Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN2056

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
19-07-2010
Datum publicatie
22-07-2010
Zaaknummer
16-604149-09
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARN:2011:BQ4032, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor artikel 6 Wegenverkeerswet 1994.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2010/90
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummers: 16/604149-09 en 16/426733-08 (tul) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 19 juli 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1972] te [geboorteplaats]

wonende aan de [adres] te [woonplaats]

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 5 juli 2010, waarbij de officier van justitie en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair: met een motorrijtuig een ongeval heeft veroorzaakt, waarbij drie personen lichamelijk letsel hebben opgelopen;

subsidiair: met een motorrijtuig gevaar en/of hinder heeft veroorzaakt op de weg.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat verdachte zich zeer onvoorzichtig heeft gedragen in het verkeer en dat daardoor een verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan diverse mensen letsel is toegebracht.

4.2 Het standpunt van de verdachte

De verdachte heeft erkend dat het verkeersongeval aan zijn schuld te wijten is.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Op 22 januari 2009 heeft op de Doornseweg in Woudenberg een ongeval plaatsgevonden, waarbij vier personen, onder wie verdachte, lichamelijk letsel hebben opgelopen.

Om ter zake van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 tot een veroordeling te kunnen komen is vereist dat de verdachte zich roekeloos of zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend heeft gedragen.

Verdachte heeft met zijn bedrijfsauto een voor hem bekende route gereden. Ter plaatse gold een maximumsnelheid van 80 km/u. Verdachte reed met een snelheid van 85 tot 90 km/u. Zoals verdachte ook ter terechtzitting heeft verklaard, heeft hij ruim voor de kruising waar het ongeval heeft plaatsgevonden gezien dat het verkeerslicht voor zijn rijbaan oranje licht uitstraalde. Ondanks dat heeft verdachte een vrachtauto en twee personenauto’s in volle vaart is gepasseerd en de kruising is opgereden, waarbij hij zag dat een auto van rechts eveneens de kruising op kwam rijden. Verdachte heeft nog geprobeerd het slachtoffer [slachtoffer 1] te ontwijken, maar dit is niet gelukt. Hij heeft het voertuig van slachtoffer [slachtoffer 1] in de linkerflank geraakt.

Blijkens het proces-verbaal en het bijbehorende fasendiagram in samenhang met de verklaringen van andere weggebruikers heeft verdachte het rode verkeerslicht genegeerd.

Blijkens de verklaring van het slachtoffer [slachtoffer 1] en de zich in het dossier bevindende letselverklaring heeft zij licht schedel hersenletsel en een scapulafractuur opgelopen tengevolge van het ongeval.

Blijkens de medische informatie betreffende het slachtoffer [slachtoffer 2], passagier in het voertuig van [slachtoffer 1], heeft hij tengevolge van het ongeval whiplash letsel opgelopen.

Blijkens de medische informatie betreffende het slachtoffer [slachtoffer 3], zoon van verdachte en passagier in het voertuig van verdachte, heeft hij een gebroken duim en gekneusde ribben opgelopen tengevolge van het ongeval.

Verdachte wist dat hij een kruising naderde en het verkeerslicht op zijn rijbaan reeds oranje licht uitstraalde. Deze omstandigheid en het feit dat het donker en regenachtig weer was had de alertheid van verdachte moeten verhogen. Het oranje licht betekent immers: stop. In plaats daarvan is verdachte de kruising met onverminderde snelheid opgereden. Alleen bestuurders die het verkeerslicht zo dicht genaderd zijn dat stoppen redelijkerwijs niet meer mogelijk is, mogen doorgaan.

Verdachte had het rode verkeerslicht én de auto van het slachtoffer en haar vriend echter tijdig kunnen en moeten opmerken en had daarop moeten anticiperen. Ook naar zijn zoon toe heeft hij onverantwoord gehandeld. De jongen zat immers -evenals verdachte- zonder autogordel naast hem en verdachte liet zich door hem afleiden. De rechtbank is aldus van oordeel dat verdachte zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 22 januari 2009 te Woudenberg, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto), daarmede rijdende over de weg, de Doornseweg zich zodanig

heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend,

(terwijl ter plaatse een maximum snelheid van 80 kilometer per uur is

toegestaan)

met te hoge snelheid en zonder zijn snelheid te verminderen, meerdere voertuigen (waaronder een trekker met oplegger) te passeren welke voertuigen op de rechter rijstrook bestemd voor het rechtdoorgaande verkeer stil stonden voor het verkeerslicht dat rood licht uitstraalde voor het rechtdoorgaande verkeer

waarbij hij, verdachte deze stilstaande voertuigen passeerde over de linker

rijstrook welke rijstrook ook bestemd was voor het rechtdoorgaande verkeer

en (vervolgens) het voor hem bestemde rode verkeerslicht te negeren en de

kruising met de Zeisterweg op te rijden

waarbij hij, verdachte, op die kruising is gebotst tegen een van rechts komende personenauto waarvan de bestuurster die kruising was opgereden terwijl het voor haar bestemde verkeerslicht groen licht uitstraalde

waardoor

- de bestuurster van die personenauto genaamd [slachtoffer 1], licht schedel/hersenletsel en een scapulafractuur bekwam en

- de passagier van [slachtoffer 1], genaamd [slachtoffer 2], whiplash letsel van de nek bekwam en

- de passagier van verdachte, genaamd [slachtoffer 3], een gebroken duim en

gekneusde ribben bekwam

en aldus aan hen zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit

tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden

is ontstaan.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht, meermalen gepleegd.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis. Tevens heeft de officier van justitie gevorderd aan verdachte op te leggen een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs van verdachte reeds ingehouden is geweest.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdachte heeft zich niet uitgelaten over een op te leggen straf. Hij heeft verklaard dat hij zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werkzaamheden als ZZP-er, doch dat hij meestal samen met een collega werkt, die ook over een rijbewijs beschikt.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft een zeer ernstig verkeersongeluk veroorzaakt waarbij meerdere slachtoffers lichamelijk letsel hebben opgelopen.

