Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN1674

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
21-07-2010
Datum publicatie
22-07-2010
Zaaknummer
628482 UC EXPL 09-6504
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aandeelhouders hebben als medehuurders een verlengde huurovereenkomst van hun B.V. voor kantoorruimte ondertekend als gevolg waarvan zij hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de betaling van de huur door de B.V. Na faillissement van de B.V. worden zij door de verhuurder aangesproken tot betaling van de huur. Zij doen een geslaagd beroep op het ontbreken van hun wil (art. 3:35 BW) tot het aangaan van medehuurderschap/hoofdelijke aansprakelijkheid.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 33
Burgerlijk Wetboek Boek 3 35
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RVR 2010/105
JHV 2010/171 met annotatie van Mr. Helma Sengers
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector kanton

Locatie Utrecht

zaaknummer: 628482 UC EXPL 09-6504 HSt

Vonnis d.d. 21 juli 2010

inzake

de besloten vennootschap

DHV B.V.,

gevestigd te Amersfoort,

verder ook te noemen DHV,

eisende partij,

gemachtigde: mr. N. Roodenburg,

tegen:

1. [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [gedaagde sub 1],

gedaagde partij

gemachtigde: mr. E.J. Bijleveld,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [gedaagde sub 2],

gedaagde partij

gemachtigde: mr. J.K. Six-Hummel,

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [gedaagde sub 3],

gedaagde partij

gemachtigde: mr. J.K. Six-Hummel,

4. [gedaagde sub 4],

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [gedaagde sub 4],

gedaagde partij

gemachtigde: mr. E.J. Bijleveld.

Gedaagden zullen gezamenlijk aangeduid worden met [gedaagden c.s.]

1. Het verloop van de procedure

De kantonrechter verwijst naar het tussenvonnis van 9 september 2009.

Mr. Roodenburg heeft voorafgaand aan de comparitie nog producties 13 t/m 17 in het geding gebracht.

Mr. Six-Hummel heeft voorafgaand aan de comparitie nog een akte inbrengen productie in het geding gebracht.

De comparitie is gehouden op 28 oktober 2009. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt.

Partijen hebben zich vervolgens bij akte en antwoordaktes uitgelaten.

Hierna is uitspraak bepaald.

2. De feiten.

2.1. Op 16 juni 1997 heeft DHV als verhuurder een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot de kantoorvilla aan de [adres] te [woonplaats]. Als huurder wordt in de overeenkomst vermeld:

Smith Northon International BV i.o., en alle aan haar gelieerde bedrijven, waarvoor in de periode van ‘in oprichting’ hoofdelijk aansprakelijk zijn de heren [A] (…); [B] (…); [C] (…); [gedaagde sub 1] (…) en [gedaagde sub 2] (…), hierna te noemen ieder voor zich en allen gezamenlijk ‘huurder’.

Deze huurovereenkomst is aangegaan voor 5 jaar en eindigde 30 juni 2002.

2.2. In artikel 18 van de eerste huurovereenkomst staat:

Op het moment dat de B.V. perfect is c.q. de verklaring van geen bezwaar is afgegeven, gaan alle rechten en plichten voortvloeiende uit deze overeenkomst over op de B.V.

2.3. SNI is eind augustus 1997 opgericht.

2.4. [onderneming] heeft bij brief van 20 december 2001, gericht aan SNI t.a.v. de heren [A], [B], [C], [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2], de nieuwe huurovereenkomst toegezonden.

2.5. Bij brief van 21 januari 2002 heeft [gedaagde sub 3] als managing partner van SNI DHV laten weten:

Als huurder van het pand [adres] wil ik als managing partner van Smith Northon International, zijnde de huurder, gaarne het volgende onder uw aandacht brengen. Wij hebben met belangstelling de nieuwe huurovereenkomst bestudeerd.(…).

