Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN2429

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
19-07-2010
Datum publicatie
26-07-2010
Zaaknummer
16-604047-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 6 Wvw 1994. Bestuurder (politie)motorrijtuig verleent geen voorrang aan een voor hem van rechtskomende fietser.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Wegenverkeerswet 1994 175
Wegenverkeerswet 1994 179
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2010/101
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/604047-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 19 juli 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1968] te [geboorteplaats]

wonende aan de [adres] te [woonplaats]

raadsvrouwe mr. C.B. Bos, advocaat te Zwolle

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 5 juli 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair: met een motorrijtuig een ongeval heeft veroorzaakt, waarbij een persoon lichamelijk letsel heeft opgelopen;

subsidiair: met een motorrijtuig gevaar en/of hinder heeft veroorzaakt op de weg.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gedragen in het verkeer en dat daardoor een verkeersongeval heeft plaatsgevonden.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het onder 1 en 2 (de rechtbank begrijpt het primair en subsidiair) tenlastegelegde. Naar het oordeel van de raadsvrouwe heeft verdachte de verkeersveiligheid zoveel mogelijk gewaarborgd.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 Vaststaande feiten en omstandigheden

Op 21 januari 2010 heeft op de kruising van het Weerwolfspad met de Lobbendijk te Houten een ongeval plaatsgevonden. Beide wegen waren aangeduid als verplicht fiets/bromfietspad, daar er bij de aansluitingen op de overige wegen borden overeenkomstig model G12a, van Bijlage I van het Reglement Verkeersregels en verkeerstekens 1990 (verder RVV) waren geplaatst.

Het door verdachte bestuurde motorrijtuig was een politie-motorfiets. Het slachtoffer, [naam], reed op haar fiets. Verdachte voerde vlak voor het ontstaan van het ongeval geen optische en/of geluidssignalen. Hij nam samen met een aantal collega’s deel aan een bromfietscontrole en in dat kader reed hij aan achter een bromfietser, die voldeed aan de criteria om gecontroleerd te worden.

De ter plaatse toegestane maximumsnelheid voor bromfietsen bedroeg 30 kilometer per uur.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard met een snelheid van ongeveer 30 à 40 kilometer per uur te hebben gereden.

Verdachte heeft geen voorrang verleend aan de voor hem van rechts komende fietsster.

Het voorwiel van de motorfiets van verdachte is in botsing gekomen met het voorwiel van de fiets van het slachtoffer.

Het slachtoffer is na het ongeval overgebracht naar het Universitair Medisch Centrum te Utrecht. Hier is zij opgenomen met een hoofdwond en een hersenschudding. Uit navraag bij het slachtoffer is gebleken dat zij zeven weken na het ongeval nog snel vermoeid was en nog concentratie- en geheugenproblemen ondervond.

4.3.2 Bewijsoverwegingen

De raadsvrouwe van verdachte heeft vrijspraak bepleit van het primair tenlastegelegde, nu in haar visie verdachte in de uitoefening van zijn functie als politieagent vrijgesteld is van de verplichting tot nakoming van de regels van het RVV en dus met zijn motorfiets mocht rijden op het verplichte fiets/bromfietspad. Hij heeft daarbij de verkeersveiligheid zoveel mogelijk gewaarborgd.

De rechtbank deelt dit oordeel van de raadsvrouwe niet.

Verdachte reed met zijn motorfiets op een veel gebruikt fiets/bromfietspad en had beducht moeten zijn op de aanwezigheid van fietsers op dit fiets/bromfietspad, temeer nu een drie meter hoge haag het uitzicht naar rechts enigszins belemmerde. Het slachtoffer kwam voor verdachte van rechts en had dus voorrang op hem. Verdachte heeft verklaard dat hij het slachtoffer op de fiets wel heeft gezien, maar dat hij zich niet meteen realiseerde dat zij fietste. Verdachte valt te verwijten, dat hij niet goed opgelet heeft. Hij had zich er tijdig van dienen te vergewissen of het slachtoffer fietste of dat zij stilstond en hij had zijn eigen verkeersgedrag hierop aan moeten passen door snelheid te minderen. Hierdoor kon hij een aanrijding met het slachtoffer niet meer voorkomen.

