Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN2177

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
04-05-2010
Datum publicatie
23-07-2010
Zaaknummer
16/711108-09 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

primair aanranding, subsidiair ontucht met geestelijk gebrekkig ontwikkeld meisje van 17 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/711108-09 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 4 mei 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1955] te [geboorteplaats]

wonende te ([postcode]) [woonplaats], [adres]

raadsman mr. G.A.E.M. van Zinnicq Bergmann, advocaat te Soest

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 20 april 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1 primair: [slachtoffer] heeft aangerand door haar plotseling in zijn busje te trekken en haar vervolgens heeft gezoend en getongzoend en haar daarbij op de kleding heeft betast aan haar borsten en vagina;

Feit 1 subsidiair: met [slachtoffer] ontuchtige handelingen heeft gepleegd door haar te zoenen en te tongzoenen en op haar kleding te betasten aan haar borsten en vagina, terwijl hij wist dat die [slachtoffer] geestelijk gebrekkig was ontwikkeld;

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feit 1 primair heeft begaan en baseert zich daarbij op de consistente verklaringen van [slachtoffer] zoals deze zijn afgelegd bij de politie en tijdens het studioverhoor, de aangifte van haar moeder en de verklaringen van twee buurvrouwen van die [slachtoffer].

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij op het ontbreken van wettig bewijs. Alle verklaringen zijn gebaseerd op de verklaring van [slachtoffer] en kunnen daarmee niet dragend of ondersteunend van aard zijn.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat uit van de volgende redengevende feiten en omstandigheden.

Op 1 april 2009 rond 12.45 uur fietst [slachtoffer] (vanaf hier ‘[slachtoffer]’) van school naar huis. Gekomen op de [straat] te [woonplaats] wordt zij gewenkt door verdachte, die zij herkent als voormalige chauffeur van een schoolgenootje. Verdachte zit in het geopende portier van zijn bus, bedoeld voor groepsvervoer (8 pp.) [slachtoffer] stapt van haar fiets af, zet deze weg en gaat naast de bus staan. Het gesprek gaat eerst over alledaagse dingen en zij wisselen telefoonnummers uit op verzoek van verdachte. Ook vertelt hij haar dat hij haar een mooie meid vindt. Plots pakt verdachte haar op en tilt haar de bus in. Zij zit dan half op zijn schoot. Verdachte sluit het portier en tongzoent haar tot tweemaal toe. Als reactie daarop gaat [slachtoffer] achterover liggen, waarop verdachte haar over haar kleding heen streelt ter hoogte van haar borsten en vagina. Uiteindelijk opent verdachte het portier en kan [slachtoffer] zijn bus verlaten. Hij zegt dan dat ze deze gebeurtenis geheim moet houden. [slachtoffer] zegt hem dat ze het wel aan haar ouders zal vertellen en gaat direct op haar fiets naar huis. Thuisgekomen heeft zij haar moeder gebeld en haar ingelicht over de gebeurtenis met verdachte. Toen haar vader thuiskwam heeft zij hetzelfde verhaal aan hem verteld .

Ter ondersteuning hiervan dienen de volgende verklaringen.

Mevrouw [getuige 1] fietst rond dat zelfde tijdstip op de ventweg naast de [straat] en ziet [slachtoffer] druk en lachend staan praten met iemand die in een busje van Connexxion zit .

Een buurvrouw verklaart zij in maart of april 2009 geroepen werd door haar man dat [slachtoffer] haar wilde spreken. Normaliter zegt [slachtoffer] “hallo”, maar fietst door. [slachtoffer] vertelde haar met tranen in haar ogen dat ze zojuist was gepakt door een man die zij kende als chauffeur van medescholieren. Hij had haar opgepakt en de auto ingetrokken. Ook had hij haar hard bij haar borsten gepakt. [slachtoffer] fietste daarna weer verder en sprak verderop met een vrouw op een balkon .

Een andere buurvrouw van [slachtoffer] verklaart dat zij [slachtoffer] rond 25 of 26 maart tussen 13.00 uur en 15.00 uur zag aankomen vanaf haar balkon en dat [slachtoffer] erg overstuur was. [slachtoffer] vertelde haar dat zij in de bus was getrokken en dat de man haar had aangevallen. [slachtoffer] dacht de man wel te kennen. Een paar dagen daarna vertelde [slachtoffer] haar dat de man aan haar borsten had gezeten .

