Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN2204

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
23-07-2010
Datum publicatie
23-07-2010
Zaaknummer
SBR 10-2281 en SBR 10-2282
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Het verzoek om de duur van het meerdaagse evenement De Parade te bekorten tot tien speeldagen, althans tot een termijn die aanzienlijk korter is dan de huidige zeventien speeldagen, is afgewezen. Er is geen grond het aan de vergunningverlening voorafgaande onderzoek onzorgvuldig te achten. Verweerder heeft op kenbare wijze de betrokken belangen afgewogen en die afweging is niet dermate onevenwichtig dat moet worden geoordeeld dat verweerder niet in redelijkheid tot de vergunningverlening heeft kunnen komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummers: SBR 10/2281 en SBR 10/2282

uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening van

Vereniging van Eigenaars Woningen [verzoeksters sub 1] te [woonplaats],

gemachtigde: mr. N.A. de Kock, advocaat te Utrecht,

en

[verzoekster sub 2], te [woonplaats],

verzoeksters

over een besluit van

de burgemeester van Utrecht, verweerder,

gemachtigden: mr. N. Oosterwegel en S. Kluitmans, beiden werkzaam bij de gemeente Utrecht.

Inleiding

1.1 Bij besluit van 2 juni 2010 heeft verweerder op grond van artikel 5:31 van de Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010 (hierna: de APV) aan Stichting Mobile Arts (hierna: de vergunninghouder) een evenementenvergunning verleend voor de periode 16 juli 2010 tot en met 1 augustus 2010 voor het meerdaagse evenement De Parade met (beperkt) versterkt geluid op de locaties Moreelsepark, Park Nieuweroord en één rijbaan van de Catharijnebaan te Utrecht. Daarbij is bepaald dat de opbouw mag plaatsvinden vanaf 12 juli 2010 9.00 uur en dat op 5 augustus vanaf 22.00 alles afgebouwd moet zijn.

1.2 Verzoeksters hebben tegen het besluit van 2 juni 2010 bezwaar gemaakt op 9 juli 2010. Bij verzoekschriften van 15 juli 2010 hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat de duur van De Parade wordt bekort tot tien dagen, althans tot een termijn die aanzienlijk korter is dan de huidige zeventien dagen (exclusief op- en afbouwdagen).

1.3 Het verzoek is behandeld ter zitting van 20 juli 2010, waar verzoekster [verzoekster sub 2] is verschenen. Namens de Vereniging van Eigenaars [verzoeksters sub 1] is verschenen bestuurder [A], bijgestaan door gemachtigde, voornoemd. Namens verweerder zijn verschenen gemachtigden, voornoemd. Namens de vergunninghouder zijn verschenen [B], [C], [D] en [E].

Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.

2.3 Artikel 1:8 van de APV bepaalt dat een vergunning of ontheffing door het bevoegde gezag kan worden geweigerd in het belang van:

a. de openbare orde;

b. het voorkomen of beperken van overlast;

c. de verkeersveiligheid;

d. de veiligheid van personen en goederen;

e. de zedelijkheid of de gezondheid of

f. de bescherming van het milieu.

Ingevolge artikel 5:30 van de APV wordt onder een evenement verstaan: het geheel van activiteiten dat plaatsvindt bij een voor het publiek toegankelijke bijzondere gebeurtenis, al dan niet met een openbaar dan wel besloten karakter, op of aan de openbare plaats of het openbaar water.

Artikel 5:31 van de APV bepaalt dat het verboden is zonder vergunning van de burgemeester een buitenevenement te houden.

Ingevolge artikel 5:37 eerste lid, van de APV wordt de vergunning geweigerd indien niet voldaan is aan het bepaalde in artikelen 5:34 of 5:35. In die bepalingen zijn de vereisten opgenomen waar de vergunningaanvraag respectievelijk de organisator aan moet voldoen.

Het tweede lid van artikel 5:37 bepaalt dat onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 van de APV de vergunning geweigerd kan worden, indien:

a. onevenredig veel beslag wordt gelegd op de ruimte of op de gemeentelijke - of hulpdiensten:

b. de organisator onvoldoende waarborgen biedt voor een goed verloop van het evenement;

c. de aard van het evenement zich niet verdraagt met het karakter of de bestemming van de gevraagde locatie of

d. in de door de burgemeester vastgestelde Evenementenkalender als bedoeld in artikel 5:26 reeds een reservering is opgenomen voor een ander evenement op de gevraagde tijd, locatie of in de nabijheid daarvan.

