunninghouder zich op het standpunt gesteld dat de beide bouwvergunningen op 23 april 2010 van rechtswege zijn verleend.

Vergunninghouder stelt in dat verband dat hij de beide aanvragen op 11 maart 2010 bij de gemeentelijke balie heeft ingediend en wijst daarbij op de door hem ingediende ontvangstbevestigingen, waarop met de hand geschreven staat dat de bouwaanvragen op 11 maart 2010 om 11.15 uur zijn ontvangen. Dit betekent volgens vergunninghouder dat, nu de bouwplannen passen binnen het bestemmingsplan, de bouwvergunningen op 23 april 2010 van rechtswege zijn verleend.

2.4 In artikel 40b, eerste lid, van de Woningwet is bepaald dat burgemeester en wethouders onverwijld de datum van ontvangst aantekenen op het geschrift waarbij de aanvraag om bouwvergunning is ingediend.

Ingevolge artikel 46, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet beslissen burgemeester en wethouders omtrent een aanvraag om een reguliere bouwvergunning die overeenkomstig artikel 56a, eerste lid, in twee fasen wordt verleend: telkens binnen zes weken na ontvangst van de aanvraag.

Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat burgemeester en wethouders hun beslissing omtrent een aanvraag om bouwvergunning eerste of tweede fase eenmaal met ten hoogste zes weken verdagen.

2.5 De voorzieningenrechter volgt niet de stelling van vergunninghouder dat op 23 april 2010 de vergunningen van rechtswege zijn verleend.

De voorzieningenrechter stelt vast dat, zoals artikel 40b, eerste lid, van de Woningwet voorschrijft, op de geschriften waarbij de aanvragen zijn ingediend, als datum van ontvangst 12 maart 2010 is gestempeld. Bij brief van 23 april 2010, welke datum binnen de termijn van zes weken ligt, heeft verweerder gebruik gemaakt van de mogelijkheid de beslistermijn te verdagen. Vervolgens heeft verweerder ook in de beide besluiten van 11 mei 2010 vermeld dat de verzoeken om vergunning op 12 maart 2010 zijn ontvangen.

Voor de vraag of de aanvragen op 11 of op 12 maart 2010 zijn ingediend, hecht de voorzieningenrechter meer waarde aan de datumstempel op de bouwaanvragen en de in de vergunning vermelde ontvangstdatum dan aan de vlak voor de zitting door de vergunninghouder overgelegde handgeschreven ontvangstbevestigingen. De voorzieningenrechter gaat er dan ook vanuit dat verweerder bij brief van 23 april 2010 zijn beslissingen omtrent de aanvragen tijdig heeft verdaagd, zodat geen sprake is van op die datum van rechtswege verleende bouwvergunningen.

Indien vergunninghouder het niet eens zou zijn geweest met verweerders uitgangspunt dat de aanvragen op 12 maart 2010 zijn ingediend, lag het op de weg van vergunninghouder daartegen op te komen. Vergunninghouder heeft dat niet gedaan, noch tussentijds, noch op het moment wanneer de vergunningen zijn verleend.

2.6 Vergunninghouder heeft ervoor gekozen twee afzonderlijke bouwaanvragen in te dienen voor het oprichten van twee gebouwen. De ene aanvraag ziet op een op te richten eengezinshuis op [adres 1] en de andere aanvraag ziet op een op te richten appartementengebouw op [adres 2].

2.7 Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een bouwvergunning. Artikel 56a, tweede lid, van de Woningwet in samenhang gelezen met artikel 44, eerste lid, van de Woningwet bepaalt - voor zover hier van belang - dat een bouwvergunning eerste fase slechts mag en moet worden geweigerd indien het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan of met redelijke eisen van welstand.

2.8 Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “Amerongen Kom”. Het perceel heeft in het bestemmingsplan de bestemming “wonen”, “bedrijven”, “tuin & onbebouwd erf” en “erf”.

Het deel van het perceel waarop de vergunning voor de woning op [adres 1] ziet, heeft de bestemming “wonen” en voor een klein deel de bestemming “bedrijven”. Het deel van het perceel waarop de vergunning voor het appartementengebouw op [adres 2] ziet, heeft de bestemming “bedrijven”.