Verdachte heeft verklaard dat hij inderdaad die bewuste dag op de [straat] met [slachtoffer] heeft gesproken. Op het moment dat zij hem zag, is zij van haar fiets afgestapt en naar hem toegekomen. Het gesprek ging over alledaagse dingen, zoals school. Ook hebben zij telefoonnummers uitgewisseld op verzoek van [slachtoffer]. Hij heeft haar nummer direct gebeld om te controleren of het nummer klopte. Dagen of weken later heeft hij nog geprobeerd haar telefonisch te bereiken. Bij het afscheid heeft zij hem 3 kusjes gegeven, zoals Nederlanders doen .

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan.

De raadsman heeft bepleit dat alle verklaringen gebaseerd zijn op die van [slachtoffer] en daarom niet dragend of ondersteunend kunnen zijn. Hoewel de bron steeds dezelfde is, te weten [slachtoffer], kan worden aangenomen dat beide buurvrouwen haar overstuur aantreffen. Ook de verklaringen die door [slachtoffer] zijn afgelegd zijn gedetailleerd en consistent . Daarbij komt dat het de telefoon van verdachte is die één dag na het incident, meermalen contact zoekt met de telefoon van [slachtoffer] . In het licht van de ontkenning van verdachte is dit op zijn minst opmerkelijk te noemen. Voorts komt uit het dossier geen ondersteunend bewijs voor de ontkenning van verdachte naar voren, waarmee zijn ontkenning aannemelijk wordt gemaakt.

Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

(Primair)

op 1 april 2009 te [woonplaats], door een andere feitelijkheid [slachtoffer]

(geb. [1989]) heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige

handelingen, immers heeft hij die [slachtoffer]

- onverhoeds een busje ingetrokken en

- op de wang gezoend en

- onverhoeds getongzoend en

- onverhoeds op de kleding de borsten en vagina betast.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen:

- een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen, waarvan 87 dagen voorwaardelijk, onder aftrek van het voorarrest, met een proeftijd van twee jaren;

- een werkstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit omdat zijns inziens het wettige bewijs hiervoor ontbreekt. Daarnaast heeft hij zijn mening gebaseerd op het gegeven dat verdachte wellicht valselijk wordt beschuldigd door [slachtoffer], bezien in het licht van haar geestelijke beperking.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft op ernstige wijze de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, [slachtoffer], geschonden. Hierdoor heeft verdachte een normale en gezonde seksuele ontwikkeling, waar ieder persoon recht op heeft, doorkruist. Het slachtoffer was op dat moment weliswaar volwassen, maar heeft een gebrekkige geestelijke ontwikkeling en haar belevingswereld sluit aan bij dat van een jong kind. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit vaak langdurige en ernstige schade kan toebrengen aan de geestelijke gezondheid van het slachtoffer. Maar juist in dit geval is het bijzonder kwalijk te noemen. In de schriftelijke slachtofferverklaring geven de ouders van het slachtoffer aan dat het voor hun dochter een heel nare ervaring is geweest. Ook in het gezin heeft de daad van verdachte veel impact gehad, daar zij hun dochter veelal niet meer durven over te geven aan anderen, omdat het vertrouwen weg is. Ook hun andere dochter is hiervan de dupe geworden, die kwam immers de aandacht tekort die haar zou toekomen.

Verdachte heeft bij dit alles kennelijk nimmer stilgestaan en heeft zijn eigen bevrediging vooropgesteld. Dit neemt de rechtbank hem zeer kwalijk.

In het voordeel van verdachte houdt de rechtbank rekening met zijn nagenoeg blanco strafblad. Daarnaast geeft de rapportage van de Reclassering d.d. 5 november 2009 aan dat zij een behandeling en/of toezicht niet geïndiceerd achten, omdat er geen aanknopingspunten zijn voor het opstellen van een plan van aanpak.

Voorts wordt door A.J. Klumpenaar, GZ-psycholoog, in zijn rapport d.d. 12 augustus 2009 betreffende de verdachte beschreven dat er geen aanwijzingen naar voren komen dat er bij verdachte sprake zou zijn van een seksuele deviatie. Ook worden op het gebied van impulsbeheersing geen ernstige problemen waargenomen.

Het bewezenverklaarde komt de rechtbank dan ook voor als een incident.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf voldoende recht doet aan de ernst van het feit en de persoon van de verdachte. Met de gedeeltelijk voorwaardelijk op te leggen gevangenisstraf straf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 246 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Feitelijke aanranding van de eerbaarheid

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 90 dagen, waarvan 87 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

-heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 180 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Wassing, voorzitter, mr. A. van Maanen en

mr. M.H.L. Schoenmakers, rechters, in tegenwoordigheid van C. Lith-van den Brink, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 4 mei 2010.

Mr. Schoenmakers en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.