2.6. Bij brief van 5 februari 2002 heeft de heer [F], verder: [F],[onderneming] namens DHV een nieuwe huurovereenkomst voor de periode vanaf 1 juli 2002 tot en met 30 juni 2007 verstuurd aan SNI t.a.v. [gedaagde sub 3]. In die brief staat onder meer:

Afwijkend in deze huurovereenkomst ten opzichte van de eerste vijfjaarsperiode, zijn:

1. de wijzigingen in de tenaamstelling van de tekenenbevoegden zowel bij de verhuurder als bij huurder;

2.7. Op 18 maart 2002 heeft DHV de nieuwe huurovereenkomst gesloten met betrekking tot de kantoorvilla aan de [adres] te [woonplaats]. Als huurder wordt in de overeenkomst vermeld:

Smith Northon International BV., en alle aan haar gelieerde bedrijven, waarvoor hoofdelijk aansprakelijk zijn de heren [gedaagde sub 1] (…); [gedaagde sub 2] (…); [gedaagde sub 3] (…); [gedaagde sub 4] (…), hierna te noemen ieder voor zich en allen gezamenlijk ‘huurder’.

De huurovereenkomst is in drievoud opgemaakt. Ten tijde van de ondertekening van de nieuwe huurovereenkomst waren [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] bestuurders van SNI en uit dien hoofde bevoegd om de huurovereenkomst namens SNI aan te gaan.

2.8. De nieuwe huurovereenkomst is door de heren [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] mede ondertekend. Bovendien zijn alle pagina’s van de huurovereenkomst en de daarop van toepassing zijnde algemene bepalingen door voornoemde heren geparafeerd.

Tevens is door hen de omzetbelastingverklaring geparafeerd. In die verklaring van 20 februari 2002 staat SNI als huurder vermeld.

2.9. In artikel 16 lid 1 van de algemene bepalingen staat:

Indien verscheidene (natuurlijk of rechts-) personen zich als huurder hebben verbonden zijn dezen steeds hoofdelijk en ieder voor het geheel jegens de verhuurder aansprakelijk voor alle uit de huurovereenkomst voortvloeiende verbintenissen.

2.10. In januari 2004 is door DHV een beëindigingsovereenkomst opgesteld. In die overeenkomst is SNI ,”vertegenwoordigd door” [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4], als huurder vermeld.

2.11. Op 11 februari 2004 is Smith Norton International B.V. failliet gegaan.

2.12. Bij brieven van 27 december 2004 heeft DHV [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 3], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 4] verzocht, en voorzover nodig gesommeerd, om binnen veertien dagen de hoofdelijke aansprakelijkheid uithoofde van de nieuwe huurovereenkomst te erkennen en aan DHV een bedrag te voldoen van EUR 153.982,84.

2.13. Bij brief van 13 januari 2005 hebben [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 2] (kort samengevat) betwist persoonlijk aansprakelijk te zijn voor de huurschuld van SNI.

2.14. Vervolgens heeft DHV bij brieven van 29 maart 2007 [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 3], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 4] gesommeerd om EUR 153.982,84 te voldoen bij gebreke waarvan incassomaatregelen worden aangekondigd.

2.15. Mevr. [D] heeft bij brief van 16 april 2007 (voorwaardelijk) de vernietigbaarheid van de hoofdelijke aansprakelijkheid van [gedaagde sub 4] ingeroepen op grond van het ontbreken van haar toestemming (artikel 1:88 BW).

3. De vordering en het verweer daartegen.

3.1. DHV vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, bepaalt dat gedaagden ieder voor zich en voor het geheel hoofdelijk aansprakelijk zijn voor alle uit de huurovereenkomst voortvloeiende verbintenissen, voor wat betreft de huurovereenkomst tussen gedaagden en eisers betreffende de periode van 1 juli 2002 tot en met 30 juni 2007 betreffende het kantoorpand aan de [adres] te [woonplaats] en gedaagden hoofdelijk te veroordelen om aan DHV EUR 1.000,00 te voldoen ter zake van buitengerechtelijke incassokosten.

