Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN2111

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
20-07-2010
Datum publicatie
22-07-2010
Zaaknummer
16-710461-10.
Rechtsgebieden
Civiel recht
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verduistering en witwassen door met behulp van een bankmedewerker bankrekeningen over te hevelen naar eigen rekeningencomplex en daarvan geld op te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/710461-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 20 juli 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1964] te [geboorteplaats]

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Niewegein

raadsman mr. R.F. Vogel, advocaat te Leusden

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 6 juli 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging, zoals deze na wijziging luidt, is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

tezamen en in vereniging met een medewerker van de ABN Amro bank een groot geldbedrag van (rekeninghouders van) die bank heeft verduisterd en heeft witgewassen.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op de bij de huiszoeking bij verdachte aangetroffen pinpas, rijbewijs, identiteitsbewijs, bankafschriften en andere schriftelijke bescheiden. Dit alles komt overeen met de bankoverschrijvings- pin- en kassopnamegegevens van de ABN Amro bank. Voorts is verdachte door getuigen herkend bij verschillende transacties. Niet aannemelijk is geworden dat iemand anders zich voor verdachte heeft voorgedaan.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen, daar het beschikbare bewijs te indirect van aard is om te kunnen bewijzen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. Verdachte ontkent de tenlastegelegde feiten.

Onduidelijk is in wiens opdracht de overhevelingen en andere mutaties hebben plaatsgevonden. Uit het onderzoek komt naar voren dat als iemand zoveel geld heeft opgenomen het niet anders kan dan dat deze persoon hulp moest hebben gehad van iemand van de bank. De bank veronderstelt dat dit medewerker en medeverdachte [mededader] is. Verdachte en [mededader] hebben echter beiden verklaard dat zij elkaar niet kennen.

Voorts zijn de kasopnamen niet volledig en juist geregistreerd bij de bank en kloppen niet alle handtekeningen. De oprechtheid van [mededader] is dan ook twijfelachtig.

Voorts heeft verdachte verklaard dat hij zijn bankpasje, identiteitskaart en paspoort was kwijtgeraakt. Het is mogelijk dat deze door een ander dan verdachte zijn gebruikt en dat die ander zich heeft uitgegeven voor verdachte. De foto’s van de beveiligingscamera’s zijn te onduidelijk om te kunnen concluderen dat verdachte daarop staat. Tot slot zijn er te weinig aanknopingspunten om vast te kunnen stellen dat verdachte ondanks dat hij slechts een uitkering ontvangt aanzienlijke bedragen in een shoarmazaak wilde investeren.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Bij vier rekeninghouders van de ABN Amro-bank , te weten (de erfgenamen van) [A], [B], (de erfgenamen van) [C] en [D], is geld van hun rekening gehaald. De rekeningen van die vier rekeninghouders waren overgeheveld naar een andere rekeninghouder, te weten verdachte. Hierdoor kreeg verdachte toegang tot de betreffende rekeningen.

Op 23 maart, 7 en 15 april 2009 heeft verdachte telkens zijn huisadres laten aanpassen in de administratie. Daarbij hebben op 23 maart 2009, 7 en 15 april 2009 mutaties van het registratienummer van verdachte plaatsgevonden. Deze mutaties vonden plaats bij de ABN Amro in Utrecht en in Winschoten. Vervolgens zijn verschillende rekeningen van andere rekeninghouders naar de rekening van verdachte overgeheveld. Daarna zijn van de rekening van verdachte grote geldbedragen afgehaald. Dit alles heeft plaatsgevonden bij de ABN Amro te Utrecht.

Eerst zijn twee rekeningen van rekeninghouder [C] overgeheveld naar verdachte. Vervolgens is op 30 maart 2009 middels een kasopname respectievelijk € 200.000,- en € 50.000,- van die rekeningen opgenomen op naam van verdachte. Verder is op 15 en 17 april 2009 telkens € 12.000,- overgeboekt van de rekeningen van [C] naar de rekening van verdachte. Daarnaast heeft verdachte op 15 april 2009 € 25.000,00 opgenomen van die rekeningen en tot slot is van een van de rekeningen nog € 6.500,- overgeboekt naar de rekening van verdachte.

