Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN2082

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
01-07-2010
Datum publicatie
22-07-2010
Zaaknummer
16-600260-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft samen met zijn stiefvader en zijn vriend een grote hoeveelheid softdrugs in de woning van zijn stiefvader aanwezig gehad. Er is een bewijsoverweging omtrent medeplegen opgenomen. Vrijspraak voor deelname aan criminele organisatie. Een gevangenisstraf van 9 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, is passend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600260-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 1 juli 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1974] te [geboorteplaats]

thans gedetineerd in Huis van Bewaring Doetinchem te Doetinchem

raadsman mr. D.C. Vlielander, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 17 juni 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

De zaak is gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] onder parketnummer 16/600261-10 en [medeverdachte 2] onder parketnummer 16/600259-10.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: samen met de medeverdachten een grote hoeveelheid henneptoppen en

halfproduct van hennep in een woning opzettelijk heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt of in ieder geval voorhanden heeft gehad (in de uitoefening van beroep/bedrijf);

feit 2: heeft deelgenomen aan een criminele organisatie.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

Ten aanzien van feit 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ongeveer 92,34 kilogram henneptoppen en

77,20 kilogram halfproduct van hennep in de woning van [medeverdachte 1] voorhanden heeft gehad en heeft zich daarbij gebaseerd op de feiten en omstandigheden, zoals neergelegd in de door haar overgelegde schriftelijke aantekeningen. Volgens de officier van justitie is met toestemming van [medeverdachte 1] zijn woning binnengetreden, zodat van onrechtmatig binnentreden geen sprake is.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen.

Er is op basis van een M-melding en een warmtemeting besloten tot binnentreden in de woning van [medeverdachte 1]. Uit de getuigenverklaring van fraudespecialist [A] volgt dat de warmtemeting foutief is geweest. De machtiging zou enkel op de M-melding niet zijn afgegeven, zodat de machtiging tot binnentreden onrechtmatig is geweest. Er is dan ook onrechtmatig binnengetreden. De resultaten van de doorzoeking, de vondst van de hennep en de overige aangetroffen goederen, zijn onrechtmatig verkregen. De raadsman heeft bepleit dat deze resultaten van het bewijs moeten worden uitgesloten, hetgeen met zich meebrengt dat verdachte dient te worden vrijgesproken. Daarnaast heeft hij betoogd dat

onvoldoende bewijs voor medeplegen voorhanden is.

Het oordeel van de rechtbank

Feiten en omstandigheden

Op 10 maart 2010 werd naar aanleiding van een onderzoek naar een eventuele hennepkwekerij in de woning aan de [adres] te [woonplaats] bij deze woning door verbalisant [verbalisant 1] aangebeld. De voordeur werd geopend. Er stond een man in zijn badjas, die naar buiten stapte. Verbalisant [verbalisant 1] heeft zich voorgesteld en het doel van zijn bezoek aan de man uitgelegd. Hij vertelde de man dat hij in de woning wilde kijken of er een hennepkwekerij was, waarop de man zei: “Kom binnen” . Verbalisant [verbalisant 1] kwam de woning binnen in de hal. De man die de deur open had gedaan, bleek te zijn genaamd: [medeverdachte 1]. Vervolgens is verbalisant [verbalisant 1] vanuit de gang rechts een kamer ingelopen, waar zich links achterin een keuken bevond. Hij zag hier een manspersoon staan, die hij niet eerder had gezien. Bij navraag bleek deze man te zijn genaamd: [medeverdachte 2]. Er kwam een vraag van collega [verbalisant 3], of er een sleutel van een kamer van boven aanwezig was, omdat deze kamer op slot was. Er verscheen opeens een derde manspersoon. Deze manspersoon, genaamd [verdachte], liep richting de ladekast en haalde uit een dvd-hoesje de sleutel, die collega [verbalisant 3] nodig had. Verbalisant [verbalisant 1] keerde terug naar de ruimte waar de laatste man vandaan kwam. Hij kwam in een ruimte waarin een viertal zware dossierkasten stonden. Hij zag dat drie kasten openstonden en dat hierin plastic zakken stonden. Een aantal zakken stond open. Hij zag dat hierin hennep zat. Hij is teruggelopen naar de woonkamer en heeft de mannen medegedeeld dat zij aangehouden waren. [medeverdachte 1] zei hierop: “Een hennepkwekerij? Ik heb geen hennepkwekerij, ik ben maar een simpele inpakjongen”.