3.2. [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 4], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hebben gemotiveerd verweer gevoerd en tot afwijzing van de vordering en veroordeling van DHV in de proceskosten geconcludeerd. De inhoud van dat verweer zal voor zover relevant bij de beoordeling aan de orde komen.

4. De beoordeling.

4.1. In de kern komt het debat van partijen neer op de vraag of zij bij het sluiten van de nieuwe huurovereenkomst overeenstemming hebben bereikt over de verbinding van [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] als huurders van de kantoorvilla aan de [adres] te [woonplaats]. In het debat van partijen wordt een onderscheid gemaakt tussen het medehuurderschap van [gedaagden c.s.] en de (vestiging van de) hoofdelijke aansprakelijkheid van hen. Dat onderscheid mist relevantie omdat de hoofdelijke aansprakelijkheid van [gedaagden c.s.] volgens artikel 16.1 van de algemene bepalingen het gevolg is van het medehuurderschap.

4.2. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 4] hebben aangevoerd dat uit de (in nr. 2.7 genoemde) aanhef van de nieuwe huurovereenkomst volgt dat SNI en de aan haar gelieerde bedrijven gezamenlijk als ‘huurder’ zijn omschreven maar niet [gedaagden c.s.]

[gedaagden c.s.] zijn in de aanhef van de overeenkomst weliswaar in een bijzin (die begint met “waarvoor hoofdelijk aansprakelijk zijn..”) genoemd, maar tevens staat in de aanhef vermeld: “hierna te noemen ieder voor zich en allen gezamenlijk ‘huurder’”. Uit deze duidelijke vermelding volgt dat [gedaagden c.s.] tevens huurders zijn.

Dat uit de tekst van de aanhef en de ondertekening van de nieuwe huurovereenkomst volgt dat [gedaagden c.s.] zich als huurders hebben verbonden, betekent niet reeds dat DHV de huurschuld op hen als hoofdelijke schuldenaren kan verhalen.

4.3. In dit kader is artikel 3:35 BW van belang. Daarin staat dat een contractspartij zich niet beroepen kan op het ontbreken van zijn wil indien de wederpartij er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat de wil wel aanwezig was.

Het spiegelbeeld van deze bepaling is dat de contractspartij zich wel op het ontbreken van zijn wil mag beroepen indien de wederpartij er niet op mocht vertrouwen dat de wil aanwezig was. Indien dat beroep op gaat, dan is de rechtshandeling (in dit geval het medehuurderschap van [gedaagden c.s.]) niet tot stand gekomen wegens het ontbreken van een daaraan ten grondslag liggende wil.

4.4. Door [gedaagden c.s.] is gesteld, en onderbouwd, dat zij niet de wil hebben gehad om zich als medehuurders te binden aan de nieuwe huurovereenkomst. Daartegenover heeft DHV aangevoerd dat er over het medehuurderschap uitdrukkelijk onderhandeld is.

Op grond van de wederzijdse stellingen van partijen is komen vast te staan dat [gedaagden c.s.] niet de wil hebben gehad om zich als medehuurders te binden aan de nieuwe huurovereenkomst. DHV heeft over de onderhandelingen voorafgaand aan de ondertekening van de nieuwe huurovereenkomst geen feitelijke informatie gegeven waaruit blijkt dat over het medehuurderschap (uitdrukkelijk) onderhandeld is.

Daarentegen hebben [gedaagden c.s.] feitelijke informatie gegeven over het onderhandelingstraject waaruit blijkt dat zij niet wisten dat zij zich door ondertekening van de nieuwe huurovereenkomst als medehuurders zouden binden. De relevante stellingen van [gedaagden c.s] zijn: dat zij na de oprichting van SNI niet meer hoofdelijk aansprakelijk waren voor de verplichtingen uit de huurovereenkomst, tijdens de onderhandelingen over de nieuwe huurovereenkomst alleen met [gedaagde sub 3] gesproken is in diens hoedanigheid van bestuurder van SNI, [gedaagden c.s.] privé niet aan de onderhandelingen over de nieuwe huurovereenkomst hebben deelgenomen en met [gedaagde sub 3] niet gesproken is over de wens van DHV dat [gedaagden c.s.] zich als medehuurders verbinden.

