Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN2041

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
01-07-2010
Datum publicatie
21-07-2010
Zaaknummer
16-600278-10 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft samen met een ander een persoon gedwongen zijn fiets af te geven. Een gevangenisstraf van 9 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met verplicht reclasseringstoezicht is passend en geboden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600278-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 1 juli 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1988] te [geboorteplaats]

thans gedetineerd in de P.I. Utrecht, Huis van Bewaring, locatie Wolvenplein

raadsvrouw, mr. M.P. Hilhorst, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 17 juni 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

De zaak is gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte] (parketnummer 16/600279-10).

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

samen met een medeverdachte een ander heeft afgeperst en/of zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal in vereniging met geweld.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan afpersing en baseert zich daarbij op de verklaring van verdachte zelf en de aangifte van [slachtoffer].

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen opmerkingen ten aanzien van feit 1 gemaakt.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het feit, medeplegen van afpersing, wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de terechtzitting van 17 juni 2010;

- de aangifte van [slachtoffer], opgenomen op pagina 34-37 van het proces-verbaal dossiernummer PL0960 2010067428-06, van politie regio Utrecht, in de wettelijke vorm opgemaakt en doorgenummerd van 1 tot en met 93.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat

hij op 14 maart 2010 te Nieuwegein tezamen en in vereniging met een ander

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door

geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de

afgifte van een fiets, toebehorende

aan die [slachtoffer], welk geweld en welke bedreiging met geweld bestonden in:

- het insluiten van die [slachtoffer] en vervolgens het vastgrijpen van de

stuur van de fiets van die [slachtoffer] en het tot stoppen dwingen van die

[slachtoffer] en/of vervolgens

- het tonen van een mes en het bewegen van een mes in de richting van het

lichaam van die [slachtoffer] en daarbij die [slachtoffer] dreigend

de woorden toegevoegd: "maak je zakken leeg", en vervolgens

- het vastpakken van die [slachtoffer] en

- het achterop de fiets zitten van die [slachtoffer] en vervolgens daarop

wegfietsen.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

medeplegen van afpersing.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 200 dagen waarvan 100 dagen voorwaardelijk, waarvan de proeftijd 2 jaar bedraagt, met als bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringstoezicht.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit om een deels voorwaardelijke straf op te leggen, waardoor verdachte reeds op 22 juni 2010 in vrijheid wordt gesteld, zodat haar cliënt in de gelegenheid wordt gesteld om naar de inschrijfdag van zijn school te gaan.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft samen met een ander een persoon gedwongen zijn fiets af te geven. Verdachte en zijn mededader zijn er niet van teruggeschrokken bedreigingen te uiten. Zij hebben onder meer die persoon met een mes bedreigd. Verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan een ernstig misdrijf. Voor het onderhavige feit komt dan ook alleen een gevangenisstraf in aanmerking. De door de officier van justitie gevorderde straf en de door de raadsvrouw bepleite straf doen geen recht aan de ernst van het feit.

Ten nadele van verdachte heeft de rechtbank meegewogen dat hij – ondanks zijn jonge leeftijd – al meermalen is veroordeeld voor vermogensdelicten.

Ten voordele van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op de omstandigheid dat verdachte niet eerder voor geweldsdelicten is veroordeeld. Daarnaast heeft de rechtbank gelet op de positieve houding van verdachte. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij inziet dat hij fout bezig is geweest en dat er verandering dient plaats te vinden. Hij beseft dat een daginvulling belangrijk is en is voornemens om weer naar school te gaan. De rechtbank zal een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen, met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht opdat verdachte hulp en steun kan krijgen en de kans op recidive kan worden verminderd.

De rechtbank acht een gevangenisstraf van 9 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met de hierboven genoemde bijzondere voorwaarde, passend en geboden. De proeftijd bedraagt 2 jaar.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 47 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

medeplegen van afpersing;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 9 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland;

*dat verdachte zich bij de reclassering meldt zo dikwijls als die instelling dit nodig vindt.

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Dit vonnis is gewezen door mr. Y.M.J.I. Baauw, voorzitter, mr. N.E.M. Kranenbroek

en mr. H.A. Brouwer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.H.M. van Ek, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 1 juli 2010.