Verbalisant [verbalisant 4] was belast met de verdere doorzoeking in de kamer waarin de grote archiefkasten stonden. In de kast stonden zilveren en zwarte zakken met henneptoppen. Achter de laatste archiefkast stond een wasmachine. Er was geen normale doorgang naar de wasmachine. Hij heeft de zakken weggezet, waardoor een kleine doorgang ontstond. Bovenop de wasmachine lag een zwart buideltasje. In het tasje zat onder meer een rijbewijs op naam van [verdachte] en een sleutel, die op de voordeur bleek te passen.

Verbalisant [verbalisant 3] doorzocht de bovenverdieping. Er was een gesloten deur, waaruit een zacht brommend geluid kwam. Hij rook een penetrante en een zeer herkenbare geur van hennep. Door de ruitjes zag hij dat kamer geheel donker was. Hij kreeg een sleutel van collega [verbalisant 1], waarmee hij de kamer heeft opengemaakt. Tegen de muur hingen twee koolstoffilters. Op een plank lagen enkele doorzichtige plastic seal-bags. Hij herkende de inhoud van deze sealbags als delen van een hennepplant, te weten de toppen van een hennepplant. In deze kamer (“vacuümkamer”) stond een tafel met opstaande randen, die in een soort schenktuit naar beneden liepen. Verder stond er twee vacumeermachines. Op de vloer stonden enkele zakken met onder andere verpakkingsmateriaal ten behoeve van de hennep.

De inbeslaggenomen bloemtoppen en plantdelen zijn door verbalisant [verbalisant 2] nader onderzocht. De drugsidentificatietest gaf een positieve indicatie op de aanwezigheid van hennep. Het gewicht van de pure henneptoppen bedroeg 92,34 kilo. Het gewicht van de inhoud van vier zakken met een zogenaamd ‘halfproduct’ bedroeg 77,20 kilo. De inhoud bestond uit kleine bladdeeltjes, fijne stengeldelen en kleine stukjes bloemtoppen.

In de badkamer op de begane grond, waar de vier metalen kasten stonden, de kastenkamer, stonden zakken met verpakkingsmateriaal waarin hennep verpakt was geweest. Op één van deze zakken is een vingerafdruk van [medeverdachte 2] aangetroffen. In de slaapkamer aan de linkervoorzijde, de vacuümkamer, stonden enkele zakken met verpakkingsmateriaal, waarin ook hennep verpakt was geweest. Op deze zakken zijn vier vingerafdrukken van [medeverdachte 2] gevonden en eveneens een vingerafdruk van [verdachte].

In de auto van [medeverdachte 2] zijn handschoenen en fijnstoffilters aangetroffen. De handschoenen hadden de geur van hennep. De handschoenen zijn soortgelijk als die in de woning van [medeverdachte 1] aan de [adres] te [woonplaats] zijn aangetroffen. De fijnstoffilters kunnen gebruikt worden bij het soort mondmasker dat in de vacuümkamer is gevonden. [medeverdachte 2] heeft een setje sleutels van de woning van [medeverdachte 1]. De mobiele telefoon die in gebruik was bij [medeverdachte 2] heeft in de periode van 11 februari 2010 tot en met 9 maart 2010 38 keer de zendmast, die geplaatst is op de Oostkanaaldijk te Loenen aan de Vecht aangestraald. Deze zendmast staat hemelsbreed op een afstand van ongeveer 650 meter van de woning van [medeverdachte 1].

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij op het huis paste, waarin hij is aangehouden. Hij kreeg daar een bedrag voor. De in zijn woning bevindende producten werden afgeleverd door middel van verschillende busjes. Zijn stiefzoon [verdachte], verdachte, en [medeverdachte 2], die ook zijn opgepakt, wisten wat hij deed. Zij hebben dozen met hennep uit de bus binnen in zijn woning neergezet. In de dozen zat hennep. Andere mensen pakten de spullen in. De hennep werd opgeslagen in grote kasten met een slot. Het systeem van werken was dat de dozen rond 07.00-07.15 uur bij [medeverdachte 1] voor de deur werden gezet. [verdachte] wist dat er in de woning van zijn stiefvader hennep lag. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij wel eens dozen of zakken naar boven heeft gesjouwd en dat hij wist dat er hennep lag in de woning.