Deze feiten zijn door DHV niet weersproken. Op grond van deze feiten staat vast dat [gedaagden c.s.] niet hebben gewild zich als medehuurders te verbinden.

4.5. Nu vaststaat dat [gedaagden c.s.] niet hebben gewild zich als medehuurders aan de nieuwe huurovereenkomst te verbinden dienen zij feiten te stellen, en bij betwisting te bewijzen, waaruit volgt dat DHV er niet op heeft mogen vertrouwen dat zij zich als medehuurders hebben willen verbinden.

4.6. Ook in dit kader wijzen [gedaagden c.s.] er op dat tijdens de onderhandelingen over de nieuwe huurovereenkomst nimmer gesproken is over hun medehuurderschap en evenmin over de hoofdelijke aansprakelijkheid van hen.

DHV heeft dit onvoldoende betwist. Dat had van haar wel verwacht mogen worden juist omdat zij stelt dat over het medehuurderschap uitdrukkelijk onderhandeld is. De (hierna te bespreken) gegevens die zij aanvoert over het onderhandelingsproces maken niet aannemelijk dat gesproken is over het medehuurderschap of de hoofdelijkheid.

4.7. Tijdens de comparitie heeft [E], directeur projecten bij DHV, verder [E], verklaard dat hij bewust vastgehouden heeft aan de hoofdelijke aansprakelijkheid van [gedaagden c.s.] Uit zijn verklaring blijkt echter niet dat hij dat besproken heeft met [gedaagden c.s.]. Wel blijkt uit zijn verklaring dat hij na ontvangst van het concept van de nieuwe huurovereenkomst telefonisch aan een medewerker van het makelaarskantoor heeft medegedeeld dat hij het tekstdeel “waarvoor hoofdelijk aansprakelijk zijn” wenste te handhaven. Aan deze kennelijke instructie van [E] aan het makelaarskantoor dat namens DHV betrokken was bij de onderhandelingen over de nieuwe huurovereenkomst, kan niet de gevolgtrekking verbonden worden dat dus door of namens DHV over de hoofdelijke aansprakelijkheid met [gedaagden c.s.] onderhandeld is.

4.8. Voorts heeft DHV gesteld dat tijdens de onderhandelingen uitdrukkelijk gesproken is over de tenaamstelling van de overeenkomst. Dat zou blijken uit de brief van [F] van 5 februari 2002 (zie nr. 2.6) waarin hij verwijst naar de wijzigingen in de tenaamstelling van de tekeningsbevoegden.

Dat over de tenaamstelling van de huurders bij de huurovereenkomst gesproken is, blijkt niet uit voornoemde brief van [F]. In die brief wordt gewezen op de tenaamstelling van de tekeningsbevoegden. De term tekeningsbevoegden verwijst normaal gesproken naar de personen die bevoegd zijn om namens SNI te tekenen en niet naar de natuurlijke personen als huurders. [gedaagden c.s.] hebben gesteld dat zij de term tekeningsbevoegden ook in deze zin hebben opgevat. DHV heeft geen feiten gesteld waaruit volgt dat [gedaagden c.s.] wisten of behoorden te weten dat met de term tekeningsbevoegden bedoeld is hen als medehuurders te vermelden.

4.9. Dat tijdens het onderhandelingstraject over de nieuwe huurovereenkomst niet gesproken is over het medehuurderschap of de hoofdelijke aansprakelijkheid blijkt ook uit de verklaring die [F] ter comparitie heeft afgelegd. Hij herinnert zich niet dat daar destijds over gesproken is. Voorst heeft hij verklaard dat het vestigen van medehuurderschap en hoofdelijke aansprakelijkheid van de aandeelhouders een uitzonderlijke afspraak is die als bijzonder beding in de huurovereenkomst opgenomen had moeten worden.