Verder is ook een rekening van rekeninghouder [A] overgeheveld onder het rekeningencomplex van verdachte. Op 20 april 2009 heeft verdachte middels een kasopname van die rekening € 200.000,- opgenomen.

Voorts zijn op 23 april 2009 rekeningen van rekeninghouders [B] en [D] overgeheveld naar het rekeningencomplex van verdachte. Diezelfde dag is door verdachte middels een kasopname € 150.000,00 van de rekening van [D] opgenomen. Middels internet overboekingen is verder respectievelijk € 20.000,- en € 141.000,- van de rekening van [B] overgeboekt naar de rekening van verdachte.

Uit de aangifte van de ABN Amro bank blijkt voorts dat veelal de benodigde formulieren voor overheveling van de rekening niet in orde waren en dat bij de transacties vrijwel allemaal zijn uitgevoerd met behulp van één en dezelfde medewerker van de bank.

Voornoemde overhevelingen en transacties worden ondersteund door rekeningafschriften, overzichten van bij- en afschrijvingen van de betreffende rekeningen en bonnen van de kasopnames.

Getuige [getuige 1], bankmedewerker, verklaart dat zij weet dat verdachte op 20 april 2009 middels een bankopname respectievelijk € 200.000,- en € 50.000,- heeft opgenomen. Voorts verklaart getuige dat verdachte op 15 april 2009 een kasopname heeft gedaan van € 25.000,00. [getuige 1] kan zich deze kasopname door verdachte herinneren. Getuige kan zich tevens de kasopname door verdachte van € 150.000,00 d.d. 23 april 2009 herinneren. Bij al deze opnames was telkens dezelfde bankmedewerker tevens aanwezig. Door de politie is aan getuige een foto van verdachte getoond. Getuige herkende hem voor de volle 100% als zijnde de man die telkens de grote geldbedragen opnam. [getuige 1] heeft verklaard dat zij de legitimatie van degene die het geld kwam halen, steeds heeft gecheckt en de foto heeft vergeleken met de persoon. Getuige [getuige 2], bankmedewerker, heeft verklaard dat verdachte bij haar tweemaal een overboeking van € 12.000,- wilde laten uitvoeren. De eerder door getuige [getuige 1] genoemde bankmedewerker was hierbij telkens betrokken.

Bewijsoverweging

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte zijn paspoort en identiteitskaart als vermist had opgegeven en dat mogelijk een derde persoon zich heeft uitgegeven als verdachte.

De rechtbank verwerpt dit verweer, niet alleen omdat [getuige 1] verdachte herkent als de persoon die de geldbedragen opnam, maar ook vanwege het volgende. Uit de verklaring van [getuige 1] en uit gegevens van de bank blijkt dat bij de verschillende handelingen bij de bank telkens originele legitimatie van verdachte is gebruikt. Verdachte heeft ter terechtzitting van 6 juli 2010 verklaard dat hij zowel zijn paspoort als zijn identiteitsbewijs als vermist had opgegeven. Dit wordt ondersteund door het uittreksel van de GBA bevraging. Hieruit blijkt dat verdachte op 7 april 2009 zijn paspoort met nr. [documentnummer 1] en identiteitsbewijs met nr. [documentnummer 2] als vermist heeft opgegeven. Op 9 april 2009 is blijkens het uittreksel aan verdachte een nieuw paspoort met nr. [documentnummer 3] en identiteitsbewijs met nr. [documentnummer 4] uitgegeven.

Uit de gegevens van de ABN-Amro bank blijkt dat verdachte zich vóór 7 april 2009 legitimeerde met zijn oude paspoort dan wel identiteitsbewijs en dat verdachte zich na 9 april 2009 legitimeerde met zijn nieuwe paspoort dan wel identiteitsbewijs. Daarbij komt dat verdachte zich ook een aantal maal heeft gelegitimeerd met zijn rijbewijs. Dit rijbewijs is nooit als vermist opgegeven en bovendien bij doorzoeking van de woning van verdachte aangetroffen en in beslag genomen. Voorts is het laatste identiteitsbewijs op dat moment ook aangetroffen en in beslag genomen. Verdachte heeft daarbij ter terechtzitting van 6 juli verklaard dat hij zijn rijbewijs, paspoort of identiteitsbewijs nooit heeft uitgeleend. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het verdachte zelf was die telkens bij de transacties was betrokken.