Uit de verklaring van verdachte en verklaringen van getuigen blijkt dat verdachte met een aanzienlijke snelheid de kruising is opgereden en door rood is gereden. De rechtbank is van oordeel dat de snelheid van verdachte op het moment dat hij door rood reed, gelet op de verkeerssituatie ter plaatse en het feit dat verdachte daar bekend was, aanmerkelijk te hoog was. Voorts blijkt uit de verklaring van verdachte dat hij met andere dingen bezig was en zijn aandacht niet geheel bij het verkeer had.

De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat verdachte zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden. De rechtbank rekent verdachte dit aan.

Het LOVS-uitgangspunt voor het veroorzaken van een verkeersongeval door een grove verkeersfout waarbij sprake is van één slachtoffer met lichamelijk letsel/tijdelijke ziekte is 3 weken gevangenisstraf en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van 6 maanden.

Het LOVS-uitgangspunt voor het veroorzaken van een verkeersongeval door een grove verkeersfout waarbij sprake is van één slachtoffer met zwaar lichamelijk letsel is 2 maanden gevangenisstraf en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van 1 jaar.

De rechtbank overweegt dat het ongeval ernstige gevolgen heeft gehad voor de slachtoffers. Het slachtoffer [slachtoffer 1] heeft tengevolge van het ongeval blijvend hersenletsel opgelopen. Zoals uit de op de terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring blijkt, ondervindt [slachtoffer 1] dagelijks de ingrijpende gevolgen van het ongeval. Zij is, meer dan anderhalf jaar na het ongeval, nog steeds arbeidsongeschikt is en blijkt blijvend hersenletsel te hebben opgelopen.

Slachtoffer [slachtoffer 2] heeft gedurende enige tijd fysiotherapeutische behandelingen ondergaan. De vechtsport die hij voor het ongeval beoefende zal hij de rest van zijn leven niet meer kunnen uitvoeren.

[slachtoffer 3], de toen 14-jarige zoon van verdachte, heeft ruim twee maanden rondgelopen met een brace in verband met zijn gebroken duim. Hij heeft gelukkig geen blijvend letsel opgelopen.

Met betrekking tot het opleggen van na te melden ontzegging van de rijbevoegdheid heeft de rechtbank nog in het bijzonder overwogen.

Verdachte is ernstig tekort geschoten in zijn verantwoordelijkheden als verkeersdeelnemer. Naar het oordeel van de rechtbank komt de ernst van het bewezenverklaarde onvoldoende tot uitdrukking in de duur van de door de officier van justitie gevorderde ontzegging van de rijbevoegdheid. De omstandigheden waaronder het verkeersongeval heeft plaatsgevonden rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank een langere ontzegging van de rijbevoegdheid dan door de officier van justitie is geëist.

Naar het oordeel van de rechtbank kan voor een feit, zoals in deze zaak bewezen is verklaard, niet worden volstaan met het opleggen van een betrekkelijk korte en zelfs gedeeltelijk voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid. Dat zou een miskenning van de ernst en de gevolgen van dat feit zijn. Voor één van de slachtoffers, te weten [slachtoffer 1], heeft het ongeval zwaar lichamelijk letsel tengevolge gehad.

Daarom zal de rechtbank, hoewel tijdelijke ziekte als gevolg is tenlastegelegd en bewezenverklaard, bij de oplegging van de ontzegging van de rijbevoegdheid ook de oriëntatiepunten van het LOVS voor zwaar lichamelijk letsel hanteren.

De rechtbank heeft voorts rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 18 mei 2008, waaruit blijkt dat de verdachte tweemaal eerder is geverbaliseerd wegens grove overschrijding van de maximum snelheid en daarvoor is veroordeeld door de kantonrechter op 27 november 2008 tot een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid. De proeftijd was zelfs pas ingegaan zeer kort voor het onderhavige ongeval.

7 De benadeelde partij

7.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe te wijzen tot een bedrag van € 163,57 en voor het overige de vordering niet ontvankelijk te verklaren.

7.2 Het standpunt van de verdachte

De verdachte heeft zich niet uitgelaten over de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2].

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een materiele schadevergoeding van

€ 563,57.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 363,57 een rechtstreeks gevolg is van dit bewezenverklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen. De rechtbank merkt hierbij op dat zij, mede rekening houdend met de afschrijving, een bedrag van € 200,- voldoende aannemelijk acht ter vergoeding van de schade aan de kleding.

Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering omdat de vordering niet voldoende aannemelijk is gemaakt. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

8 De vordering tot tenuitvoerlegging

8.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijk opgelegde ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 4 maanden, die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Utrecht van 27 november 2008 ten uitvoer zal worden gelegd.

8.2 Het standpunt van de verdachte

De verdachte heeft zich niet uitgelaten over de vordering tot tenuitvoerlegging.

8.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit, zijnde overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14g, 22c, 22d, 36f en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straf

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 80 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 dagen;

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 12 maanden;

- bepaalt dat de tijd dat het rijbewijs van verdachte reeds is ingehouden in mindering wordt gebracht op het onvoorwaardelijke deel van de rijontzegging;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van

€ 363,57 ter zake van de materiële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2], € 363,57 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 7 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 16/426733-08

Gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 4 maanden.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Grapperhaus, voorzitter, mrs. M.J. Veldhuijzen en J.D.E. Brouwer-Poederbach, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.C.J. van der Heijden, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 19 juli 2010.