4.10. Vast staat dat de hoofdelijke aansprakelijkheid van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] tijdens de eerste huurovereenkomst (reeds na korte tijd) is opgehouden te bestaan bij de oprichting van SNI in augustus 1997. Vast staat ook dat het, mede vanwege het daaraan verbonden nadelige risico, niet gebruikelijk is om in een huurovereenkomst met een besloten vennootschap op te nemen dat de aandeelhouders als medehuurders hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de verplichtingen van de besloten vennootschap jegens de verhuurder. Reeds deze twee omstandigheden en het feit dat in de onderhandelingen over de nieuwe huurovereenkomst door of namens DHV niet met [gedaagden c.s.] is gesproken over het medehuurderschap, brengen met zich dat DHV er niet op heeft mogen vertrouwen dat [gedaagden c.s.] zich als hoofdelijk aansprakelijke huurders hebben willen binden.

4.11. Evenmin heeft DHV aan de wijze waarop zij en [gedaagden c.s.] tijdens de onderhandelingen gehandeld hebben, het vertrouwen kunnen ontlenen dat [gedaagden c.s] akkoord waren met het medehuurderschap en de hoofdelijke aansprakelijkheid.

Ten aanzien van het handelen van (en namens) DHV is van belang dat:

- de instructie van [E] aan de medewerker van [onderneming] tot handhaving van het tekstdeel “waarvoor hoofdelijk aansprakelijk zijn” kennelijk uitging van de onjuiste veronderstelling dat [gedaagden c.s.] nog hoofdelijk aansprakelijk waren;

- het eerste concept van de nieuwe huurovereenkomst verzonden is aan SNI en niet aan [gedaagden c.s] privé;

- de brief (van 5 februari 2002) waarin [F] wees op de wijzigingen ten opzichte van de eerste huurovereenkomst verzonden is aan SNI en niet aan [gedaagden c.s.] privé;

- [gedaagden c.s.] bij ondertekening van de huurovereenkomst geen exemplaar van de huurovereenkomst ter ondertekening hebben ontvangen.

Ten aanzien van het handelen van [gedaagden c.s.] is van belang dat alleen [gedaagde sub 3] bij de onderhandelingen over de nieuwe huurovereenkomst betrokken is en hij in de brief van 21 januari 2002 uitsluitend optreedt als managing partner van SNI.

4.12. Juist omdat het ongebruikelijk is dat [gedaagden c.s.] zich als aandeelhouders persoonlijk als huurders binden en aan die binding omvangrijke financiële risico’s kunnen kleven, mocht DHV onder bovenstaande omstandigheden er niet op vertrouwen dat [gedaagde sub 1] c.s zich als hoofdelijk aansprakelijke medehuurders aan de huurovereenkomst hebben willen binden. Onder voornoemde omstandigheden had DHV zich er van moeten vergewissen dat [gedaagden c.s.] begrepen dat DHV met de aanhef (zie nr. 2.7) beoogde dat zij zich als hoofdelijk aansprakelijke medehuurders aan de huurovereenkomst verbinden. DHV heeft dat tijdens de onderhandelingen noch tijdens de ondertekening van de nieuwe huurovereenkomst gedaan.

4.13. Het beroep van [gedaagden c.s.] op artikel 3:35 BW gaat op met als gevolg dat het medehuurderschap van [gedaagden c.s.] niet tot stand is gekomen wegens het ontbreken van een daarop gerichte wil van [gedaagden c.s.] Dit betekent dat de vorderingen van DHV zullen worden afgewezen en DHV veroordeeld zal worden in de proceskosten van [gedaagden c.s.]

Bij de berekening van de proceskosten zal het belang van de zaak worden gesteld op het bedrag waarvan DHV aan [gedaagden c.s.] betaling heeft verzocht, te weten EUR 153.982,84.

5. De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt DHV tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3], tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.750,00 aan salaris gemachtigde, en te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 14 dagen na 21 juli 2010;

veroordeelt DHV tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 4], tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.750,00 aan salaris gemachtigde,

Dit vonnis is gewezen door mr. H.M.M.Steenberghe, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2010.