Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN2676

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
02-07-2010
Datum publicatie
28-07-2010
Zaaknummer
16-711618-09 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft valse bouwnota's opgemaakt ter verkrijgen van geldbedragen uit bouwdepots.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16-711618-09 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 2 juli 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1970] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres].

Raadsvrouw: mr. M.M. Helmers, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 9 juni 2010, 15 juni 2010 en 18 juni 2010, waarbij de officier van justitie, mr. A.S. Bijleveld, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: heeft deelgenomen aan een criminele organisatie met het oogmerk van oplichting van banken en/of hypotheekverstrekkers en/of personen;

Feit 2: in vereniging diverse banken en/of hypotheekverstrekkers heeft opgelicht;

Feit 3: in vereniging diverse malen valsheid in geschrift heeft gepleegd;

Feit 4: medeplegen van witwassen van een totaalbedrag van € 179.978,19.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde feiten.

Ten aanzien van feit 3 heeft de officier van justitie gesteld dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte betrokken is geweest bij het opmaken van valse stukken met betrekking tot het pand aan de [adres] te [plaats], zodat hij hiervan dient te worden vrijgesproken.

Met betrekking tot het onder 4 ten laste gelegde heeft de officier van justitie gesteld dat verdachte alle bedragen heeft witgewassen die op de bankrekening van [bedrijf 2] werden gestort naar aanleiding van vals opgemaakte [bedrijf 2]-facturen, ongeacht of deze door verdachte dan wel [medeverdachte 1] waren gefabriceerd. Volgens de officier van justitie wist verdachte dat het fout zat met de grote bedragen die telkens op de bankrekening van [bedrijf 2] werden gestort en die hij vervolgens steeds op verzoek van [medeverdachte 1] heeft doorgestort. Verdachte had immers al hypotheekfraude gepleegd met betrekking tot zijn eigen woning aan de [adres] te [woonplaats]. Bovendien werd de bankrekening van [bedrijf 2] nooit voor gewone klanten gebruikt maar enkel voor transacties waarin [medeverdachte 1] een rol speelde, aldus de officier van justitie.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat verdachte van de feiten 1 tot en met 4 dient te worden vrijgesproken.

Volgens de raadsvrouw dient verdachte van feit 1 te worden vrijgesproken omdat hij geen opzet heeft gehad om aan de vermeende criminele organisatie deel te nemen. Verdachte heeft niet geweten dat ten eerste sprake was van een organisatie en ten tweede dat deze organisatie tot oogmerk had het plegen van de ten laste gelegde misdrijven. [medeverdachte 1] heeft immers telkens afzonderlijk contact opgenomen met diverse personen voor het opmaken van valse stukken teneinde hypothecaire leningen en gelden uit bouwdepots te verkrijgen. Verdachte heeft telkens uitsluitend op verzoek van [medeverdachte 1] gehandeld.

Bovendien heeft verdachte geen valse bouwnota’s van [bedrijf 2] voor het pand [adres] te [plaats] opgesteld, aldus de verdediging.

Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw betoogd dat verdachte niet betrokken is geweest bij de verkrijging van de hypotheken ten aanzien van de panden [adres] te [plaats] en [adres] te [plaats].

Verdachte heeft in de veronderstelling verkeerd dat hij met zijn bedrijf [bedrijf 2] daadwerkelijk verbouwingswerkzaamheden zou verrichten in de panden [adres] en [adres], aldus de raadsvrouw. Zodra verdachte duidelijk werd dat dit niet het geval zou zijn heeft hij credit nota’s opgemaakt.

Bovendien heeft verdachte de bedragen die verdachte op grond van de facturen van [bedrijf 2] uit bouwdepots heeft ontvangen in opdracht van [medeverdachte 1] doorgestort naar [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. Volgens de raadsvrouw kan verdachte op grond hiervan niet als medepleger worden aangemerkt.

Ten aanzien van feit 2 voor zover dit ziet op het pand aan de [adres] te [plaats] heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte niet betrokken is geweest bij de verkrijging van de hypothecaire lening. Daarnaast heeft verdachte geen valse bouwfacturen opgesteld zodat hij ook dient te worden vrijgesproken van het onttrekken van geldbedragen uit het bouwdepot.

