Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN2100

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
19-07-2010
Datum publicatie
22-07-2010
Zaaknummer
16/995281-08 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft een landgoed gekocht en op dit landgoed zonder daarvan tijdige kennisgeving te doen bomen gekapt en de daarbij vrijgekomen boomstobben vervolgens zonder vergunning daartoe op zijn perceel gestort. Overtredingen van de Boswet en de Wet mili

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/995281-08 [P]

vonnis van de meervoudige economische kamer d.d. 19 juli 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1971] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats] aan de [adres].

Raadsman mr. T.J. Roest-Crollius, advocaat te Woerden.

1 Onderzoek van de zaak

Overeenkomstig artikel 369 van het Wetboek van Strafvordering heeft de politierechter de zaak naar deze kamer verwezen. De zaak is door deze kamer inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 5 juli 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: opzettelijk zonder hiervan tijdige melding te hebben gedaan een aantal

eiken heeft geveld op zijn perceel dan wel heeft laten vellen;

feit 2: opzettelijk zonder vergunning op zijn perceel heeft ontgrond dan wel heeft

toegestaan dat er een ontgronding plaatsvond;

feit 3 (primair en subsidiair): in strijd met artikel 10.2 lid 1 van de Wet milieubeheer dan

wel in strijd met artikel 5 en 10 van de Verordening Bescherming natuur en

landschap Provincie Utrecht 1996 een hoeveelheid boomstobben en/of takken heeft gestort.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het onder 1, 2 en 3 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de aan verdachte tenlastegelegde feiten niet kunnen worden bewezen en daartoe de hierna te noemen verweren gevoerd.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Op basis van de informatie in het dossier en hetgeen ter zitting is besproken, stelt de rechtbank de volgende feiten vast.

Verdachte heeft op 7 februari 2007 5 hectare bos met daarin een woning gekocht op het landgoed [naam], gelegen te [woonplaats] aan/nabij de [adres]. Verdachte heeft erkend dat hij na deze aankoop diverse werkzaamheden op het perceel heeft uitgevoerd dan wel heeft laten uitvoeren door onder meer[medeverdachte] (hierna te noemen: [medeverdachte]). In vak 4g van het perceel is een groot aantal eiken geveld. In vak 4d is een sleuf is gegraven voor de aanleg van een pad naar een nieuw te bouwen woning. Ook naast deze sleuf is een aantal eiken geveld. De grote hoeveelheid boomstobben die bij voornoemde werkzaamheden is vrijgekomen is in diverse walvormen verwerkt.

Verdachte heeft voor het vellen van de betreffende eiken geen tijdige kennisgeving gedaan aan de Dienst Regelingen van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Daarnaast heeft hij voor het graven van de betreffende sleuf geen voorafgaande vergunning aangevraagd bij de provincie Utrecht.

3.3.1. Vrijspraak ten aanzien van feit 2

Aan verdachte is onder 2 primair ten laste gelegd - kort gezegd - dat hij samen met een ander zonder vergunning op zijn perceel heeft ontgrond, dan wel heeft toegestaan dat op zijn perceel een ontgronding plaatsvond.

Medeplegen vereist een bewuste en nauwe samenwerking. Dit houdt in dat de medeplegers met opzet samenwerken tot het verrichten van de strafbare gedraging. Het opzet van de medepleger moet op zowel de samenwerking als op de te verrichten gedraging zijn gericht. Verdachte heeft verklaard dat hij [medeverdachte] niet de opdracht heeft gegeven om te ontgronden. Uit de stukken die zich in het dossier bevinden blijkt weliswaar van opzet op de samenwerking, maar kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat bij verdachte sprake was van het voor medeplegen vereiste opzet op de betreffende ontgronding. De stelling van verdachte op dit punt wordt niet weerlegd door de inhoud van de dossierstukken en wordt ondersteund door de verklaring van [A] die door verdachte bij brief van 10 december 2008 aan het dossier is toegevoegd.

Verdachte dient daarom van het onder 2 tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

3.3.2. Ten aanzien van feit 1

Vak 4d

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij aan medeverdachte [medeverdachte], de opdracht heeft gegeven tot het herstellen van een reeds bestaand pad in vak 4d. Het bedrijf heeft deze werkzaamheden vervolgens verricht en daarbij een aantal bomen geveld.

Door de verdediging is aangevoerd dat gezien het voorgaande geen sprake kan zijn geweest van medeplegen, maar van ‘doen plegen’ en dat in dit verband niet tot een veroordeling van verdachte gekomen kan worden.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Niet alleen waren zowel verdachte als medeverdachte [medeverdachte] nauw betrokken bij de plannen voor het perceel, ook blijkt dat er tussen hen beiden meermalen telefonisch contact is geweest over de werkzaamheden. Ook over het al dan niet vellen van de betreffende bomen langs het pad in vak 4d blijkt overleg te zijn geweest , waarna [medeverdachte] is overgegaan tot het vellen van de betreffende bomen. Dat verdachte bij het vellen van de bomen niet lijfelijk aanwezig is geweest heeft onder deze omstandigheden geen doorslaggevende betekenis.

