Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN2035

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
01-07-2010
Datum publicatie
21-07-2010
Zaaknummer
16/600279-10 [P], 16/6026020-07 (tul) en 16/601227-09 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft samen met een ander een persoon gedwongen zijn fiets af te geven. Ongeveer twee maanden hiervoor heeft hij zich alleen schuldig gemaakt aan afpersing. Een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600279-10 [P], 16/6026020-07 (tul) en 16/601227-09 (tul)

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 1 juli 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1990] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats]

thans gedetineerd in de P.I. Utrecht, Huis van Bewaring, locatie Wolvenplein

raadsman mr. P.F. Emmelot, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 17 juni 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter terechtzitting zijn ook de vorderingen tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermelde parketnummers.

De zaak is gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de zaak tegen [medeverdachte] (16/600278-10)

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging, die ter terechtzitting tweemaal is gewijzigd, is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: samen met een medeverdachte een ander heeft afgeperst en/of zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal in vereniging met geweld;

feit 2: een ander heeft afgeperst en/of zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal met geweld.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs ten aanzien van feit 1

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan afpersing en baseert zich daarbij op de verklaring van verdachte zelf en de aangifte van [slachtoffer 1].

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen opmerkingen ten aanzien van feit 1 gemaakt.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht feit 1, medeplegen van afpersing, wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de terechtzitting van 17 juni 2010;

- de aangifte van [slachtoffer 1], opgenomen op pagina 34-37 van het proces-verbaal dossiernummer PL0960 2010067428-06, van politie regio Utrecht, in de wettelijke vorm opgemaakt en doorgenummerd van 1 tot en met 93.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij een mes aan [slachtoffer 1] heeft getoond, maar dat hij hierbij geen bedreigingen heeft geuit. Ook heeft verdachte ontkend te hebben gezegd: “Maak je zakken leeg”. Nu verdachte wel heeft erkend dat hij een mes heeft getoond en daarbij woorden heeft gezegd als “geef je fiets” ziet de rechtbank geen reden te twijfelen aan de overige inhoud van de aangifte van [slachtoffer 1].

5 De beoordeling van het bewijs ten aanzien van feit 2

5.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan afpersing van [slachtoffer 2]. Zij hecht echter omtrent de plaatsgevonden handelingen meer waarde aan de verklaring van verdachte ter terechtzitting dan de verklaring van aangever, nu aangever, gelet op zijn strafblad waarop straatroven staan vermeld, zelf ook geen schone lei heeft. Er dient dan ook bij de bewezenverklaring van de handelingen en de gestolen goederen van de verklaring van verdachte te worden uitgegaan.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen opmerkingen ten aanzien van feit 2 gemaakt.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht feit 2, afpersing, wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de terechtzitting van 17 juni 2010;

- de aangifte van [slachtoffer 2], opgenomen op pagina 81-86 van het proces-verbaal dossiernummer PL0960 2010067428-06, van politie regio Utrecht, in de wettelijke vorm opgemaakt en doorgenummerd van 1 tot en met 93.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat uitgegaan dient te worden van de verklaring van verdachte omtrent de plaatsgevonden handelingen en weggenomen goederen. Er zijn geen medische gegevens omtrent eventueel opgelopen letsel van [slachtoffer 2] in het dossier voorhanden, zodat onvoldoende steun aanwezig is voor de geweldshandelingen, waarover [slachtoffer 2] heeft verklaard en die verdachte heeft ontkend. Van deze geweldshandelingen wordt verdachte dan ook vrijgesproken. De rechtbank acht wel bewezen dat verdachte heeft bedreigd met geweld.

6 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 14 maart 2010 te Nieuwegein tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door

geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de

afgifte van een fiets, toebehorende aan die [slachtoffer 1],

welk geweld en welke bedreiging met geweld bestonden in:

- het insluiten van die [slachtoffer 1] en vervolgens het vastgrijpen van de

stuur van de fiets van die [slachtoffer 1] en het tot stoppen dwingen van die

[slachtoffer 1] en/of vervolgens

- het tonen van een mes en het bewegen van een mes in de richting van het

lichaam van die [slachtoffer 1] en daarbij die [slachtoffer 1] dreigend

de woorden toegevoegd: "maak je zakken leeg", en vervolgens

- het vastpakken van die [slachtoffer 1] en

- het achterop de fiets zitten van die [slachtoffer 1] en vervolgens daarop

wegfietsen.