Bewijsoverwegingen

Binnentreden van de woning

In het geval er sprake zou zijn van een onrechtmatig binnentreden in de woning van medeverdachte [medeverdachte 1], zoals de raadsman heeft bepleit, valt niet in te zien welk rechtens te beschermen belang van de verdachte hierdoor is getroffen nu hij niet de bewoner is, zodat de resultaten van de inbeslagneming na doorzoeking tot het bewijs kunnen worden gebezigd. Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.

Medeplegen

De rechtbank acht niet aannemelijk dat verdachte en [medeverdachte 2] enkel geholpen hebben met het sjouwen van dozen en dat zij niet wisten dat er hennep in de dozen zat.

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat zijn stiefzoon, verdachte, en [medeverdachte 2] wisten wat hij deed.

Op 10 maart 2010 waren verdachte en [medeverdachte 2] ten tijde van het binnentreden samen in de woning van zijn stiefvader [medeverdachte 1] aanwezig. Zij waren echter niet aan het koffiedrinken, zoals zij het doel van hun bezoek omschreven. Verdachte kwam uit de kastenkamer vandaan en kon de sleutel van de afgesloten vacuümkamer aanleveren. In de kastenkamer waar de hennep op dat moment openlijk zichtbaar lag, zijn op een verhullende plek zijn persoonlijke spullen aangetroffen. In deze kamer zijn ook vingerafdrukken van [medeverdachte 2] aangetroffen. In de vacuümkamer, alwaar henneptoppen en ‘halfproduct’ hennep zijn aangetroffen, zijn vingerafdrukken van zowel [medeverdachte 2] als verdachte aangetroffen. Gelet op het feit dat in de auto van [medeverdachte 2] handschoenen zijn aangetroffen, die soortgelijk zijn aan die in de woning van [medeverdachte 1] zijn aangetroffen en filters passen bij het mondmasker op de vacuümkamer, en het feit dat de mobiele telefoon die in gebruik was bij [medeverdachte 2] in de periode van 11 februari 2010 tot en met 9 maart 2010 38 keer de zendmast, die op een afstand van ongeveer 650 meter van de woning van [medeverdachte 1], heeft aangestraald, acht de rechtbank niet aannemelijk dat [medeverdachte 2] enkel op bezoek kwam bij de stiefvader van verdachte en aldaar vriendendiensten deed, temeer nu hij een setje sleutels van de woning had.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de hierboven weergegeven gang van zaken dat verdachte en [medeverdachte 2] bij het aanwezig hebben van de hoeveelheid henneptoppen en ‘halfproduct’ in de woning van [medeverdachte 1] een zodanige rol hebben gespeeld dat er sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en volledige samenwerking bij de totstandkoming van het strafbare feit. Hierbij is mede rekening gehouden met de gedragingen buiten het tenlastegelegde tijdstip.

Gelet op hiervoor opgenomen feiten en omstandigheden -in onderling verband en samenhang bezien- is de rechtbank dan ook van oordeel dat verdachte samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] doelbewust 92,34 kilogram henneptoppen en 77,20 kilogram ‘halfproduct’ in de woning van [medeverdachte 1] voorhanden had.

Ten aanzien van feit 2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. Zij heeft hiervoor de feiten en omstandigheden van feit 1 hiervoor benoemd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen, nu er niets bekend is over de criminele organisatie, zoals de structuur hiervan.

