Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN2025

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
01-07-2010
Datum publicatie
21-07-2010
Zaaknummer
16-600264-10 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overval op een cafetaria. Er is met de persoonlijke omstandigheden van verdachte in enige mate rekening gehouden waardoor een groter gedeelte van de gevangenisstraf, anders dan de officier van justitie, voorwaardelijk wordt opgelegd: een gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600264-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 1 juli 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1989] te [geboorteplaats]

thans gedetineerd in de P.I. Utrecht, Huis van Bewaring, locatie Wolvenplein

raadsman mr. P.G.M. Lodder, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 17 juni 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

De zaak is gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de zaken tegen medeverdachten [medeverdachte 1] onder parketnummer 16/600265-10 en [medeverdachte 2]l onder parketnummer 16/600263-10.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met zijn medeverdachten een cafetaria heeft overvallen.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit samen met de medeverdachten heeft begaan. Volgens de officier van justitie dient een hoeveelheid geld te worden bewezen verklaard.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank tot een partiële vrijspraak dient te komen voor wat betreft een tweetal tenlastegelegde onderdelen, te weten een geldbedrag van ongeveer 600 euro en het vuurwapen, althans dat op een vuurwapen gelijkende voorwerp tegen het hoofd van [slachtoffer] zetten/houden.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 17 juni 2010;

- de aangifte van [slachtoffer], opgenomen op pagina 49-53 van het proces-verbaal dossiernummer 2010060535, van politie regio Utrecht, in de wettelijke vorm opgemaakt en doorgenummerd van 1 tot en met 100.

Bewijsoverweging

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat bewezen dient te worden verklaard dat in plaats van een geldbedrag van ongeveer 600 euro een hoeveelheid geld is weggenomen, omdat niet door kascontrole of anderszins is komen vast dat de gehele omzet van ongeveer 600 euro, die in de kassa zat, is weggenomen. De rechtbank zal -anders dan de raadsman heeft bepleit- het gedeelte van de tenlastelegging dat (vervolgens) dat vuurwapen, althans dat op een vuurwapen gelijkende voorwerp, op/tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft/hebben gezet en/of gehouden, bewezen verklaren, nu aangever heeft verklaard dat het pistool tegen zijn hoofd is gezet. De rechtbank heeft geen reden hieraan te twijfelen. De rechtbank zal op grond van de verklaring van verdachte, dat het om een balletjespistool ging, een op een vuurwapen gelijkend voorwerp bewezen verklaren. De rechtbank zal van het gedeelte van de tenlastelegging, dat die [slachtoffer] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft/hebben getoond, vrijspreken, nu dit niet expliciet uit de aangifte volgt.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

hij op 08 maart 2010 te Utrecht tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid geld,

toebehorende aan [slachtoffer], welke diefstal werd vergezeld

van bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het

oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld

hierin bestond dat hij, verdachte en/of zijn mededaders

- de cafetaria van die [slachtoffer] zijn binnengegaan en

- daarbij (op luide toon) heeft/hebben gezegd:"Ik heb een

pistool, de kassa open, ik heb een pistool", en

- vervolgens het op een vuurwapen gelijkende

voorwerp, op/tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft/hebben gezet en gehouden

en vervolgens die [slachtoffer] heeft/hebben gedwongen

de kassa te openen en vervolgens zelf de kassa hebben open

getrokken en het geld uit de kassa hebben gepakt.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

Diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte, gelet op de ernst van het strafbare feit en gelet op het geldende uitgangspunt dat in zijn algemeenheid een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 4 jaar op zijn plaats is bij een gewelddadige overval, een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk op te leggen, met als bijzondere voorwaarden verplicht reclasseringstoezicht en de overige in het reclasseringsadvies voorgestelde voorwaarden. De proeftijd dient te worden gesteld op 2 jaar.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat, gelet op de persoon van zijn cliënt, een lagere straf dient te worden opgelegd, te weten een gevangenisstraf, waarvan het onvoorwaardelijk deel 6 maanden bedraagt. Daarnaast kan nog een voorwaardelijk deel als stok achter de deur worden opgelegd.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich samen met zijn broer en vriend schuldig gemaakt aan een overval op een cafetaria. Verdachte is als eerste de cafetaria ingegaan en heeft daarbij op luide toon tegen de eigenaar gezegd dat hij zijn kassa moest openen. Vervolgens heeft hij een balletjespistool op het hoofd van de eigenaar gezet teneinde hem te dwingen de kassa te openen. Vervolgens kwamen zijn broer en vriend binnen. Op een gegeven moment kwam de vrouw van de eigenaar eveneens naar beneden, zodat zij ook getuige is geweest van hetgeen gebeurde. Verdachte en zijn mededaders zijn er met een hoeveelheid geld vandoor gegaan.

