Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN2144

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
13-07-2010
Datum publicatie
22-07-2010
Zaaknummer
16-600440-10 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan poging tot afpersing. Gelet op de persoonlijke omstandigheden wordt reden gezien een lagere straf op te leggen dan door de offcier van justitie is gevorderd: een gevangenisstraf van 8 maanden,

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600440-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 13 juli 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1988] te [geboorteplaats]

thans verblijvende in het huis van bewaring te P.I. Midden Holland, HvB Haarlem, Haarlem

raadsvrouwe mr C.H. Dijkstra, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 29 juni 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

De zaak is gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de zaak tegen medeverdachte[medeverdachte] onder parketnummer 16/600439-10.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met de medeverdachte heeft geprobeerd een ander af te persen en/of heeft geprobeerd zich schuldig te maken aan diefstal met (bedreiging met) geweld van geld en goederen van die ander.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met zijn medeverdachte schuldig heeft gemaakt aan poging tot afpersing van [slachtoffer].

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat op basis van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen poging tot afpersing kan worden bewezen verklaard. Daarbij is wel de volgende kanttekening gemaakt. Op grond van de tegenover de politie afgelegde verklaring van verdachte dat de man uit balans raakte en op de grond viel, kan niet bewezen worden verklaard dat [slachtoffer] door toedoen van verdachte en medeverdachte naar de grond is gebracht.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het feit, te weten poging tot afpersing, wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 29 juni 2010

- de aangifte van [slachtoffer], in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen op pagina 54-57 van het proces-verbaal, dossiernummer PL0920 2010107537-1, van politie regio Utrecht, in de wettelijke vorm opgemaakt en doorgenummerd van 1 tot en met 108.

Bewijsoverweging

Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat hij bij zijn armen werd gepakt en naar de grond werd geduwd. De rechtbank ziet geen reden hieraan te twijfelen en acht deze handelingen, anders dan de raadsvrouwe heeft betoogd, bewezen. Dat verdachte en medeverdachte [slachtoffer] naar de grond hebben gegooid, wordt niet bewezen geacht.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 29 april 2010 te De Bilt op de Soestdijkseweg Zuid op een tijdstip gelegen rond

00.40 uur ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in

vereniging met een ander met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld

[slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van een of meer goed(eren) en/of een hoeveelheid geld, tezamen en in vereniging met een ander als volgt heeft gehandeld:

zijnde en/of hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader

terwijl zij beiden een bivakmuts droegen

- die op een tijdstip rond 00.40 uur over het fietspad fietsende [slachtoffer] de

weg versperd door voor die fiets te gaan staan en

vervolgens het stuur van de fiets van die [slachtoffer] vast te pakken en

- meermalen tegen die [slachtoffer] gezegd/geroepen: "Onmiddelijk mee het bos in

nu", althans telkens woorden van gelijke dreigend aard en/of strekking en

- die [slachtoffer] bij zijn armen (vast)gepakt en naar de grond geduwd

waardoor die [slachtoffer] met zijn fiets op de grond is gevallen en

- die [slachtoffer] aan zijn armen omhoog getrokken en die [slachtoffer] in de

richting van het bos getrokken en

- die [slachtoffer] een groot (keuken)mes, getoond,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

Poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. Anders dan in het reclasseringsadvies wordt overwogen, heeft zij het wenselijk geacht dat aan verdachte als bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringstoezicht wordt opgelegd, ook als dit inhoudt het volgen van een training Cognitieve Vaardigheden. In de zaak tegen de medeverdachte is deze bijzondere voorwaarde wel geadviseerd. De persoonlijke situatie van verdachte en die van medeverdachte verschillen niet dusdanig van elkaar, waardoor onderscheid zou moeten worden gemaakt,aldus de Officier van Justitie.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouwe heeft bepleit om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, die gelijk is aan de duur van de tijd, die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast kan een werkstraf worden opgelegd. Bij deze strafmodaliteit wordt het toekomstplan van verdachte, te weten het komende schooljaar weer met zijn opleiding van start gaan, niet doorkruist. Ten slotte heeft de raadsvrouw verzocht om aan verdachte, indien het volgen van de training Cognitieve vaardigheden wenselijk wordt geacht, het volgen van deze training niet als bijzondere voorwaarde, maar als zelfstandige straf op te leggen.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft een paar dagen voor Koninginnedag samen met zijn medeverdachte het plan bedacht om mensen te gaan beroven, zodat zij geld kregen om Koninginnedag te vieren. Hiervoor hebben zij bivakmutsen gemaakt. Op 29 april 2010 besloten zij om naar een plek te gaan waar ze konden schuilen en voorbijgangers konden beroven. Verdachte en zijn medeverdachte zijn, terwijl zij beiden een bivakmuts droegen, uit het bos op het fietspad gesprongen. Een voorbijkomende fietser is de weg versperd door voor de fiets te gaan staan en het stuur van de fiets vast te pakken. Vervolgens is geroepen:”Onmiddellijk mee het bos in, nu”. Aan de fietser is een groot keukenmes getoond. De fietser weigerde echter om mee te gaan. Op een gegeven moment zijn verdachte en zijn medeverdachte weggerend.

Voor het slachtoffer moet het een angstwekkende ervaring zijn geweest. Het is algemeen bekend dat slachtoffers van een dergelijke gebeurtenis nog lange tijd angstgevoelens ondervinden. Verdachte heeft zich dan ook schuldig gemaakt aan een ernstig feit. Een dergelijk feit rechtvaardigt een vrijheidsbenemende straf. De door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf is dan ook voorstelbaar.

Ten voordele van verdachte is rekening gehouden met de omstandigheid dat hij een blanco strafblad heeft. Op de zitting heeft verdachte spijt betuigd. Hij heeft het slachtoffer een brief geschreven. Verdachte heeft verklaard dat hij zich nu volledig wil gaan richten op zijn studie, zodat hij zijn leven weer op het juiste spoor krijgt. Volgens de reclassering is de kans op recidive laag.

Gelet op de hierboven genoemde persoonlijke omstandigheden ziet de rechtbank reden een lagere gevangenisstraf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd. Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk opleggen, zodat verdachte het komende schooljaar weer verder zal kunnen gaan met zijn opleiding. Als bijzondere voorwaarde zal de rechtbank verplicht reclasseringstoezicht opleggen, ook als dit inhoudt het volgen van de training Cognitieve Vaardigheden, zodat verdachte hulp en steun krijgt bij zijn voornemen om zijn leven weer op de rails te krijgen. Nu de reclassering zich niet expliciet heeft uitgelaten over de noodzaak van het volgen van de training Cognitieve Vaardigheden, zal de rechtbank, anders dan de raadsvrouwe heeft bepleit, het volgen van deze training niet als aparte modaliteit opleggen. Nu de rechtbank een lagere gevangenisstraf oplegt dan die de officier van justitie heeft gevorderd, ziet de rechtbank ter compensatie aanleiding tevens een werkstraf op te leggen voor de duur van 80 uren, te vervangen door 40 dagen hechtenis.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c,14d, 22c, 22d, 45, 47 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde

personen.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 4 maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland, ook als dit inhoudt het volgen van de training Cognitieve Vaardigheden;

* dat verdachte zich gedurende de proeftijd zo vaak als door Reclassering Nederland nodig wordt geacht bij Reclassering Nederland meldt;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 80 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 dagen;

Voorlopige hechtenis

- heft het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Bender, voorzitter, mr. L. Bakker-Splinter en mr. R.P.G.L.M. Verbunt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.H.M. van Ek, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 13 juli 2010.