Ingevolge artikel 1, onder 11, van de planvoorschriften wordt onder “bouwgrens” verstaan: een op plankaart 2 (Bestemmingen) aangegeven lijn, tevens bestemmingsgrens, die niet door gebouwen mag worden overschreden, met uitzondering van overschrijdingen die volgens deze voorschriften zijn of kunnen worden toegelaten;

Ingevolge artikel 1, onder 13, van de planvoorschriften wordt onder “bouwperceel” verstaan: een aaneengesloten stuk grond, waarop volgens het plan zelfstandige, bij elkaar horende bebouwing is toegelaten.

Ingevolge artikel 1, onder 19, van de planvoorschriften wordt onder “eengezinshuis” verstaan: een zelfstandig, al dan niet zijdelings aaneengebouwd, gebouw dat één woning omvat;

Ingevolge het onder 21 bepaalde wordt onder “hoofdgebouw” verstaan: een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen als het belangrijkste valt aan te merken.

Ingevolge artikel 1, onder 28, van de planvoorschriften wordt onder “woning” verstaan: een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de huisvesting van één huishouden.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de voor “wonen” aangewezen gronden uitsluitend bestemd voor:

(a) het wonen;

(b) de bescherming, instandhouding en verbetering van de ruimtelijke karakteristiek en de cultuurhistorische waarden van het beschermde dorpsgezicht, met de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouw zijnde en werken, geen bouwwerk zijnde.

Ingevolge het tweede lid mogen binnen de bouwvlakken uitsluitend eengezinshuizen worden gebouwd met uitzondering van de bouwvlakken met op de plankaart de nadere aanwijzing “gestapeld”, waar ook meergezinshuizen mogen worden gebouwd.

Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de met bestemming “bedrijven” aangewezen gronden, voor zover hier van belang, uitsluitend bestemd voor:

(a) bedrijven;

(…);

(e) kantoren en dienstverlenende instelling;

(f) wonen.

2.9 Volgens verzoekers is, gelet op vooral de gehanteerde bouwhoogten, sprake van het realiseren van twee hoofdgebouwen op he[adres 1]-[adres 2], terwijl daar slechts één hoofdgebouw per bouwperceel is toegestaan. Dat leiden verzoekers af uit de begripsbepaling in artikel 1 onder 21 van de planvoorschriften. Volgens verzoekers kunnen niet beide gebouwen worden vergund, omdat er geen sprake is van de vereiste ondergeschiktheid van het ene gebouw ten opzichte van het andere gebouw.

Anders dan verzoekers stellen, staat het de vergunninghouder naar het oordeel van de voorzieningenrechter vrij om voor elk van de twee gebouwen een afzonderlijke bouwvergunning aan te vragen. In dat verband acht de voorzieningenrechter van belang dat het vigerende bestemmingsplan grote bouwvolumes op het perceel binnen de twee aanwezige bouwvlakken toestaat. De twee bouwvlakken op het perceel hebben ieder een eigen bestemming. Binnen de ruime bouwvlakken is het toegestaan zelfstandige bebouwing op te richten. Uit het bestemmingsplan vloeit niet voort dat de bebouwing op het ene bouwvlak – als bijgebouw- ondergeschikt moet zijn aan de bebouwing op het andere bouwvlak.

2.10 Het voorgaande betekent dat voor het bepalen of sprake is van een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 56a, tweede lid, van de Woningwet, de beide aanvragen ieder afzonderlijk moeten worden beoordeeld.

2.11 Verzoekers stellen zich op het standpunt dat, onder verwijzing naar voorgaande procedures, het bouwplan voor [adres 1] opnieuw in strijd is met het bestemmingsplan. Het geheel wijst er ook thans op dat het gebouw niet zal worden gebruikt als eengezinshuis. Voorts wijzen zij erop dat het maximale bouwvlak wordt overschreden en dat verweerder er geen rekening mee heeft gehouden dat vergunninghouder inmiddels een van rechtswege vergund bijgebouw deels heeft gerealiseerd, welk bijgebouw niet bij de thans verleende vergunning in aanmerking is genomen. Verzoekers vermoeden dat vergunninghouder het betreffende bijgebouw van 48 m² bij de nieuw te bouwen woning zal betrekken, zodat daardoor een nog groter gebouw wordt gerealiseerd. Voorts wijzen verzoekers erop dat de dakkapellen niet zijn voorzien van dakhellingen tussen de 40 en 60 graden, zoals voorgeschreven in artikel 5, tweede lid, onder e van de planvoorschriften.

