Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN2033

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
01-07-2010
Datum publicatie
21-07-2010
Zaaknummer
16/600263-10 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overval op een cafetaria. In de persoon van verdachte wordt aanleiding gezien om tot een lagere straf te komen dan bij zijn mededaders: een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600263-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 1 juli 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1989] te [geboorteplaats]

thans gedetineerd in Huis van Bewaring Doetinchem te Doetinchem

raadsman mr. R.F. Vogel, advocaat te Leusden

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 17 juni 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

De zaak is gelijktijdig, maar niet gevoegd behandeld, met de zaken tegen medeverdachten [medeverdachte 1][medeverdachte 2] onder parketnummer 16/600264-10 en [medeverdachte 2] onder parketnummer 16/600265-10.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met zijn medeverdachten een cafetaria heeft overvallen.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit samen met de medeverdachten heeft begaan. Volgens de officier van justitie dient een hoeveelheid geld te worden bewezen verklaard.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen opmerkingen omtrent het tenlastegelegde feit.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 17 juni 2010;

- de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1][medeverdachte 2], opgenomen op pagina 90-92 van het proces-verbaal dossiernummer 2010060535, van politie regio Utrecht, in de wettelijke vorm opgemaakt en doorgenummerd van 1 tot en met 100;

- de aangifte van [slachtoffer], opgenomen op pagina 49-53 van het proces-verbaal dossiernummer 2010060535, van politie regio Utrecht, in de wettelijke vorm opgemaakt en doorgenummerd van 1 tot en met 100.

Bewijsoverweging

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat bewezen dient te worden verklaard dat in plaats van een geldbedrag van ongeveer 600 euro een hoeveelheid geld is weggenomen, omdat niet door kascontrole of anderszins is komen vast dat de gehele omzet van ongeveer 600 euro, die in de kassa zat, is weggenomen. De rechtbank zal een op een vuurwapen gelijkend voorwerp bewezen verklaren, nu het een balletjespistool betrof volgens de verklaring van de medeverdachte, [medeverdachte 1][medeverdachte 2]. Van het gedeelte van de tenlastelegging, dat de dader(s) die [slachtoffer] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft/hebben getoond, zal de rechtbank verdachte vrijspreken, nu dit niet expliciet uit de aangifte volgt.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

hij op 08 maart 2010 te Utrecht, tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid geld,

toebehorende aan [slachtoffer], welke diefstal werd vergezeld

van bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het

oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken welke bedreiging met geweld

hierin bestond dat hij, verdachte en/of zijn mededaders

- de cafetaria van die [slachtoffer] zijn binnengegaan en

- daarbij (op luide toon) heeft/hebben gezegd:"Ik heb een

pistool, de kassa open, ik heb een pistool", en

- vervolgens het op een vuurwapen gelijkende

voorwerp, op/tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft/hebben gezet en gehouden

en vervolgens die [slachtoffer] heeft/hebben gedwongen

de kassa te openen en vervolgens zelf de kassa hebben open

getrokken en het geld uit de kassa hebben gepakt.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

Diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is psychiatrisch onderzocht door psychiater drs. M.L.I.M. van Thiel. Van Thiel heeft in zijn rapport van 8 juni 2010 geconcludeerd dat verdachte lijdende is aan een ziekelijke stoornis, in de zin van stoornis in zijn impulscontrole en in de zin van verslaving aan cannabis. Voorts is hij lijdende aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de zin van zwakbegaafdheid. Bij het plegen van de feiten had hij vooral een rol als meeloper en kon hij, beïnvloedbaar als hij is ten gevolge van zijn zwakbegaafdheid, zich moeilijk onttrekken aan de verlokking om op deze wijze aan zijn geld te komen. De psychiater acht verdachte daardoor voor de tenlastegelegde feiten in verminderde mate toerekeningsvatbaar.

De rechtbank neemt deze conclusie over en maakt die tot de hare.