Het oordeel van de rechtbank

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de in het dossier bevindende feitelijke gegevens onvoldoende basis vormen om te kunnen spreken van een bewijsbaar gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband tussen verdachte, medeverdachten en andere personen. Er bevinden zich in het dossier slechts aanwijzingen op grond waarvan gezegd zou kunnen worden dat het niet anders kan zijn dat er een criminele organisatie achter het aanleveren van de hennep bij de woning van verdachte schuilgaat. Dit is echter onvoldoende voor het aannemen van een criminele organisatie. De rechtbank is derhalve van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem onder 2 tenlastegelegde feit.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

hij op 10 maart 2010 te [woonplaats] tezamen en in vereniging met anderen,

opzettelijk aanwezig heeft gehad in een pand aan de

[adres] aldaar een grote hoeveelheid van (in totaal) ongeveer

92,34 kilogram henneptoppen en 77,20 kilogram "halfprodukt" hennep

(zijnde kleine bladdeeltjes en fijne stengeldelen en bloemtoppen,

telkens hennepprodukt), zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het onder 1 bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht, te weten feiten 1 en 2, gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat bij de bepaling van de hoogte van de op te leggen straf rekening dient te worden gehouden met de persoon van verdachte. Verdachte heeft

geen strafblad. Een gevangenisstraf, die gelijk is aan de duur van de tijd, die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht is hoogstens passend.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte. Verdachte heeft zich samen met zijn stiefvader en zijn vriend schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van een grote hoeveelheid softdrugs in de woning van zijn stiefvader. Softdrugs zijn stoffen die bij langdurig gebruik kunnen leiden tot schade voor de gezondheid. Dit is de reden dat de verstrekking van softdrugs aan banden is gelegd. Door de handelwijze van verdachte wordt dit restrictieve beleid doorkruist.

Anders dan de officier van justitie heeft de rechtbank niet bewezen geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan deelnemen aan een criminele organisatie. Hiermee is rekening gehouden bij de bepaling van de hoogte van de straf. De rol van verdachte en die van zijn vriend worden als gelijkwaardig beschouwd. Zij hadden een beperktere rol ten opzichte van zijn stiefvader. Zijn stiefvader was degene die zijn huis ter beschikking had gesteld als opslag- en overslagplaats van hennep. Ten voordele van verdachte is eveneens rekening gehouden met het feit dat hij niet eerder voor opiumdelicten is veroordeeld. Begeleiding of toezicht van de reclassering is volgens de reclassering niet geïndiceerd.

Alles afwegende, waarbij de strafoplegging in soortgelijke gevallen van voorhanden hebben van een dergelijke grote hoeveelheid softdrugs mede in aanmerking is genomen, is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, passend en geboden is.

7 Voorlopige hechtenis

De raadsman heeft ter terechtzitting verzocht om de voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen. De rechtbank oordeelt dat de ernstige bezwaren en de gronden die tot de voorlopige hechtenis van verdachte hebben geleid en deze tot op heden hebben doen voortduren, nog onverkort aanwezig zijn. In de onderhavige zaak doet zich niet het geval voor als bedoeld in artikel 67a, derde lid van het Wetboek van Strafvordering, zodat het verzoek wordt afgewezen.

8 Het beslag

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen. Anders dan de officier van justitie heeft betoogd, acht de rechtbank de op de beslaglijst onder 2 tot en met 14 genoemde voorwerpen niet vatbaar voor verbeurdverklaring, nu verdachte voor deelname aan een criminele organisatie wordt vrijgesproken.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c en 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3, 11, 13, 13a en 14 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 2 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart het onder 1 bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het onder 1 bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 9 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, die vermeld staan op de beslaglijst, te weten:

1 1 personenauto [kenteken], merk Seat Leon

2 1 blauwe mobiel, merk NOKIA

3 1 zwarte mobiel, merk NOKIA

4 1 zwarte mobiel, merk NOKIA

5 1 blauwe mobiel, merk NOKIA

6 1 zwarte mobiel, merk NOKIA

7 1 blauwe mobiel, merk NOKIA

8 1 blauwe mobiel, merk NOKIA

9 1 vodafone simkaart

10 1 GNANAM GTMOBILE simkaart

11 1 GNANAM GTMOBILE simkaart

12 1 GNANAM GTMOBILE simkaart

13 1 GNANAM GTMOBILE simkaart

14 1 simkaart

Dit vonnis is gewezen door mr. N.E.M. Kranenbroek, voorzitter, mr. H.A. Brouwer en

mr. Y.M.J.I. Baauw-de Bruijn, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.H.M. van Ek, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 1 juli 2010.