Door aldus te handelen heeft verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gedragen, zodat er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 21 januari 2010 te Houten, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (motorfiets), daarmede rijdende over de weg, het Weerwolfspad,

zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval

heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend,

met de door hem bestuurde (politie-)motorfiets - terwijl hij geen gebruik

maakte van optische en geluidssignalen - te rijden over genoemd Weerwolfspad

terwijl deze weg/dit pad door middel van bord G 12a van Bijlage 1 van het RVV

1990 (duidelijk zichtbaar) is aangeduid als verplicht fiets/bromfietspad en

vervolgens

gekomen bij de kruising met de (eveneens als verplicht fiets/bromfietspad

aangemerkte) Lobbendijk geen voorrang te verlenen aan een voor hem,

verdachte, van rechts komende fietsster,

terwijl hij, verdachte, heeft gereden met een hogere snelheid dan ter plaatse (gezien de

zichtsbeperking vanwege de hoge beplanting) verantwoord was, en

vervolgens

zijn motorfiets niet tot stilstand heeft kunnen brengen binnen de afstand

waarover de weg te overzien en vrij was,

waarna een aanrijding/botsing tussen de door hem, verdachte, bestuurde

motorfiets en die fietsster is ontstaan,

waardoor eerdergenoemde fietsster, genaamd [naam],

zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of

verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Door de raadsvrouwe is subsidiair, voor het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, aangevoerd dat verdachte niet strafbaar is, omdat hij zich heeft gehouden aan alle eisen, gesteld in verband met de voor de politie geldende vrijstelling van het Reglement Verkeersregels en verkeerstekens 1990.

Naar het oordeel van de rechtbank, zoals ook volgt uit de bewezenverklaring, heeft verdachte zonder dat de uitoefening van zijn taak als politieagent dat zou kunnen verontschuldigen, gezien de situatie ter plaatse te hard gereden, geen voorrang verleend aan van rechts komend verkeer en daardoor een aanrijding met letsel veroorzaakt en daarmee de verkeersveiligheid niet zoveel mogelijk gewaarborgd, waardoor verdachte strafbaar is.

Ook overigens is niet gebleken van een omstandigheid die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen en geldboete van € 500,- subsidiair 10 dagen hechtenis en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouwe heeft bepleit dat een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor verdachte een te zware straf is, aangezien hij, voor de uitoefening van zijn werkzaamheden, dagelijks deelneemt aan het verkeer.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Op 21 januari 2010 heeft verdachte een verkeersongeval veroorzaakt. Verdachte heeft een voor hem van rechts komende fietsster opgemerkt, maar hij heeft hierop niet tijdig gereageerd. Door deze aanrijding heeft het slachtoffer lichamelijk letsel opgelopen, dat haar langdurig heeft gehinderd.

Het LOVS-uitgangspunt voor een dergelijk feit is een boete van € 1.000,- en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van 3 maanden.

De rechtbank heeft in het voordeel van de verdachte rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel uit het Justitiële Documentatieregister d.d. 18 mei 2010, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

De rechtbank betrekt in haar overwegingen voorts dat verdachte blijk heeft gegeven hevig geraakt te zijn door het feit en dat hij het slachtoffer na het ongeval zijn spijt en medeleven heeft betoond.

De rechtbank is van oordeel dat de aard en ernst van het feit niet alleen een onvoorwaardelijke geldboete maar ook een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, zoals door de officier van justitie gevorderd, rechtvaardigt.

De ontzegging behoeft, gelet op het voorwaardelijk karakter, geen gevolgen te hebben voor de beroepsuitoefening van verdachte.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 500,=;

- beveelt dat bij niet betaling van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 10 dagen;

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke rijontzegging niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Veldhuijzen, voorzitter, mrs. M.J. Grapperhaus en J.D.E. Brouwer-Poederbach, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.C.J. van der Heijden, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 19 juli 2010.