De rechtbank constateert dat uit voornoemde rapportage of anderszins niet is gebleken van een omstandigheid die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is aldus strafbaar.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte, gelet op de ernst van het strafbare feit en gelet op het geldende uitgangspunt dat in zijn algemeenheid een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 4 jaar op zijn plaats is bij een gewelddadige overval, een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk op te leggen. Volgens de officier van justitie geldt in het onderhavige geval “gelijke monniken, gelijke kappen”.

In de persoon van verdachte ziet de officier van justitie geen aanleiding om een lagere straf op te leggen.

Zij heeft gevorderd dat naast verplicht reclasseringscontact overeenkomstig het advies van de psychiater en de reclassering als bijzondere voorwaarden worden gesteld: opname in een forensische kliniek, vóór of na deze opname behandeling in een aan te wijzen forensische psychiatrische instelling, opname in een instelling voor begeleid wonen en meldingsgebod. Gelet op de wachtlijsten dient de voorwaarde van opname in een forensische kliniek aldus te worden geformuleerd dat verdachte zich vóór of na de opname in een forensische kliniek gedurende de termijn van één jaar of zoveel korter als wenselijk wordt geacht laat behandelen in een forensische psychiatrische behandeling of in plaats van opname in de forensische kliniek zich laat behandelen in een forensische psychiatrische behandeling.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat, gelet op de persoon van zijn cliënt, aan verdachte een lagere straf dient te worden opgelegd dan de straf die aan de medeverdachten wordt opgelegd. De overval is op vrij amateuristische wijze gepleegd. De rol van verdachte is beperkt geweest. Door zijn zwakbegaafdheid kon hij de draagwijdte van zijn handelen niet overzien en was hij sterk beïnvloedbaar. Er dient een vrijheidsstraf van zo kort mogelijke duur of met een zo lang mogelijk voorwaardelijk gedeelte te worden opgelegd. Hij heeft verzocht de bijzondere voorwaarde van opname in een forensische klinische kliniek niet op te leggen, omdat verdachte hier niets voor voelt.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich samen met een vriend en de broer van die vriend schuldig gemaakt aan een overval op een cafetaria. Zijn vriend is als eerste de cafetaria ingegaan en heeft daarbij op luide toon tegen de eigenaar gezegd dat hij zijn kassa moest openen. Vervolgens heeft hij een balletjespistool op het hoofd van de eigenaar gezet teneinde hem te dwingen de kassa te openen. Vervolgens kwamen verdachte en de broer van zijn vriend binnen. Op een gegeven moment kwam de vrouw van de eigenaar naar beneden, zodat zij ook getuige is geweest van hetgeen gebeurde. Verdachte en zijn mededaders zijn er met een hoeveelheid geld vandoor gegaan.

Aangenomen kan worden dat de eigenaar en zijn vrouw door het gebeurde ernstig zijn geschokt. Dat er niet gebruik is gemaakt van een echt vuurwapen, maar een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, te weten een balletjespistool, doet aan de ernst van het feit niet af. De eigenaar dacht dat het om een echt vuurwapen ging nu het koud aanvoelde op zijn hoofd en de medeverdachte –aldus aangever- bij binnenkomst in het cafetaria riep “ik heb een pistool”. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij wist dat zijn vriend een pistool had meegenomen. Uit het meebrengen van het pistool volgt dat het de bedoeling was om een forse beroving te plegen. Eerst is nog gekeken of bij een nabijgelegen pinautomaat een beroving kon plaatsvinden. Vervolgens is besloten om de cafetaria in te gaan. De rechtbank vindt het, gelet op deze planning, onbegrijpelijk dat verdachten de overval zien als een “impulsieve daad”.

Verdachte is ten behoeve van zijn eigen financiële gewin volledig voorbij gegaan aan het leed dat en de angst die hij daarmee bij anderen veroorzaakt. Hij heeft door zijn handelen bijgedragen aan de gevoelens van onveiligheid die bij de slachtoffers in het bijzonder en bij de maatschappij in het algemeen door dergelijke feiten worden gewekt. Het is algemeen bekend dat slachtoffers van een gewapende overval nog lange tijd angstgevoelens kunnen ondervinden. Het betreft een feit dat zo ernstig is en voor de direct betrokkenen en samenleving zo verontrustend dat alleen een vrijheidsbenemende straf in aanmerking komt. De door de officier van justitie gevorderde straf is dan ook voorstelbaar. Bij de strafoplegging dient echter ook rekening te worden gehouden met de persoon van verdachte.