2.

op 16 januari 2010 te Nieuwegein, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld en een ID-kaart, toebehorende aan die [benadeelde], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte,

- die [slachtoffer 2] agressief en bedreigend heeft benaderd en toegesproken en heeft geëist dat hij goederen zou afgeven.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

7 De strafbaarheid

7.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

feit 1: medeplegen van afpersing;

feit 2: afpersing.

7.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

8 De strafoplegging

8.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 9 maanden, met aftrek van de tijd, die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Hoewel voor verdachte behandeling bij de forensische GGZ kliniek ‘Groot Batelaar’, zoals door GZ-psycholoog drs. T. van Overveld is geadviseerd, het beste is, heeft de officier van justitie ervoor gekozen niet een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf met een dergelijke bijzondere voorwaarde te vorderen nu verdachte niet bereid is mee te werken aan behandeling in ‘Groot Batelaar’. Nu de reclassering ambulante behandeling niet ziet zitten, heeft zij evenmin reclasseringstoezicht gevorderd.

8.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, waarbij het onvoorwaardelijk gedeelte gelijk is aan de duur, die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Hij heeft bepleit als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht op te leggen, ook als dit inhoudt behandeling bij De Waag. Een dergelijke voorwaarde is door de politierechter Utrecht op 3 februari 2010 opgelegd, maar door detentie is hieraan nog geen enkel gevolg gegeven.

8.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft samen met een ander een persoon gedwongen zijn fiets af te geven. Verdachte en zijn mededader zijn er niet voor teruggeschrokken bedreigingen te uiten. Zij hebben onder meer die persoon met een mes bedreigd. Ongeveer twee maanden voor deze afpersing heeft verdachte zich alleen schuldig gemaakt aan afpersing. Hij heeft een jongen agressief en bedreigend benaderd. Vervolgens heeft hij geëist dat de jongen geld en een ID-kaart zou afgeven. Verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan een tweetal ernstige misdrijven. Uit zijn strafblad volgt dat hij eerder is veroordeeld voor diefstallen en openlijk geweld. Zo is verdachte nog op 3 februari 2010 –zijnde kort voor het onder 1 tenlastegelegde feit- veroordeeld door de politierechter te Utrecht voor diefstal en openlijke geweldpleging. Voor de onderhavige feiten komt dan ook alleen een gevangenisstraf in aanmerking. Er kan, anders dan de raadsman heeft bepleit, niet worden volstaan met een onvoorwaardelijk deel dat gelijk is aan de duur van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

De rechtbank heeft acht geslagen op het pro justitie rapport van GZ-psycholoog, drs. T. van Overveld, gedateerd 9 mei 2010. Uit dit rapport komt naar voren dat bij verdachte sprake is van cannabisafhankelijkheid en mogelijk misbruik van alcohol. Daarnaast is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een persoonlijkheids-stoornis NAO (niet anderszins omschreven) met antisociale en narcistische trekken. Van deze stoornis was sprake ten tijde van het onder 1 tenlastegelegde feit. Psycholoog Van Overveld adviseert verdachte als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

Gelet op voorgaande inhoud van het rapport is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 bewezenverklaarde feit verdachte niet ten volle kan worden toegerekend. Dit gegeven is betrokken bij de bepaling van de hoogte van de straf.

Volgens Psycholoog Van Overveld is behandeling geïndiceerd is om het probleem- en zelfinzicht van verdachte te vergroten, zodat de kans op recidive wordt verkleind. Hij heeft geadviseerd een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht en het volgen van een klinische behandeling. Bij voorkeur dient klinische behandeling bij een forensische GGZ kliniek als ‘Groot Batelaar’ plaats te vinden.

Reclasseringswerkster M. de Klerk, die belast is met de begeleiding van verdachte, is ter terechtzitting als getuige-deskundige gehoord. Zij heeft verklaard dat er een toename in ernst van strafbare feiten zichtbaar is, hetgeen zorgelijk is. Met de psycholoog is zij van mening dat behandeling geboden is. Behandeling bij ‘Groot Batelaar’ heeft echter geen kans van slagen, nu de vereiste motivatie van verdachte hiervoor ontbreekt. Gelet op de eerdere ervaringen van reclasseringsbegeleiding wordt van begeleiding en behandeling in een ambulant kader geen resultaat verwacht.

