Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN2695

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
14-07-2010
Datum publicatie
28-07-2010
Zaaknummer
16-440336-10 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schuldwitwassen: De rechtbank acht bewezen dat verdachte redelijkerwijs moest vermoeden dat het geld, dat zij op haar bankrekening heeft gekregen en heeft opgenomen een criminele herkomst had. Een werkstraf van 100 uren waarvan 50 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/440336-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 14 juli 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1979] te [geboorteplaats]

wonende te [adres] te Arnhem

raadsvrouw mr A. Kilic-Sahin, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 30 juni 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

De zaak is gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de zaken tegen medeverdachten [medeverdachte 1] onder parketnummer 16/711123-09 en [medeverdachte 2] onder parketnummer 16/440336-10.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Primair: zich heeft schuldig gemaakt aan witwassen van geld;

Subsidiair: zich schuldig heeft gemaakt aan de schuldvariant van witwassen van dat geld.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het subsidiair tenlastegelegde, de schuldvariant van witwassen van € 25.000,=. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft € 50.000,= overgemaakt op een tweetal rekeningen van verdachte. Aangezien een van de rekeningen geblokkeerd bleek, is € 25.000,= overgemaakt op de bankrekening van medeverdachte [medeverdachte 2]. Verdachte heeft het geld van

€ 25.000,= dat op de andere rekening was gestort, opgenomen. Dat verdachte, zoals zij heeft verklaard, recht had op dit geld, omdat medeverdachte [medeverdachte 1] schulden bij haar had, is onaannemelijk, te meer nu zij het geld van € 25.000,= aan [medeverdachte 1] heeft teruggegeven.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Er zijn volgens de raadsvrouw geen bewijsmiddelen voorhanden op grond waarvan is komen vast te staan dat verdachte wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat het geld een criminele herkomst had. Verdachte mocht ervan uitgaan dat het overgemaakte geld het geld was, dat zij nog van [medeverdachte 1] zou ontvangen van de verkoop van de bakkerij, die zij gezamenlijk hadden en als terugbetaling van schulden, die [medeverdachte 1] bij haar heeft.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Feiten en omstandigheden

[medeverdachte 1] had in augustus 2008 de zaak [naam] te[woonplaats] op naam van verdachte geopend. Naar aanleiding van een bestelling bij bakkerij [naam] te [woonplaats] kwam bij het bedrijf Meeting Plaza te Maarssen een factuur binnen van € 845,40. Het geld is

op 4 maart 2009 verzoek van [medeverdachte 1] op zijn privérekening met nummer 6414390 overgemaakt. Bij de overboeking is een typefout gemaakt en een bedrag van € 84.540,00 overgemaakt. Vervolgens is contact gezocht met [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] heeft gezegd dat hij zijn rekening zou controleren. Op 11 maart 2009 is een aangetekende brief verzonden ter bevestiging van de door [verdachte] toegezegde terugstorting. De accountmanager heeft op 12 maart 2009 contact gezocht met [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] heeft toen beloofd het geld direct terug te storten. Op 13 maart 2009 hoorde de directeur van het bedrijf van ABN Amro dat het geld van de rekening van de heer [verdachte] was afgeschreven, maar dat het bedrag niet op de bankrekening van Meeting Plaza was gestort.

Er is bij de ING-bank informatie opgevraagd omtrent de rekening [rekeningnummer] van [medeverdachte 1]. Op 10 maart 2009 is een spoedbetaling van € 25.000 naar rekening [rekeningnummer]8 bij de Rabobank op naam van [verdachte], wonende te [woonplaats], gegaan. Daarnaast is op 10 maart 2009 een spoedbetaling van € 25.000 naar de bankrekening [rekeningnummer]6 bij de SNS bank, eveneens op naam van [verdachte], wonende te [woonplaats], gegaan.

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij twee keer € 25.000,= heeft overgemaakt naar zijn ex-vrouw, verdachte, naar een rekening bij de SNS-bank en een rekening van de Rabobank. De rekening bij de Rabobank bleek geblokkeerd. Hij heeft met een medewerkster van de Rabobank gesproken en heeft haar gezegd dat zij € 25.000,= kon overmaken naar de rekening van zijn moeder, [medeverdachte 2]. Hij heeft zijn ex-vrouw, verdachte, en zijn moeder verteld dat hij het geld had gevonden en dat hij het zo snel mogelijk op zou halen. Hij heeft het geld van verdachte gekregen.