Door psychiater Van Thiel is onderzoek gedaan naar de geestvermogens van verdachte. Naast hetgeen daarover reeds onder 5.2 is vermeld, acht de rechtbank daaromtrent nog het volgende van belang. Op grond van zijn zwakbegaafdheid kon verdachte in mindere mate beslissingen nemen, die stoelen op verstandelijk inzicht. Hij heeft minder inzicht in concrete situaties. De cannabisverslaving heeft bij zijn zwakbegaafdheid een sterkere ondermijnende werking op zijn oordeelsvermogen. Verdachte is sterk beïnvloedbaar. Hij had vooral een rol van meeloper.

In de persoon van verdachte ziet de rechtbank, anders dan de officier van justitie, aanleiding om tot een lagere straf te komen dan bij zijn mededaders. Een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, is passend en geboden.

Psychiater Van Thiel heeft in zijn rapport overwogen dat een klinische behandeling bij De Hanzeborg of Hoeve Boschoord de voorkeur geniet. Gezien de tijdrovendheid van een traject voor plaatsing in een dergelijke instelling, waarbij de kans bestaat dat betrokkene een lange tijd zonder geboden externe structuur komt, heeft hij geadviseerd dat verdachte in een woongroep met 24-uursbegeleiding wordt geplaatst en dat behandeling bij de polikliniek Kairos of een soortgelijke instelling wordt voortgezet.

De rechtbank acht het stellen van de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich laat opnemen in een forensische klinische instelling, anders dan de officier van justitie, niet passend, omdat hiervoor een lange wachttijd bestaat en op dit moment ook nog niet duidelijk is in welke kliniek de verdachte geplaatst zal worden, laat staan of verdachte een positieve intake zal doormaken en hoe lang een behandeling zal duren. Ter vermindering van het recidivegevaar wordt dan ook volstaan met de voorwaarde dat verdachte dient mee te werken aan opname in een nader te bepalen 24-uursinstelling voor begeleid wonen. Daarnaast zal de rechtbank overeenkomstig het reclasseringsadvies van 10 juni 2010 verplicht reclasseringstoezicht opleggen, ook als dit inhoudt meewerken aan een behandeling bij de polikliniek Kairos of een soortgelijke instelling, en een meldingsgebod. De proeftijd bedraagt 2 jaar.

7 Het beslag

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat zij kort voor de zitting beslist heeft dat de onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen met uitzondering van het geld aan verdachte dienen te worden teruggegeven, zodat hierover geen beslissing behoeft te worden genomen. Het inbeslaggenomen geld is reeds aan aangever teruggeven, zodat hierover eveneens geen beslissing door de rechtbank behoeft te worden gegeven.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om wel een beslissing te nemen over de inbeslaggenomen voorwerpen, nu het onder verdachte inbeslaggenomen geld niet afkomstig is van de overval, maar van de bewindvoerder van verdachte.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De officier van justitie heeft ter terechtzitting meegedeeld dat zij reeds een beslissing omtrent de inbeslaggenomen voorwerpen heeft genomen, zijnde teruggave aan verdachte en aangever. Gelet op artikel 353, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, behoeft de rechtbank geen beslissing te nemen omtrent de inbeslaggenomen voorwerpen, nu er door de officier van justitie een last tot teruggave met betrekking tot deze voorwerpen is gegeven.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland, unit Zutphen, ook als dit inhoudt meewerken aan behandeling bij de polikliniek Kairos of een soortgelijke instelling;

* dat verdachte zich bij de reclassering meldt zo dikwijls als die instelling dit nodig vindt;

* dat verdachte zal meewerken aan plaatsing in een 24-uursinstelling voor begeleid wonen.

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.P. Schotman, voorzitter, mr. H.A. Brouwer en

mr. Y.M.J.I. Baauw-de Bruijn, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.H.M. van Ek, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 1 juli 2010.