2.4 Vooropgesteld wordt dat verweerder bij zijn besluitvorming inzake het verlenen van een evenementenvergunning zich dient te richten naar de belangen, genoemd in artikel 1:8 van de APV. Daarbij dient verweerder te voldoen aan de eisen die aan behoorlijke besluitvorming worden gesteld, zoals onder meer bepaald in artikel 3:2 van de Awb, waarin is gesteld dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen, en artikel 3:4, eerste lid, van de Awb waarin is bepaald dat het bestuursorgaan de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen afweegt. Daarbij is van belang dat ingevolge het bepaalde in art. 3:4, tweede lid, van de Awb de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.

De door verzoeksters geuite klachten betreffen voornamelijk de (uitkomst van de) door verweerder verrichte belangenafweging. Het is niet aan de bestuursrechter de betrokken belangen zelf af te wegen of zijn oordeel in de plaats te stellen van het oordeel van verweerder. De rechter dient zich bij de beoordeling van de belangenafweging in een geval als het onderhavige terughoudend op te stellen en slechts te toetsen of het besluit strijdig is met wettelijke voorschriften, dan wel sprake is van een zodanige onevenwichtigheid in de afweging van de betrokken belangen, dat verweerder niet in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen.

2.5 Verweerder heeft na inventarisatie van de relevante feiten en omstandigheden, na kennisname van de naar voren gebrachte zienswijzen en na een bijeenkomst met omwonenden, geconcludeerd dat alles afwegend het belang van de vergunningaanvrager en het belang van de stad Utrecht en zijn inwoners bij het kunnen doorgaan van De Parade, dient te prevaleren boven het belang van de omwonenden om gevrijwaard te blijven van (geluids)overlast. Daarbij is meegewogen dat er een groot aantal maatregelen is genomen om overlast zoveel mogelijk te voorkomen. Verweerder realiseert zich dat ook met deze maatregelen een evenement als De Parade vanwege aard, omvang, locatie en duur, overlast meebrengt. Verweerder is van oordeel dat de overlast acceptabel is, mede door de aan de vergunning verbonden voorschriften. Zo zijn de tijden van het evenement op de vrijdagen en zaterdagen van 15.00 uur tot 01.00 uur en op de andere dagen van 15.00 uur tot 24.00 uur. Verder is bepaald tussen welke tijden sprake mag zijn van versterkt geluid.

2.6 Verzoeksters stellen zich - kort weergegeven - op het standpunt dat het opnieuw verstrekken van een vergunning voor dit evenement met een totale duur inclusief de op- en afbouw van 23 dagen een voor hen onevenredige overlast geeft in die zin dat hun gezinsleven, hun woongenot en hun nachtrust ernstig wordt aangetast. Verweerder heeft volgens verzoeksters in de belangenafweging geen rekening gehouden met de door hen naar voren gebrachte bezwaren ten aanzien van de duur van het evenement, althans daarvan geen blijk gegeven. Juist omdat het evenement zeven dagen langer duurt dan in de jaren voorafgaand aan 2008, vereist dat des te meer een stringente en zorgvuldige belangenafweging. Verzoeksters wijzen in dat verband ook naar de uitspraak van deze rechtbank van 26 maart 2010 (SBR 09/449 en SBR 09/450) inzake de evenementenvergunning voor het houden van De Parade in het jaar 2008. Verzoeksters benadrukken dat zij geen bezwaar hebben tegen het plaatsvinden van De Parade op zichzelf, maar wel tegen de huidige duur van het evenement met zeventien speeldagen. De duur van de overlast wordt daarmee verzwaard. Tot 2008 zag de vergunning op tien speeldagen en ondanks de met het evenement gepaard gaande (geluids)overlast en de verstoring van het woongenot is een dergelijke duur volgens verzoeksters nog enigszins acceptabel. Juist de toegenomen duur van het evenement in deze vorm en op deze locatie, leidt tot een onevenredige belasting voor de direct omwonenden. Om die reden luidt hun verzoek aan de voorzieningenrechter dan ook om verweerder op te dragen de programmaduur van het evenement te verkorten met één week, dan wel tot tien speeldagen zoals oorspronkelijk voor 2008 het geval was. Subsidiair heeft verzoekster [verzoeker sub 2] de voorzieningenrechter verzocht om verweerder te veroordelen tot het betalen van een financiële compensatie.

2.7 De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeksters gedurende de periode van de ter inzage legging van de vergunningaanvraag zienswijzen naar voren hebben gebracht, waarvan verweerder heeft kennis genomen. Voorts heeft voorafgaande aan verweerders besluitvorming een gesprek met verzoeksters plaatsgevonden. Ook zijn er naar aanleiding van de beroepsprocedure over de verleende vergunning voor het jaar 2008 (mediation)gesprekken gevoerd, in welk kader de bezwaren van de omwonenden aan bod zijn gekomen.