Met betrekking tot feit 3 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte de zes facturen van [bedrijf 2] volledig te goeder trouw heeft opgesteld. Hij heeft namelijk in de veronderstelling verkeerd dat hij de verbouwingswerkzaamheden aan het pand [adres] zou verrichten. Zijn opzet was aldus niet gericht op het valselijk opmaken van bouwnota’s.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde feit heeft de raadsvrouw betoogd dat het bedrag van € 5.296,- naar € 5.000,- dient te worden bijgesteld, bestaande uit twee maal

€ 2.500,- die terug te vinden is op creditnota’s. Daarnaast dient volgens de raadsvrouw het bedrag van € 174.682,19 te worden bijgesteld naar € 132.853,69 omdat in het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel ten onrechte wordt uitgegaan van een te hoog bouwdepot. Het bedrag van € 132.853,69 is aan verdachte uitgekeerd en door hem aangewend voor de verbouwingen aan zijn huis. Hij heeft niet kunnen vermoeden dat de geldbedragen die uit zijn eigen bouwdepot kwamen uit misdrijf afkomstig waren, aldus de verdediging.

4.2.1 De bewijsmiddelen

Feit 2: oplichting

Feit 3: valsheid in geschrift

Zaaksdossier 3 ([adres] te [plaats])

Zaaksdossier 4 ([adres] te [plaats])

In het dossier bevinden zich de volgende documenten:

- een nota van [bedrijf 2], rekeningnummer [rekeningnummer], voor een bedrag van € 22.610,- met betalingskenmerk [betalingskenmerk] ;

- een nota van [bedrijf 2], rekeningnummer [rekeningnummer], voor een bedrag van € 42.840,- met betalingskenmerk [betalingskenmerk] ;

- een nota van [bedrijf 2], rekeningnummer [rekeningnummer], voor een bedrag van € 56.822,50 met betalingskenmerk [betalingskenmerk] ;

- een nota van [bedrijf 2], rekeningnummer [rekeningnummer], voor een bedrag van € 13.685,- met betalingskenmerk [betalingskenmerk] ;

- een nota van [bedrijf 2], rekeningnummer [rekeningnummer], voor een bedrag van € 43.435,- met betalingskenmerk [betalingskenmerk] ;

- een nota van [bedrijf 2], rekeningnummer [rekeningnummer], voor een bedrag van € 26.775,- met betalingskenmerk [betalingskenmerk] .

[A] heeft namens ABN-Amro aangifte gedaan met betrekking tot de hypotheekverstrekking ten behoeve van het pand aan de [adres] te [plaats]. Op 11 september 2008 is door [B], werkzaam bij [bedrijf] bij het label Florius een aanvraag voor een hypothecaire lening ingediend voor een bedrag van € 450.000,-. De hypothecaire lening is verstrekt aan [medeverdachte 2] en [C]. De hypotheekakte voor de hypothecaire geldlening voor het pand [adres] te [plaats] is gepasseerd op 22 oktober 2008 ten overstaan van notaris mr. T.J. van der Veer. In het hypotheekbedrag ten behoeve van de aankoop van het pand aan de [adres] te [plaats], groot € 450.000,-, is een bedrag van € 120.000,- gereserveerd voor een verbouwing. Op grond van ontvangen bouwnota’s is door de ABN-Amro bank via Florius een bedrag van in totaal € 97.861,76 uitbetaald aan [bedrijf 2] te [plaats] .

Op 29 oktober 2008 is de hypotheek van de [adres] te [plaats] bij notariskantoor Ottens gepasseerd .

Door Aegon is een hypothecaire lening verstrekt ten bedrage van € 410.000,- met daarin opgenomen een bouwdepot voor het bedrag van € 80.000,-. [bedrijf 2] is het bouwbedrijf dat de nota’s voor de verbouwing heeft opgemaakt .

[bedrijf 2] is het bedrijf van [verdachte] . [verdachte] heeft ter terechtzitting van 9 juni 2010 bevestigd dat hij geen verbouwingswerkzaamheden verband houdende met de drie nota’s met de factuurbedragen € 22.610,-, € 42.840,- en € 56.822,50 heeft verricht in het pand aan de [adres] te [plaats]. [medeverdachte 2] heeft tegenover de politie verklaard dat er geen verbouwingswerkzaamheden hebben plaatsgevonden in het pand aan de [adres] te [plaats] . [verdachte] heeft ten aanzien van het pand aan de [adres] te [plaats] bouwnota’s gemaakt terwijl hij het pand zelf niet heeft gezien. Verdachte erkent dat hij de drie facturen met betrekking tot het adres [adres] te [plaats] naar [medeverdachte 2] en [C] heeft verzonden.