Voorts blijkt uit uidraaien van de bij- en afschrijvingen van de rekening van verdachte dat in de periode van 15 april tot en met 27 april 2009 heel veel bedragen bij geld- en betaalautomaten in Groningen, Oude Pekela, Veendam, Rotterdam en Antwerpen zijn gepind met de pinpas van verdachte met nummer [pasnummer], dat wil zeggen vele tientallen transacties per dag variërend van € 150,- tot € 5.200,- per transactie. Op 9 maart 2010 is verdachte aangehouden.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 6 juli 2010 verklaard dat de pinpas met nummer [pasnummer] (welke in beslag is genomen bij de doorzoeking van verdachte zijn woning ) van hem is, dat hij de pinpas nooit aan iemand heeft uitgeleend en dat hij de enige is die de pincode van de pas weet. De rechtbank overweegt dat het in dat geval niet anders kan dan dat het verdachte is geweest die al deze bedragen heeft gepind. Verdachte heeft ter terechtzitting voorts verklaard dat hij rond moet komen van een uitkering. Gezien de hoeveelheid en de hoogte van de gepinde bedragen moet verdachte ervan op de hoogte zijn geweest dat hij grote geldbedragen op zijn rekening had staan.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het niet anders kan dan dat het verdachte was die, nadat een bankmedewerker rekeningen naar hem had overgeheveld, telkens de kasopnamen, overboekingen en pintransacties heeft gedaan, tezamen en in vereniging met een medewerker van de bank.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op tijdstippen in de periode van 23 maart 2009 tot en met 28 april 2009 te Utrecht en/of Groningen en/of Oude Pekela en/of Veendam en/of Rotterdam en/of Antwerpen, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een groot geldbedrag (in totaal 816.500 Euro), dat geheel toebehoorde aan ABN/AMRO bank, en welk goed zijn mededader uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als medewerker van de ABN-AMRO bank onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2.

op tijdstippen in de periode van 23 maart 2009 tot en met 09 maart 2010, te Utrecht en Groningen en Oude Pekela en Veendam en Rotterdam en Antwerpen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft verdachte telkens

- van een voorwerp, te weten een groot geldbedrag (in totaal 816.500 euro), de werkelijke aard, de herkomst en de verplaatsing verborgen en verhuld,

en

- voornoemd voorwerp verworven en voorhanden gehad en overgedragen,

terwijl verdachte wist dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1: verduistering, meermalen gepleegd.

Feit 2: van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het verduisteren en witwassen van zeer grote geldbedragen die stonden op de bankrekening van verschillende personen, waarbij de rechtbank het verdachte zwaar aanrekent dat hij in samenwerking met een medewerker van een bank het vertrouwen van mensen in een bank heeft geschaad. Voorts heeft het witwassen van gelden een ontwrichtende werking op het economisch verkeer.

De rechtbank neemt verder in overweging dat uit het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 11 mei 2010 blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor verschillende strafbare feiten.

De rechtbank is echter van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf te zwaar is voor de feiten, waarbij ook met name de hoogte van het verduisterde en witgewassen bedrag in ogenschouw is genomen. Mede gelet op de straffen die voor soortgelijke delicten worden opgelegd, is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden passend en geboden is.

7 Het beslag

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen voorwerpen terug te geven aan verdachte, met uitzondering van de op de beslaglijst vetgedrukte goederen. Deze laatste goederen dienen naar het oordeel van de officier van justitie te worden bewaard ten behoeve van het bewijs.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om teruggave van alle in beslag genomen voorwerpen aan verdachte.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat de officier gevorderde bewaring ten behoeve van het bewijs niet bij wet is voorzien. De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47, 57, 321, 420ter, 420bis van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: verduistering, meermalen gepleegd;

feit 2: van het plegen van witwassen een gewoonte maken;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van alle inbeslaggenomen voorwerpen welke zijn vermeld op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.M.G. de Weerd, voorzitter, mr. R.P. den Otter en mr. R.P.G.L.M. Verbunt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.C. de Vries, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 20 juli 2010.