Bij het bestreden besluit is verweerder uitvoerig ingegaan op de zienswijzen van verzoeksters, ook die over de geluidsoverlast. In dat verband heeft hij erop gewezen dat in 2009 door het college van burgemeester en wethouders de Beleidsregel geluidsnormen bij buitenevenementen, ofwel het Geluidsprotocol, is vastgesteld om geluidsoverlast voor omwonenden in verband met buitenevenementen te voorkomen of te verminderen. Het Geluidsprotocol is tot stand gekomen na intensieve samenwerking met bewoners en organisatoren van evenementen en met gebruikmaking van adviezen van geluidsdeskundigen. Het bevat normen bij buitenevenementen met betrekking tot het maximale totale geluidniveau en de tijden waarna geen versterkte muziek geproduceerd mag worden. Zo mag bij een buitenevenement binnen de bebouwde kom door versterkte muziek maximaal een geluidsniveau van 80 dB(A) en 95 dB(C) geproduceerd worden. Verder is daarin opgenomen dat op dagen voorafgaand aan een werkdag voor het ten gehore brengen van versterkte muziek tijdens een evenement niet langer dan tot 23 uur een vergunning wordt verstrekt. Op vrijdag en zaterdag is dat tot 01.00 uur.

2.8 Om de geluidsoverlast van De Parade voor de omwonenden te beperken zijn naast het opleggen van de voorschriften zoals opgenomen in het Geluidsprotocol, sinds 2009 ook specifieke maatregelen getroffen, waaronder aanpassing van de programmering, het niet meer programmeren van openluchtvoorstellingen, de gebruikmaking van een nieuw geluidssysteem waarbij minder geluid nodig is, het hangen van akoestische doeken in de achter- en zijwanden, de aanpassing van de eindtijden van de theaterprogrammering, het vroegtijdiger beëindigen van muziek in de zweefmolen, de bars en de keuken, het gebruik maken van stille aggregaten en de afspraak dat na 23.00 uur geen lege flessen meer mogen worden weggegooid. Tevens is voorgeschreven dat het geluidsniveau door de vergunninghouder zelf op het juiste niveau moet worden gehouden, waarop door of namens verweerder wordt gecontroleerd en gehandhaafd. In dat verband is namens verweerder ter zitting toegelicht dat onder andere in het weekend van 17 en 18 juli jongstleden door de gemeente geluidsmetingen zijn verricht. Uit de rapportage van de metingen komt naar voren dat ter plaatse het niveau van het wegverkeer en het omgevingsgeluid globaal rond 60 dB(A) ligt, dat er (behoudens een moment tijdens een soundcheck die onmiddellijk is stilgelegd) geen overschrijding van de normen zijn gemeten en dat er zelfs meestal een forse onderschrijding van de norm was in de orde van bijna 20 dB.

In reactie op de zienswijzen en naar aanleiding van de gevoerde overleggen heeft verweerder voorts besloten dat extra plaskruisen worden geplaatst rondom het terrein en anti-wildplasschermen om overlast door wildplassers zoveel mogelijk te voorkomen.

2.9 In het bestreden besluit is voorts ingegaan op de duur van het evenement en op de mogelijkheid het evenement op een andere locatie te organiseren. Naar aanleiding van de klacht over de verlenging van De Parade van tien naar zeventien speeldagen heeft verweerder overwogen dat over de duur van een evenement geen regels zijn opgenomen in de APV. Verweerder maakt, onder verwijzing naar hetgeen is vermeld in de beslissing op bezwaar van 10 mei 2010 over de vergunning voor het jaar 2008, de afweging of de aangevraagde duur van het evenement acceptabel is aan de hand van een aantal criteria: het belang van het evenement voor de stad, in hoeverre bestaat behoefte aan het evenement, de mate waarin beslag wordt gelegd op ruimte, tijd en hulpdiensten, het aantal bezoekers dat wordt verwacht, of de aard van het evenement zich verdraagt met het karakter of de bestemming van de gevraagde locatie, of op dezelfde locatie een ander evenement is gepland en of er bepaalde belangen opgesomd in de APV worden geschaad die zich verzetten tegen de vergunningverlening.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder aan de hand van deze criteria uitgebreid heeft gemotiveerd waarom hij dit evenement op deze locatie met deze duur acceptabel acht. Daarbij is door verweerder aangegeven waarom het in zijn ogen niet mogelijk dan wel niet gewenst is om De Parade in 2010 op een andere locatie te organiseren en om welke redenen juist de huidige locatie een geschikte fysieke infrastructuur heeft. In dat kader is door verweerder gewezen op de ligging dichtbij het stadscentrum en in de directe nabijheid van het openbaar vervoer (bus en trein).