De rechtbank hecht geen geloof aan de stelling van [verdachte] dat het eigenlijk offertes betrof voor nog te verrichten werkzaamheden. [medeverdachte 1] heeft als getuige ter terechtzitting van 15 juni 2010 verklaard dat de werkzaamheden die staan vermeld op de nota’s van [bedrijf 2] gericht aan [medeverdachte 2] en [C] met de bedragen € 22.610,-, € 41.039,26 en € 56.822,50 niet zijn verricht. [medeverdachte 1] heeft deze nota’s ingediend bij de ABN-Amro bank en heeft [medeverdachte 2] en [C] hiervoor laten tekenen zodat de rekeningen aan [bedrijf 2] konden worden betaald. [medeverdachte 1] heeft [verdachte] gevraagd of hij bereid was om bouwnota’s op te maken en hoeveel hij hiermee wilde verdienen. [verdachte] wilde hier

€ 5.000,- voor hebben. [medeverdachte 1] ging hiermee akkoord en zo is het geregeld, aldus [medeverdachte 1] ter zitting. In de facturen ten aanzien van [adres] en [adres] wordt naar het oordeel van de rechtbank onmiskenbaar voorgewend dat bedragen in rekening worden gebracht voor reeds verrichte werkzaamheden.

Feit 4: witwassen

ABN/Amro en/of Florius heeft op 13 november 2008 een bedrag van € 22.610- gestort op de bankrekening van [bedrijf 2] en op 17 november 2008 een bedrag van € 97.861,75. Deze bedragen zijn betalingen uit het bouwdepot ten behoeve van de [adres] te [plaats]. Door Aegon werd op de rekening van [bedrijf 2] op 11 november 2008 een bedrag van € 70.210,- gestort en op 14 november 2008 een bedrag van € 9.790 . Deze stortingen zijn betalingen uit het bouwdepot ten behoeve van het pand [adres] te [plaats]. In totaal is € 200.471,75 op de rekening van [bedrijf 2], het bedrijf van verdachte, gestort. Verdachte wist dat hij ten behoeve van deze panden valse facturen had opgemaakt en derhalve ook dat deze geldbedragen door misdrijf waren verkregen. Hij heeft met betrekking tot de zaaksdossiers 3 en 4 dan ook ten minste het ten laste gelegde bedrag van € 5.296,00 voorhanden gehad en overgedragen terwijl hij wist dat het door misdrijf was verkregen.

Met betrekking tot zijn eigen woning [adres] te [woonplaats] heeft verdachte door oplichting op 8 oktober 2007 een bedrag van € 59.689,02 ontvangen, op 1 november 2007 een bedrag van € 68.450,- gestort gekregen en op 3 januari 2008 een bedrag van € 64.403,69. Dat deze bedragen niet alle betrekking hebben op het uitgekeerde bouwdepot, neemt niet weg dat deze bedragen door oplichting zijn verkregen. Immers terwijl verdachte wist dat hij niet voor [bedrijf 3] werkzaam was, heeft hij voor het verkrijgen van deze hypotheken inclusief bouwdepots, voorgewend dat hij werkzaam was bij [bedrijf 3] .

Uit het voorgaande vloeit voort dat verdachte met betrekking tot het pand [adres] te [woonplaats] ten minste het in de tenlastelegging vermelde bedrag van € 174.682,19 voorhanden heeft gehad.

4.2.2 Partiële vrijspraken

Feit 2: oplichting

Ten aanzien van het pand aan de [adres] te [plaats] is de rechtbank van oordeel dat verdachte niet betrokken is geweest bij het opmaken van valse stukken op grond waarvan een hypotheek en geldbedragen uit een bouwdepot zijn verkregen zodat hij hiervan zal worden vrijgesproken. Het dossier biedt diverse aanknopingspunten voor de juistheid van de stelling van verdachte dat hij deze nota’s niet heeft opgemaakt. De lay-out en inhoud van de betreffende bouwnota’s verschillen op diverse aspecten van bouwnota’s van [bedrijf 2]. Tevens zal hij daarom van de ten laste gelegde oplichtingsmiddelen G, H en I worden vrijgesproken.

Voorts acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte betrokken is geweest bij het aangaan van hypothecaire leningen met betrekking tot de panden [adres] te [plaats] en [adres] te [plaats]. Verdachte was alleen betrokken bij het verkrijgen van uitkeringen uit het bouwdepot. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken voor zover de tenlastelegging betrekking heeft op het verkrijgen van de hypothecaire leningen .