De verdediging heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat voor het vellen van de bomen in vak 4g geen voorafgaande tijdige kennisgeving nodig was, nu was voldaan aan de in artikel 2 lid 3 van de Boswet genoemde uitzonderingsbepaling. De betreffende bomen zijn uitsluitend zijn gedund ter bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand, aldus de verdediging.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Gelet op het bepaalde in arikel 1 lid 1 van de Boswet wordt onder dunning verstaan: velling, welke uitsluitend als een verzorgingsmaatregel ter bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand moet worden beschouwd.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat er naast het te verbreden pad zeven bomen stonden die niet in de rij van het pad stonden. Deze bomen zijn geveld met als doel het maken van een rij met laanbomen langs het pad, zo verklaarde hij verder. De heer [A] van [medeverdachte] heeft dit bevestigd. De rechtbank stelt dan ook vast dat verdachte door het vellen van de bomen niet uitsluitend de groei van de overblijvende houtopstand nastreefde. Dat betekent dat voor de velling een voorafgaande tijdige kennisgeving op grond van de Boswet vereist was.

Vak 4g

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de velling van de bomen in vak 4g uitsluitend is verricht door de voormalig eigenaar van het perceel, [B], volgens een reeds eerder opgesteld bosbeheerplan.

De rechtbank verwerpt dit verweer. [C] heeft verklaard dat verdachte de werkzaamheden in dit vak zelf heeft gecoördineerd. Voorts is vast komen te staan dat [medeverdachte] in opdracht van en in overleg met verdachte de boomstobben die zich na de kap nog in het gebied bevonden, heeft gerooid. Nu blijkens artikel 1 lid 2 van de Boswet onder vellen mede het rooien wordt begrepen, houdt voornoemd verweer geen stand.

De verdediging heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat voor het vellen van de bomen in vak 4g geen voorafgaande tijdige kennisgeving nodig was, nu was voldaan aan de in artikel 2 lid 3 van de Boswet genoemde uitzonderingsbepaling. De betreffende bomen zouden uitsluitend zijn gedund ter bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand, aldus de verdediging.

De rechtbank verwerpt dit verweer, nu uit de verklaring van deskundige [D] , Vergunningverlener Boswet en Natuurbeschermingswet bij de provincie Utrecht, volgt dat gezien de omvang van de velling in vak 4g geen sprake is geweest van dunning ter bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand. Ook de door de verdediging genoemde deskundige [E] stelt zich op het standpunt dat er gezien deze omvang sprake is geweest van een illegale dunning. Anders dan laatstgenoemde deskundige is de rechtbank van oordeel dat hiervoor wel degelijk een voorafgaande kennisgeving op grond van de Boswet vereist was. Daarbij heeft de rechtbank ook in aanmerking genomen dat ook in dit geval de velling niet uitsluitend heeft plaatsgevonden als verzorgingsmaatregel.[F]heeft verklaard dat verdachte - anders dan verdachte ter zitting heeft verklaard - reeds voor de uitvoering van de dunning van plan was om op het betreffende perceelsgedeelte paarden te houden.

Nu verdachte voor zowel de velling van de bomen in vak 4g als vak 4d geen tijdige kennisgeving heeft gedaan, acht de rechtbank het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen ten aanzien van beide genoemde perceelsvakken.

De rechtbank acht tevens bewezen dat verdachte dit feit tezamen en in vereniging met [medeverdachte] heeft begaan.

3.3.3. Ten aanzien van feit 3 primair

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 3 primair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen en daartoe betwist dat de boomstobben afvalstoffen vormen in de zin van de Wet Milieubeheer.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Op grond van art. 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, moet onder ‘afvalstoffen’ worden verstaan: alle stoffen, preparaten of andere producten die behoren tot de categorieën die zijn genoemd in bijlage I bij richtlijn nr. 2006/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende afvalstoffen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.

In deze Richtlijn wordt verstaan onder afvalstof: elke stof of elk voorwerp behorende tot de in bijlage I genoemde categorieën waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is te ontdoen of zich moet ontdoen. In bijlage I van deze Richtlijn en in de toelichting daarop wordt de definitie van afvalstof nader toegelicht met lijsten van stoffen en voorwerpen die als afval kunnen worden beschouwd. Hoewel boomstobben niet in deze lijsten worden genoemd, zijn deze lijsten slechts indicatief. Het verweer van de verdediging dat boomstobben niet in deze lijsten wordt genoemd en daarom geen afvalstof zouden zijn, wordt dan ook door de rechtbank verworpen.

Of er sprake is van ‘afvalstoffen’ hangt volgens vaste rechtspraak vooral af van het gedrag van de houder, namelijk of deze zich al dan niet van de betrokken stoffen wil ontdoen.