2.10 De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat verweerder niet over één nacht ijs is gegaan. Mede vanwege de ervaringen met De Parade op deze locatie in voorgaande jaren is verweerder bekend met de relevante feiten en belangen. Er is dan ook geen grond het aan de vergunningverlening voorafgaande onderzoek onzorgvuldig te achten. Verder moet worden geoordeeld dat verweerder op kenbare wijze de betrokken belangen heeft afgewogen en dat die afweging niet dermate onevenwichtig is dat moet worden geoordeeld dat verweerder niet in redelijkheid tot de vergunningverlening heeft kunnen komen. Daarbij is van belang dat, anders dan verzoeksters hebben betoogd, uit het bestreden besluit, dat in samenhang moet worden gelezen met de betreffende overwegingen in het besluit van 10 mei 2010, blijkt dat verweerder juist ook met het oog op de belangen van de direct omwonenden aan de vergunning tal van voorschriften heeft verbonden. Die voorschriften (en maatregelen) zijn maatwerk en van een ander kaliber dan die verbonden aan de in 2008 verleende vergunning. De voorzieningenrechter volgt niet de stelling van verzoeksters dat het om standaardmaatregelen gaat, die bij elk buitenevenement dienen te worden toegepast. Evenmin kan de voorzieningenrechter verzoeksters volgen in hun stelling dat bij de verruiming tot zeventien speeldagen hun belangen in het geheel niet zijn meegenomen.

2.11 Nu van strijd met een wettelijk voorschrift niet is gebleken, gaat de voorzieningenrechter er - gelet op het vorenstaande - van uit dat de vergunning voor zeventien speeldagen bij de te nemen beslissing op bezwaar in stand zal blijven en dat het te nemen besluit de rechterlijke toets zal kunnen doorstaan. De voorzieningenrechter tekent daarbij wel het volgende aan. Het evenement, waarvan de horecavoorzieningen onderdeel uitmaken, duurt op de vrijdagen en de zaterdagen feitelijk tot 02.00 uur, waarbij de barretjes open zijn tot 01.30 uur, en duurt op de andere dagen feitelijk tot 01.00 uur, waarbij de barretjes open zijn tot 00.30 uur. De bestreden vergunning vermeldt als eindtijden echter 01.00 uur op de vrijdagen en de zaterdagen en 24.00 uur op de andere dagen. Het evenement vindt daarmee één uur per dag plaats buiten de vergunde tijd. De voorzieningenrechter ziet daarin geen aanleiding een voorziening te treffen. Enerzijds is dit een aspect van handhaving en niet van vergunningverlening, anderzijds is aannemelijk gemaakt dat dit extra uur benodigd is voor het gedoseerd laten uitstromen van de bezoekers, juist om de openbare orde te reguleren en daarmee (extra) overlast voor omwonenden in het begin van de nacht te beperken. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder aan dit punt in de heroverweging aandacht moet besteden. Daarbij zal verweerder moeten kiezen. Of de vergunde tijden handhaven en zorgen dat het evenement om 24.00 uur en op vrijdag en zaterdag om 01.00 uur daadwerkelijk ophoudt. Of de vergunde tijden aanpassen aan de feitelijke situatie. Indien voor de laatste optie wordt gekozen, zal verweerder daarbij de belangen van de direct omwonenden uitdrukkelijk dienen te betrekken.

2.12 De vraag van verzoeksters waar de grens ligt van het toegestane aantal speeldagen, ingegeven door hun vrees dat de duur van het evenement in de toekomst verder toeneemt, ligt nu niet ter beoordeling voor. De hier in geding zijnde vergunning heeft betrekking op een evenement met zeventien voor het publiek toegankelijke speeldata. De voorzieningenrechter merkt ten overvloede op dat hij van oordeel is dat met de huidige vergunde duur van het evenement op de huidige locatie de grens van het toelaatbare is bereikt. Vergunningverlening op deze locatie voor een langere periode dan zeventien speeldagen, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter alleen mogelijk met aanvullende maatregelen die de (geluids)overlast voor direct omwonenden substantieel beperken en/of door het - desgevraagd - aanbieden van (financiële) nadeelcompensatie aan die omwonenden die van De Parade onevenredig nadeel ondervinden.

2.13 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, bestaat geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening zoals door verzoeksters is verzocht. Ook voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. De voorzieningenrechter ziet evenmin aanleiding verweerder te gelasten verzoekster [verzoekster sub 2] een (voorschot op) financiële compensatie te betalen. Als verzoekster meent recht te hebben op nadeelcompensatie, kan zij een verzoek daartoe indienen bij verweerder. Verweerder zal dan op dat verzoek dienen te beslissen, waarna daartegen - desgewenst - bezwaar en beroep kan worden aangetekend.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2010.

De griffier: De voorzieningenrechter:

mr. M.S.D. de Weerd mr. B.J. van Ettekoven

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.