4.2.3 Vrijspraak

Feit 1: criminele organisatie

De rechtbank zal verdachte van feit 1 vrijspreken nu de rechtbank van oordeel is dat de strafbare handelingen die verdachte heeft verricht van te incidentele aard zijn om van deelneming aan een criminele organisatie te kunnen spreken. Verdachte is niet betrokken geweest bij de verkrijging van hypothecaire leningen betreffende de panden aan de [adres] te [plaats] en [adres] te [plaats]. Verdachte heeft enkel bouwfacturen opgemaakt ten behoeve van de panden [adres] en [adres].

4.3 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

2.

op tijdstippen in de periode van 1 november 2006 tot en met 2 juni 2009 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich en / of (een) ander (en) wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen en / of door een samenweefsel van verdichtsels,

(zaak 3) in de periode van 11 september 2008 tot en met 2 juni 2009 Florius en/of ABN-Amro heeft / hebben bewogen tot het afgeven van een goed, te weten het betalen van geldbedragen uit het bouwdepot van de hypothecaire lening, door middel van de oplichtingsmiddelen A, B en C als hieronder nader omschreven

en

(zaak 4) in de periode van 18 september 2008 tot en met 14 mei 2009 Aegon heeft bewogen tot het afgeven van een goed, te weten het betalen van geldbedragen uit het bouwdepot van de hypothecaire lening door middel van oplichtingsmiddelen D, E en F als hieronder nader omschreven

hebbende verdachte en / of zijn mededader(s) toen aldaar telkens met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en listiglijk en in strijd met de waarheid onder andere aan Florius en/of ABN-Amro en Aegon valse documenten overlegd, te weten

A) een nota van [bedrijf 2], rekeningnummer [rekeningnummer], voor een bedrag van € 22.610,00 met betalingskenmerk [betalingskenmerk] en

B) een nota van [bedrijf 2], rekeningnummer [rekeningnummer] met betalingskenmerk [betalingskenmerk] en

C) een nota van [bedrijf 2], rekeningnummer [rekeningnummer], voor een bedrag van € 56.822,50 met betalingskenmerk [betalingskenmerk] en

D) een nota van [bedrijf 2], rekeningnummer [rekeningnummer], voor een bedrag van € 13.685,00 met betalingskenmerk [betalingskenmerk] en

E) een nota van [bedrijf 2], rekeningnummer [rekeningnummer], voor een bedrag van € 43.435,00 met betalingskenmerk [betalingskenmerk] en

F) een nota van [bedrijf 2], rekeningnummer [rekeningnummer], voor een bedrag van € 26.775,00 met betalingskenmerk [betalingskenmerk] en

waardoor de ABN-Amro en/of Florius en Aegon telkens werden bewogen tot het afgeven van geldbedragen;

3.

op tijdstippen in de periode van 1 november 2006 tot en met 2 juni 2009 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen telkens hierna genoemde geschriften, elk zijnde een geschrift bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) telkens valselijk opgemaakt en/of ondertekend, onder andere,

- een nota van [bedrijf 2], rekeningnummer [rekeningnummer], voor een bedrag van € 22.610,00 met betalingskenmerk [betalingskenmerk], terwijl de werkzaamheden verbandhoudende met de nota niet waren verricht en

- een nota van [bedrijf 2], rekeningnummer [rekeningnummer], met betalingskenmerk [betalingskenmerk], terwijl de werkzaamheden verbandhoudende met de nota niet waren verricht en

- een nota van [bedrijf 2], rekeningnummer [rekeningnummer], voor een bedrag van € 56.822,50 met betalingskenmerk [betalingskenmerk], terwijl de werkzaamheden verbandhoudende met de nota niet waren verricht en

- een nota van [bedrijf 2], rekeningnummer [rekeningnummer], voor een bedrag van € 13.685,00 met betalingskenmerk [betalingskenmerk], terwijl de werkzaamheden verbandhoudende met de nota niet waren verricht en

- een nota van [bedrijf 2], rekeningnummer [rekeningnummer], voor een bedrag van € 43.435,00 met betalingskenmerk [betalingskenmerk], terwijl de werkzaamheden verbandhoudende met de nota niet waren verricht en

- een nota van [bedrijf 2], rekeningnummer [rekeningnummer], voor een bedrag van € 26.775,00 met betalingskenmerk [betalingskenmerk], terwijl de werkzaamheden verbandhoudende met de nota niet waren verricht,

zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

4.

in de periode van 1 januari 2006 tot en met 29 september 2009, in Nederland tezamen en in vereniging met anderen navolgende geldbedragen, te weten:

- 5.296,00 euro en/of

- 174.682,19 euro

voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddelijk of middelijk- afkomstig waren uit enig misdrijf.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 2: Medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd;

Feit 3: Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

Feit 4: Medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren en een werkstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis. Voorts heeft de officier van justitie toewijzing van de vordering van de benadeelde partij gevorderd tot een bedrag van € 230.000,- met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld. Bij de straftoemeting dient volgens de verdediging rekening te worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden zoals die staan omschreven in het reclasseringsadvies van 31 mei 2010, opgemaakt door reclasseringswerker D. Laansma. De op te leggen straffen dienen te worden beperkt tot ten hoogte 2 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf en 180 uren werkstraf subsidiair 90 dagen hechtenis, aldus de raadsvrouw.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft valse bouwnota’s opgemaakt ter verkrijgen van geldbedragen uit bouwdepots. Door aldus te handelen heeft verdachte misbruik gemaakt van het vertrouwen dat hypotheekverstrekkers in dergelijke stukken mogen stellen en deze instellingen telkens voor een aantal grote bedragen benadeeld.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een totaalbedrag van € 179.978,19. Het witwassen van gelden heeft een ontwrichtende werking op het economische verkeer.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in aanmerking genomen dat verdachte zich niet gedurende de gehele ten laste gelegde periode van 1 november 2006 tot en met 29 september 2009 heeft schuldig gemaakt aan voormelde gedragingen, doch van oktober 2007 tot ten met 2 juni 2009.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 23 februari 2010, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld;

- een reclasseringsadvies betreffende de verdachte van de Reclassering Nederland van 31 mei 2010, opgemaakt door D. Laansma, reclasseringswerker, onder meer inhoudende dat er geen contra-indicaties zijn voor het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf, elektronische detentie en een taakstraf. Het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal betekenen dat verdachte geen inkomsten meer zal hebben waarmee behalve verdachte ook zijn gezin wordt getroffen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat met oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren en een werkstraf van 150 uren subsidiair 75 dagen hechtenis kan worden volstaan. De rechtbank overweegt hierbij dat de rechtbank, anders dan de officier van justitie, niet tot een bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde zal komen. Ook is niet bewezen dat verdachte betrokken is geweest bij de oplichting van de [adres] te [plaats].

7 De benadeelde partij Aegon Levensverzekering N.V.

Beweerdelijk namens de benadeelde partij heeft [D], werkzaam als fraudecoördinator bij Aegon Levensverzekering N.V., overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering. De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten.

Naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting is niet komen vast te staan dat [D], voornoemd, bijzonder gevolmachtigd is om voormelde vordering in te dienen, zodat de rechtbank de vordering niet-ontvankelijk zal verklaren met bepaling dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57, 225, 326 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van:

- het onder 1 tenlastegelegde feit;

- de onder 2 ten laste gelegde zinsneden:

o “(zaak 8) in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 januari 2008 ABN-Amro heeft / hebben bewogen tot (i) het aangaan van een schuld, te weten een hypothecaire lening (inclusief bouwdepot) met [medeverdachte 3] betreffende het pand aan de [adres] te [plaats][woonplaats] met [medeverdachte 3], en/of (ii) het afgeven van een goed, te weten het betalen van geldbedragen uit het bouwdepot van de hypothecaire geldlening door middel van de oplichtingsmiddelen G tot en met I als hieronder nader omschreven”;

o “G) een nota van [bedrijf 2] (rekeningnummer [rekeningnummer]) voor een bedrag van 25.198,25 euro met factuurnummer [factuurnummer]”;

o “H) een nota van [bedrijf 2] (rekeningnummer [rekeningnummer]) voor een bedrag van 38.675,00 euro met factuurnummer [factuurnummer]”;

o “I) een nota van [bedrijf 2] (rekeningnummer [rekeningnummer]) voor een bedrag van 22.312,50 euro met factuurnummer [factuurnummer];

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.3 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 2: Medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd;

Feit 3: Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

Feit 4: Medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 150 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 75 dagen;

Benadeelde partij

- bepaalt dat de benadeelde partij Aegon Levensverzekering N.V. niet-ontvankelijk is in de vordering en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- verwijst de benadeelde partij in de tot op heden door verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakte kosten, vastgesteld op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Perrick, voorzitter, mr. S. Wijna en mr. R.P. den Otter, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M.T. Bouwman-Everhardus, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 2 juli 2010.