De vraag of men zich ontdoet van afval, spitst zich regelmatig toe op de vraag of er sprake is van een productieresidu. Een productieresidu is datgene wat afvalt wanneer een materiaal of voorwerp wordt bewerkt en wat niet het rechtstreeks beoogde resultaat van het productieproces is. Indien er sprake is van een residu, vormt dit een belangrijke aanwijzing dat het gaat om een afvalstof.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat na de velling van de bomen de stammen zijn verwerkt tot gezaagd (stook)hout, wat bevestigd is door getuige [getuige]. Verdachte heeft voorts ter terechtzitting verklaard dat de bij de velling vrijgekomen boomstobben vervolgens door [medeverdachte] zijn verwijderd om het perceel op te ruimen, hetgeen wordt bevestigd door de heer [A] van [medeverdachte]. De rechtbank stelt dan ook vast dat de boomstobben een restproduct zijn van voornoemde velling en niet bewust zijn geproduceerd.

De afvoer van dit restproduct zou voor verdachte aanzienlijke kosten met zich mee hebben gebracht. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte zich van de boomstobben wilde ontdoen en dat de betreffende boomstobben moeten worden aangemerkt als afvalstof. Nu de verdediging tot slot niet aannemelijk heeft gemaakt dat door handelingen van verdachte aan de boomstobben het afvalstoffenkarakter is komen te ontvallen, acht de rechtbank het onder 3 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

op tijdstippen in de periode van 7 februari 2007 tot en met 11 oktober 2007 te [woonplaats], tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk, op zijn perceel aan/nabij de [adres], een hoeveelheid eiken heeft geveld, anders dan bij wijze van dunning, zonder dat hij een voorafgaande tijdige kennisgeving heeft gedaan;

3.

Primair

op tijdstippen in de periode van 7 februari 2007 tot en met 11 oktober 2007

te [woonplaats], tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk, zich, op zijn perceel aan/nabij de [adres], van een grote hoeveelheid boomstobben heeft ontdaan door deze buiten een inrichting te storten.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

4.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

feit 1: medeplegen van een overtreding van een voorschrift gesteld bij

artikel 2, derde lid, van de Boswet, opzettelijk begaan, meermalen

gepleegd.

feit 3 primair: medeplegen van een overtreding van een voorschrift gesteld bij of

krachtens artikel 10.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer,

opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

4.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte een geldboete van € 7.500,00 op te leggen, gelijk aan het transactievoorstel aan verdachte van 3 oktober 2008.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van de strafmaat geen verweer gevoerd.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft samen met een ander op zijn perceel eiken geveld zonder hiervan tijdige kennisgeving te hebben gedaan aan de Dienst Regelingen van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. De door de velling vrijgekomen boomstobben heeft hij vervolgens op zijn landgoed gestort. Voor deze storting had hij geen voorafgaande vergunning aangevraagd op grond van de Wet Milieubeheer.

De Boswet heeft als doel het beschermen van de houtopstand in Nederland. Dit doel wordt bereikt door de velling van een aantal boomsoorten, waaronder de eik, te reguleren door middel van een meldingsplicht. Het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is in het huidige geval niet in staat gesteld om de velling van een aantal eiken reguleren. Zij werd voor een voldongen feit gesteld toen de betreffende - bijzondere en oude - eiken al geveld waren. Dit is verdachte aan te rekenen. Hetzelfde geldt voor het storten van afvalmateriaal, dat de Provincie probeert te reguleren door middel van een vergunningenstelsel.

Van verdachte, die kort daarvoor eigenaar was geworden van een prachtig en uniek perceel bosgrond, mocht anders worden verwacht, te meer nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat hij zich wel heeft verdiept in eventuele subsidies die hij kon verkrijgen voor de werkzaamheden op het perceel.

Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf is in aanmerking genomen dat verdachte blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 21 mei 2010 niet eerder is veroordeeld.

De rechtbank zal de door de officier van justitie gevorderde geldboete matigen, waarbij zij meeweegt dat zij verdachte heeft vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde feit. Bovendien zijn de bewezenverklaarde feiten al in 2007 zijn gepleegd.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een geldboete van € 5.000,00 subsidiair 60 dagen hechtenis een passende sanctie is.

6 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 23, 24, 24c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 2 van de Boswet, artikel 10.2 van de Wet milieubeheer en artikel 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

7 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 2 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: medeplegen van een overtreding van een voorschrift gesteld bij

artikel 2 derde lid van de Boswet, opzettelijk begaan, meermalen

gepleegd.

feit 3 primair: medeplegen van een overtreding van een voorschrift gesteld bij of

krachtens artikel 10.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer,

opzettelijk begaan, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 5.000,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 60 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert, voorzitter, mr. R.P. den Otter en

mr. A. van Maanen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.A. Groenevelt-Timmer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 19 juli 2010.

Mr. M.S. Koppert is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.