2.12 Zoals ook in de uitspraken in de voorgaande procedures (SBR 09/3070 en SBR 08/2159 en SBR 08/3380) is overwogen, dient volgens vaste jurisprudentie (bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 oktober 2008, LJN BF3907) bij de toetsing van een bouwplan aan een bestemmingsplan niet slechts te worden bezien of het bouwwerk overeenkomstig de bestemming van het perceel kan worden gebruikt, doch mede of het bouwwerk ook met het oog op zodanig gebruik wordt opgericht. Het concrete, beoogde gebruik van het bouwwerk vormt op voorhand een reden om een bouwvergunning te weigeren, indien op grond van de bouwkundige inrichting of anderszins redelijkerwijs valt aan te nemen dat dit gebruik uitsluitend of mede betrekking heeft op andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet. In dit verband is het in de eerste plaats aan de aanvrager om de noodzakelijke gegevens te verstrekken waaruit blijkt dat het beoogde gebruik in overeenstemming is met de bestemming.

2.13 Gelet op de overgelegde bouwtekeningen, welke weliswaar een aantal wijzigingen bevatten ten opzichte van de bouwtekeningen behorende bij de bouwaanvragen die in de eerdere procedures ter beoordeling voorlagen, acht de voorzieningenrechter het ook thans niet aannemelijk dat het gebouw op [adres 1] zal gaan worden gebruikt als eengezinshuis. De voorzieningenrechter neemt daarbij vooral in aanmerking het grote volume in combinatie met de situering op het perceel. Het eengezinshuis is vooraan op het perceel gelegen met daarachter op [adres 2] het appartementengebouw. De toegang tot dat laatste gebouw en de daarbij behorende parkeerplaatsen vindt plaats via een smalle toegangsweg, over het perceel behorende bij het gebouw op [adres 1]. Achter de woning ligt een aantal parkeerplaatsen, waardoor er naast en achter het woongebouw op [adres 1], vooral in verhouding tot de royale ruimten binnen in het gebouw, een geringe perceelsruimte, met zeer weinig privacy, overblijft. Daargelaten dat de goothoogte verlaagd is en er formeel sprake is van twee bouwlagen, bestaat het gebouw uit drie verdiepingen en kent het nog steeds een groot volume. Alles bij elkaar bezien is het dan ook niet aannemelijk te achten dat het gebouw op [adres 1] als eengezinshuis gebruikt gaat worden.

De voorzieningenrechter tekent daarbij voorts aan dat vergunninghouder ter zitting desgevraagd heeft meegedeeld nog geen belangstellenden te hebben die het gebouw als eengezinshuis willen kopen. Aldus heeft de vergunninghouder onvoldoende gegevens verstrekt waaruit blijkt dat het gebouw daadwerkelijk als eengezinshuis gebruikt zal worden.

2.14 De voorzieningenrechter stelt voorts vast dat de bouwtekening voor het op te richten gebouw op [adres 1] in de lengte een afmeting heeft van 19,47 en 29,47 meter. Op de plankaart behorend bij het bestemmingsplan is, zoals ter zitting nagemeten, voor de bestemming waarop [adres 1] is geprojecteerd, de lengte van het bouwblok maximaal 19 meter en 29 meter. Dat betekent dat het bouwplan een overschrijding laat zien en op dit punt in strijd is met het bepaalde in het bestemmingsplan.

Daarbij komt dat ter zitting is gebleken en door verweerder is erkend dat bij de beoordeling van het bouwplan en de toegestane totale bouwoppervlakte geen rekening is gehouden met de inmiddels bijna gerealiseerde berging, waarvan het vermoeden bestaat dat vergunninghouder deze bij het op te richten gebouw wil betrekken. Bij de heroverweging naar aanleiding van de ingediende bezwaren dient verweerder aan dit punt expliciet aandacht te besteden.

2.15 Anders dan verzoekers leidt de voorzieningenrechter niet uit de planvoorschriften af dat het voorschrift ten aanzien van de dakhelling van de hoofdgebouwen ook geldt voor de dakhelling van de dakkapellen. De voorzieningenrechter ziet op dat punt dan ook geen strijd met het bestemmingsplan.

2.16 Met betrekking tot het op te richten gebouw op [adres 2] betwisten verzoekers dat het op te richten gebouw binnen de bouwgrenzen blijft. Zij wijzen in dat verband op een foto die volgens hen zichtbaar maakt dat sprake is van een oversteek die ertoe leidt dat het maximale bouwvlak wordt overschreden.