Met de psycholoog en de reclasseringswerker is de rechtbank van oordeel dat behandeling dient plaats te vinden teneinde de kans op recidive te verkleinen. Gelet op het ontbreken van motivatie van verdachte voor behandeling bij ‘Groot Batelaar’ kan opname bij deze kliniek niet plaatsvinden. Nu eerdere behandeling bij De Waag niet van de grond is gekomen en verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij bereid is mee te werken aan behandeling bij De Waag of een andere instelling zoals Kade 17, zal de rechtbank een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, ook als dit inhoudt het volgen van behandeling bij De Waag. Verdachte wordt een laatste kans geboden en doet er dus verstandig aan om zich volledig in te zetten voor deze behandeling.

Een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden, wordt passend en geboden geacht.

9 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding van € 1.239,= voor feit 2.

De gevorderde schade bestaat uit:

- een gouden ketting € 850,=

- een ID-bewijs ± € 30,=

- contant geld € 40,=

- een portemonnee € 19,=

- immateriële schade € 300,=

9.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie acht € 70,= voor geleden materiële schade, bestaande uit de ID-kaart en contant geld, en € 150,= voor geleden immateriële schade toewijsbaar met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige dient de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

9.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat enkel een schadevergoeding voor de ID-kaart en contant geld kan worden toegewezen.

9.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag van € 50,= een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, bestaande uit € 30,= voor verlies van de ID-kaart en € 20,= voor verlies van contant geld. Bij bepaling van de hoogte van laatstgenoemd bedrag is uitgegaan van de verklaring van verdachte dat hij een briefje van

€ 20,= van [slachtoffer 2] heeft gekregen. Het gevorderde is dus tot het bedrag van € 50,= voldoende aannemelijk gemaakt en de rechtbank zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering omdat de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

10 De vorderingen tot tenuitvoerlegging

10.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat een gedeelte van de voorwaardelijke gevangenisstraf die is opgelegd aan verdachte in de zaak met parketnummer 16/602602-07 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten 120 dagen, waarbij deze straf wordt omgezet in een werkstraf voor de duur van 240 uren. Voor het restant van 40 dagen gevangenisstraf dient de proeftijd te worden verlengd met een termijn van 1 jaar. Ten aanzien van de voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden die is opgelegd aan verdachte in de zaak met parketnummer 16/601227-09 dient eveneens de proeftijd te worden verlengd met 1 jaar.

10.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat in de zaak met parketnummer 16/602602-07 bij de omzetting in een werkstraf rekening dient te worden gehouden met het feit dat de politierechter in de rechtbank Utrecht op 3 februari 2010 verdachte al 200 uren werkstraf heeft opgelegd. Gelet hierop dient matiging plaats te vinden.

10.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 16/602602-07 worden toegewezen. Nu verdachte door de politierechter in de rechtbank Utrecht op 3 februari 2010 een werkstraf van 200 uren opgelegd heeft gekregen, en bij dit vonnis eveneens de tenuitvoerlegging van 30 dagen jeugddetentie, die in 60 uren werkstraf is omgezet, is bevolen, acht de rechtbank omzetting in een werkstraf van 240 uren, zoals door de officier van justitie is gevorderd, niet passend.

De rechtbank zal in de zaak met parketnummer 16/601227-09 niet een last tot tenuitvoerlegging geven, maar zal beslissen tot verlenging van de proeftijd met een jaar. Verdachte kan aldus laten zien dat hij in staat is zijn leven op de rails te krijgen.

11 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14f, 14g, 47, 57 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

- verklaart verdachte strafbaar;

feit 1: medeplegen van afpersing;

feit 2: afpersing.

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland, unit Utrecht, ook als dit inhoudt een behandeling bij het Centrum voor ambulante forensische psychiatrie De Waag of soortelijke instelling.

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarde;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Vorderingen tenuitvoerlegging

- gelast dat van het gedeelte van de voorwaardelijke gevangenisstraf, die bij vonnis d.d. 6 mei 2008 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 16/602602-07, het gedeelte dat nog niet ten uitvoer is gelegd, ten uitvoer zal worden gelegd, te weten: 160 dagen gevangenisstraf.

- wijst de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak onder parketnummer 16/601227-09 af, maar verlengt de proeftijd met 1 jaar;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van € 50,= ter zake van materiële schade.

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 2], € 50,= te betalen, bij niet betaling te vervangen door 1 dag hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. Y.M.J.I. Baauw-de Bruijn, voorzitter, mr. N.E.M. Kranenbroek en mr. H.A. Brouwer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.H.M. van Ek, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 1 juli 2010.