Aangenomen kan worden dat de eigenaar en zijn vrouw door het gebeurde ernstig zijn geschokt. Dat er niet gebruik is gemaakt van een echt vuurwapen, maar een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, te weten een balletjespistool, doet aan de ernst van het feit niet af. De eigenaar dacht dat het om een echt vuurwapen ging nu het koud aanvoelde op zijn hoofd en verdachte –aldus aangever- bij binnenkomst in het cafetaria riep “ik heb een pistool”. . De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij een pistool heeft meegenomen. Hieruit volgt dat het de bedoeling was om een forse beroving te plegen. Eerst is nog gekeken of bij een nabijgelegen pinautomaat een beroving kon plaatsvinden. Vervolgens is besloten om de cafetaria in te gaan. De rechtbank vindt het, gelet op deze planning, onbegrijpelijk dat verdachten de overval zien als een “impulsieve daad”.

Verdachte is ten behoeve van zijn eigen financiële gewin volledig voorbij gegaan aan het leed dat en de angst die hij daarmee bij anderen veroorzaakt. Hij heeft door zijn handelen bijgedragen aan de gevoelens van onveiligheid die bij de slachtoffers in het bijzonder en bij de maatschappij in het algemeen door dergelijke feiten worden gewekt. Het betreft een feit dat zo ernstig is en voor de direct betrokkenen en samenleving zo verontrustend dat alleen een vrijheidsbenemende straf in aanmerking komt. De door de officier van justitie gevorderde straf is dan ook voorstelbaar.

Ten voordele van verdachte is rekening gehouden met de omstandigheid dat hij niet eerder voor een overval is veroordeeld. Op de zitting heeft verdachte verklaard dat hij zich realiseert wat hij de slachtoffers heeft aangedaan. Hij heeft op eigen initiatief een brief aan het slachtoffer geschreven. De rechtbank zal met deze persoonlijke omstandigheden van de verdachte in enige mate rekening houden en zal, anders dan de officier van justitie, een groter gedeelte van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen.

Alles afwegende zal de rechtbank daarom aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht en overeenkomstig het reclasseringsadvies van 14 april 2010 als voorwaarden deelname aan gedragsinterventie en een behandelverplichting. De rechtbank ziet onvoldoende reden om het gevraagde contactverbod met medeverdachte [medeverdachte 2] op te leggen. Het is aan verdachte zelf om, met hulp van de reclassering, zijn leven weer in het juiste spoor te krijgen en daarbij afstand te nemen van vrienden die een slechte invloed op hem (kunnen) hebben.

7 Het beslag

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat zij reeds beslist heeft dat de onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen met uitzondering van het geld aan verdachte dienen te worden teruggegeven, zodat hierover geen beslissing behoeft te worden genomen. Het inbeslaggenomen geld is reeds aan aangever teruggeven, zodat hierover eveneens geen beslissing door de rechtbank behoeft te worden gegeven.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om wel een beslissing te nemen over de inbeslaggenomen voorwerpen, te meer nu het onder verdachte inbeslaggenomen geld van

€ 80,= niet afkomstig is van de overval.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De officier van justitie heeft ter terechtzitting meegedeeld dat zij reeds een beslissing omtrent de inbeslaggenomen voorwerpen heeft genomen, zijnde teruggave aan verdachte en aangever. Gelet op artikel 353, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, behoeft de rechtbank geen beslissing te nemen omtrent de inbeslaggenomen voorwerpen, nu er door de officier van justitie een last tot teruggave met betrekking tot deze voorwerpen is gegeven.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland, unit Utrecht, ook als dit inhoudt behandeling bij FPP Kairos te Apeldoorn of een andere soortgelijke instelling en deelname aan de gedragsinterventie CoVa danwel CoVa+;

*dat verdachte zich meldt zo dikwijls als die instelling dit nodig vindt.

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.P. Schotman, voorzitter, mr. H.A. Brouwer en

mr. Y.M.J.I. Baauw-de Bruijn, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.H.M. van Ek, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 1 juli 2010.