De voorzieningenrechter constateert dat het bouwplan, gelet op de bouwtekening en de plankaart, geprojecteerd is binnen de bouwgrenzen van het bouwvlak, zijnde tien meter bij vijftien meter. Wat er ook zij van een door verzoekers geconstateerde oversteek, de bouwtekening van het aangevraagde bouwplan op [adres 2] laat naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen overschrijding zien van het volgens de plankaart gemeten bouwvlak. Indien blijkt dat het bouwvlak toch wordt overschreden, is dit een kwestie van handhaving, welke bij de vergunningverlening geen rol speelt.

2.17 Naast hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de geconstateerde strijdigheden met het bestemmingsplan van het op te richten gebouw op [adres 1], overweegt de voorzieningenrechter met betrekking tot de vraag of de bouwplannen in overeenstemming zijn met de redelijke eisen van welstand, het volgende.

Ter zitting is vastgesteld dat een definitief welstandsadvies ten aanzien van de beide bouwaanvragen ontbreekt. Na de principe-adviezen van 16 maart 2010 en 6 mei 2010, waarbij verweerder erop is gewezen dat het nog geen definitief welstandsadvies betreft, zouden de beide aanvragen door middel van een stempeladvies op 26 april 2010 (voor [adres 2]) en 10 mei 2010 (voor [adres 1]) zijn goedgekeurd, aldus een e-mail bericht van de secretaris van de welstandscommissie aan de gemachtigde van verweerder. Ter zitting heeft gemachtigde van verweerder bevestigd dat een schriftelijk gemotiveerd welstandsadvies eind augustus 2010 volgt.

De voorzieningenrechter constateert dat de welstandscommissie in een eerdere vergunningprocedure over een bouwplan op hetzelfde perceel, negatief heeft geadviseerd, onder andere in verband met de massale bouwvolumes. Om die reden is naar het oordeel van de voorzieningenrechter thans een degelijke onderbouwing van het welstandsadvies van groot belang. Dit geldt des te meer nu opnieuw sprake is van twee grote gebouwen met weinig tussenruimte en er uit de huidige besluiten niet af te leiden is dat - anders dan voorheen - gelet is op de samenhang van de beide gebouwen op één perceel. Verder is ter zitting door verweerder naar voren gebracht dat wanneer de vergunninghouder de reeds gerealiseerde berging wenst te betrekken bij [adres 1], dat nog dient te worden betrokken bij het welstandsadvies.

Nu een definitief en terdege onderbouwd welstandsadvies ontbreekt, kan niet gezegd worden dat er geen strijd is met de redelijke eisen van welstand, als bedoeld in artikel 56a, tweede lid, van de Woningwet in samenhang gelezen met artikel 44, eerste lid, onderdeel d, van deWoningwet.

2.18 Gezien het voorgaande, is de voorzieningenrechter van oordeel dat beide besluiten tot verlening van bouwvergunning onvoldoende zijn voorbereid en niet berusten op een voldoende deugdelijke motivering. Vooralsnog kan niet worden gezegd dat geen van de weigeringsgronden als bedoeld in 44, eerste lid, van de Woningwet, in samenhang gelezen met artikel 56a, tweede lid, van de Woningwet, zich voordoet. Gelet hierop bestaat aanleiding de verzoeken om een voorlopige voorziening toe te wijzen en de verleende bouwvergunningen te schorsen tot zes weken nadat de verweerder op de bezwaren van verzoekers heeft beslist.

2.19 Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die verzoekers in verband met de behandeling van hun verzoeken redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 874,- (1 punt voor het indienen van de gelijkluidende verzoekschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 437,-) als kosten van verleende rechtsbijstand. Verder zal verweerder de griffierechten moeten vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening toe;

3.2 schorst de twee bestreden besluiten van 11 mei 2010 tot zes weken na bekendmaking van de te nemen beslissingen op bezwaar;

3.3 bepaalt dat verweerder de door verzoekers betaalde griffierechten ten bedrage van totaal

€ 300,- aan hen vergoedt;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 874,-, te betalen aan verzoekers.

Aldus vastgesteld door mr. M.N. Noorman en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2010.

De griffier: De voorzieningenrechter:

mr. M.S.D. de Weerd mr. M.N. Noorman

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Ingevolge artikel 37, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wet op de Raad van State staat tegen deze uitspraak geen hoger beroep open.