Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN1605

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
12-07-2010
Datum publicatie
16-07-2010
Zaaknummer
16-442066-09
Rechtsgebieden
Civiel recht
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

ontnemingsvordering afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/442066-09

vonnis van de rechtbank d.d. 12 juli 2010

in de ontnemingszaak tegen

[verdachte],

geboren op [1985] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], aan de [adres].

Raadsman mr. R.P. van der Graaf, advocaat te Utrecht.

1 De procedure.

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:

- de vordering, die binnen de in artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn aanhangig is gemaakt;

- het strafdossier onder parketnummer 16/442066-09 waaruit blijkt dat [verdachte] is veroordeeld op 22 februari 2010 ter zake van ondermeer – kort gezegd - het telen en aanwezig hebben van hennep tot de in die uitspraak vermelde straf;

- het proces-verbaal van berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel

d.d. 18 maart 2009;

- het proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 8 februari 2010;

- de beslissing van de meervoudige kamer van d.d. 22 februari 2010;

- de bevindingen tijdens het onderzoek ter terechtzitting;

- de overige stukken.

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2010. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting is de officier van justitie gehoord. Tevens is de veroordeelde gehoord, bijgestaan door zijn raadsman mr. R.P. de Graaf, advocaat te Utrecht.

2 De vordering

De vordering van de officier van justitie d.d. 25 januari 2010 strekt tot het aan de veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, na wijziging van de vordering ter zitting d.d. 8 februari 2010 gesteld op € 23.548,64.

3 De beoordeling

De tenlastelegging ter zake de strafzaak waaruit de veroordeelde voordeel zou hebben genoten is opgenomen in het vonnis van deze rechtbank van 22 februari 2010.

Er is sprake van een impliciet subsidiaire tenlastelegging. Hierin is primair het telen (enzovoorts) van (150 en/of) 318 hennepplanten en subsidiair het aanwezig hebben van (150 en/of) 318 hennepplanten ten laste gelegd. Uit voornoemd vonnis blijkt voorts dat het aanwezig hebben van deze 318 hennepplanten bewezen is verklaard.

De bewezenverklaring besluit met “De rechtbank acht niet bewezen wat meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.”

Hieruit volgt dat de rechtbank veroordeelde heeft vrijgesproken van het telen van deze 318 hennepplanten.

De vordering van de officier van justitie is gebaseerd op het proces-verbaal inzake wederrechtelijk verkregen voordeel van de politie d.d. 18 maart 2009. De - concrete - berekening in dit proces-verbaal betreft de opbrengst uit het telen van hennep en gaat uit van twee eerdere oogsten, mede op grond van de bij veroordeelde aangetroffen vuilniszakken met ongeveer 318 geknipte hennepplanten .

De rechtbank is van oordeel dat ontneming van het voordeel niet mogelijk is aangezien veroordeelde van het telen van 318 hennepplanten, vrijgesproken is, zoals blijkt uit voornoemd vonnis. Dat de verdediging zelf bij de behandeling van de vordering één oogst heeft erkend vóór de inbeslaggenomen oogst maakt dit niet anders.

De rechtbank verwijst hierbij naar het Geeringsarrest (EHRM 1 maart 2007, NJ 2007,349).

waaruit onder meer af te leiden valt dat een feit waarvan een verdachte is vrijgesproken niet meer ten grondslag kan worden gelegd aan de ontnemingsmaatregel, ook als ter zake van een ander ten laste gelegd strafbaar feit een veroordeling is gevolgd. Derhalve zal de rechtbank de ontnemingsvordering afwijzen.

Hetgeen door de officier van justitie en de verdediging is aangevoerd behoeft geen bespreking meer.

3 De beslissing.

De rechtbank:

- wijst de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af.

Deze beslissing is gegeven door mr. M.J. Grapperhaus, voorzitter, mr. L. Verschoor-Bergsma en mr. D.J.A. Kuipers, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. N.J.C. Monincx en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 12 juli 2010.

mrs. D.J.A. Kuipers en M.J. Grapperhaus zijn niet in staat deze beschikking mede te ondertekenen.