Verdachte heeft verklaard dat haar ex-man, [medeverdachte 1], twee keer 25.000 euro naar haar bankrekeningen had overgemaakt. Over de relatie met haar ex-man heeft zij verklaard dat de gokverslaving van haar man het grootste probleem tussen haar was. Hij had slechte gewoonten. Hij gokte en gaf het grootste gedeelte van zijn inkomen uit aan gokken. Hij kwam steeds bij haar om geld te vragen.

Bewijsoverweging

Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat geen bewijs voorhanden is dat verdachte wist dat het geld dat zij van haar ex-man [medeverdachte 1] heeft gekregen uit enig misdrijf afkomstig was. Verdachte zal dan ook van het primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Anders dan de raadsvrouw heeft bepleit, acht de rechtbank bewezen dat verdachte redelijkerwijs moest vermoeden dat het geld, dat zij op haar bankrekening heeft gekregen en heeft opgenomen, te weten € 25.000,=, een criminele herkomst had. Zij was op de hoogte van de gokverslaving en de daaruit voortvloeiende schulden van haar ex-man. Hoewel de rechtbank wel aannemelijk acht dat haar ex-man schulden bij verdachte had, kon en mocht van verdachte worden verwacht en geëist dat zij bij haar ex-man navraag deed naar de herkomst van het grote geldbedrag, te meer nu haar ex-man het geld meteen van haar terug wilde hebben. Dat verdachte heeft gemeend dat het overgemaakte geld van de verkoop van de bakkerij afkomstig was, acht de rechtbank zeer onwaarschijnlijk. Hiervoor kan gewezen worden op de koopovereenkomst van de bakkerij die verdachte heeft ondertekend. Hieruit blijkt dat het om een verkoopbedrag van € 20.000,= gaat.

Op grond van de hierboven redengevende feiten en omstandigheden en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht de rechtbank het aan verdachte subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hierna te melden.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat zij:

in de periode van 04 maart 2009 tot en met 10 november 2009, te [woonplaats], een voorwerp, te weten een bedrag aan geld groot ongeveer 25.000,-- euro,

heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl zij redelijkerwijs moest

vermoeden dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk -

afkomstig was uit enig misdrijf.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

Schuldwitwassen.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 100 uren, te vervangen door 50 dagen hechtenis, waarvan 50 uren voorwaardelijk, te vervangen door 25 dagen hechtenis.

6.2 Het standpunt van de verdediging

Nu de raadsvrouw vrijspraak heeft bepleit, dient volgens haar geen straf te worden opgelegd.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

De ex-man van verdachte kreeg in plaats van € 847,= ter betaling van een rekening door een bedrijf een bedrag van € 84.700,= op zijn bankrekening gestort. Hij heeft een gedeelte van dit geld naar de rekeningen van verdachte overgemaakt. Verdachte heeft een gedeelte van het geldbedrag, te weten € 25.000,=, opgenomen en op verzoek van haar ex-man teruggegeven. Zij heeft, terwijl dit van haar mocht worden verwacht, geen vraagtekens gesteld bij de herkomst van dit geld. Het bedrijf is door het handelen van verdachte benadeeld, hetgeen de rechtbank verdachte kwalijk neemt. Ten voordele van verdachte houdt de rechtbank rekening met het feit dat zij niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest. Een deels voorwaardelijke werkstraf, zoals door de officier van justitie is gevorderd, is passend en geboden.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het primair tenlastegelegde.

Bewezenverklaring

- verklaart het subsidiair tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Schuldwitwassen.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen vervangende hechtenis, waarvan 50 uren, subsidiair 25 dagen vervangende hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van deze werkstraf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.M.E. Bernini, voorzitter, mr. N.E.M. Kranenbroek en

mr. Y.A.T. Kruijer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.H.M. van Ek, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 14 juli 2010.