Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN1439

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
15-07-2010
Datum publicatie
16-07-2010
Zaaknummer
16-600391-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inbraak in lokauto. Veroordeeld tot ISD-maatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600391-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 15 juli 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1961] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats]

thans gedetineerd in de P.I. Utrecht, Huis van Bewaring, locatie Nieuwegein

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 1 juli 2010. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. J.J. Weldam, advocaat te Utrecht.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van de standpunten door de raadsman van verdachte en door verdachte zelf naar voren gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan inbraak in een auto, waaruit hij een navigatiesysteem en een radio heeft weggenomen.

Voluit luidt de tenlastelegging dat:

hij op of omstreeks 07 april 2010 te Utrecht, althans in het arrondissement

Utrecht, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een personenauto (van

het merk Volkswagen, kleur grijs en geparkeerd staande in/op de Kruisstraat)

aldaar heeft weggenomen een navigatiesysteem (van het merk Blaupunkt) en/of

een radio/dvd speler (van het merk Pioneer), in elk geval enig(e) goed(eren),

geheel of ten dele toebehorende aan de politie regio Utrecht, in elk geval aan

een ander of anderen dan aan verdachte,

waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft

en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door

middel van braak op en/of verbreking van het/een (rechter voorportier)raam van

die auto.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat de camerabeelden onrechtmatig zijn verkregen en van het bewijs moeten worden uitgesloten. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat de politie niet beschikte over een machtiging ex artikel 126g van het Wetboek van Strafvordering die het gebruik van de, in de opvatting van de verdediging, verborgen camera legitimeerde. Bovendien levert het gebruik van de camera overtreding van de artikelen 139f en 441b van het Wetboek van Strafrecht en een schending van artikel 8 EVRM op, aldus de verdediging. Nu de camerabeelden niet voor het bewijs mogen worden gebruikt en voorts slechts de verklaring van verdachte resteert, behoort verdachte in de opvatting van de verdediging wegens het ontbreken van voldoende bewijs te worden vrijgesproken.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Camerabeelden onrechtmatig bewijs

De rechtbank overweegt met betrekking tot het verweer dat de camerabeelden onrechtmatig zijn verkregen en dientengevolge van het bewijs moeten worden uitgesloten als volgt.

Vooropgesteld moet worden dat het plaatsen door de politie van een zogenoemde lokauto teneinde aldus personen die inbraken in auto’s plegen op heterdaad te kunnen betrappen, op zichzelf niet ongeoorloofd is, ook al steunt dit handelen niet op een specifieke wettelijke regeling (HR 28 oktober 2008, LJN: BE9817, NJ 2009, 224).

De rechtbank stelt vervolgens vast dat de politie met toestemming van de officier van justitie, met het doel voertuigcriminaliteit te verminderen en daartoe de aanhouding van een verdachte op heterdaad te verrichten, een afgesloten personenauto heeft geparkeerd op een plaats waar veelvuldig dergelijke criminaliteit plaatsvindt en in de auto, voor passanten zichtbaar, een navigatiesysteem en een autoradio heeft achtergelaten.

De rechtbank is van oordeel dat, gegeven de aan de politie in artikel 2 van de Politiewet 1993 opgedragen taken, niet valt in te zien dat de politie met de inzet van de met camera’s geprepareerde lokauto aan een rechtsregel voorbij is gegaan, zodat het verweer wordt verworpen. Een machtiging als bedoeld in artikel 126g van het Wetboek van Strafvordering was niet vereist, nu geen sprake is geweest van stelselmatige observatie door middel van de geplaatste camera’s. Een schending van artikel 8 EVRM is naar het oordeel van de rechtbank eveneens niet aan de orde, nu de camera’s waren geplaatst binnenin een auto, die niet aan verdachte toebehoorde en waar verdachte derhalve niets te zoeken had en slechts opnamen maakten van wat zich in die auto bevond en van wat (aan de buitenzijde) de autoruiten raakte.

De genoemde artikelen van het Wetboek van Strafrecht zijn niet overtreden: gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is geen sprake van wederrechtelijk vervaardigen van een afbeelding.

Bewijs

De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd bij de politie ;

- de aangifte van [aangever], namens politie regio Utrecht ;

- het proces-verbaal van bevindingen van de politie met betrekking tot de camerabeelden .

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 07 april 2010 te Utrecht, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een personenauto van het merk Volkswagen, kleur grijs en geparkeerd staande in de Kruisstraat aldaar heeft weggenomen een navigatiesysteem van het merk Blaupunkt en een radio/dvd speler van het merk Pioneer, toebehorende aan de politie regio Utrecht, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak op het rechter voorportierraam van die auto.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen de ISD-maatregel voor de duur van twee jaren.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat, voordat de ISD-maatregel kan worden opgelegd, een screening op contra-indicaties dient plaats te vinden, bijvoorbeeld een onderzoek of de verdachte wel toerekeningsvatbaar is.. Het ontbreken van een dergelijke screening in dit geval staat aan het opleggen van de ISD-maatregel in de weg, aldus de verdediging. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte reeds eerder een soortgelijke maatregel heeft ondergaan. Blijkbaar is een dergelijke maatregel ongeschikt om de recidive van verdachte terug te dringen. Daarom dient er in het onderhavige geval voor te worden gekozen om een gevangenisstraf op te leggen ter beveiliging van de maatschappij, en niet een ISD-maatregel. Ten slotte ontbreekt in het reclasseringsrapport een Risk-rapportage, hetgeen eveneens in de weg staat aan oplegging van een ISD-maatregel.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Daarbij is voor de persoon van verdachte vooral gelet op het Uittreksel Justitiële Documentatie (hierna: strafblad) van 19 januari 2010 van verdachte, een Reclasserings-advies van 17 juni 2010 van Centrum Maliebaan, opgesteld door J. Mertens en de nadere toelichting die A.T. Breukink, reclasseringswerker bij het GAVO ter terechtzitting van 1 juli 2010 als getuige-deskundige op voormeld reclasseringsadvies heeft gegeven.

De rechtbank zal de officier van justitie volgen in haar eis tot het opleggen van de ISD-maatregel. De rechtbank is van oordeel dat het opleggen van de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders wenselijk en noodzakelijk is. Bij de keuze tot het opleggen van deze maatregel heeft de rechtbank met name gelet op de volgende feiten en omstandigheden.

Uit het 35 pagina’s tellende strafblad van verdachte is de rechtbank gebleken dat verdachte veelvuldig onherroepelijk is veroordeeld tot gevangenisstraffen en/of taakstraffen wegens vermogensdelicten, laatstelijk op 9 december 2009. Hiermee is voldaan aan de eisen die artikel 38m, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht stelt aan de plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders. Immers, het door verdachte begane misdrijf betreft een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, terwijl de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane misdrijf ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of taakstraf is veroordeeld en er voorts ernstig rekening mede moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan en de veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel eist.

In de omstandigheid dat verdachte een in 2003 opgelegde SOV-maatregel in 2005 met succes heeft afgerond, vindt de rechtbank - anders dan de raadsman - aanleiding om de ISD-maatregel op te leggen. Kennelijk is verdachte in staat om binnen een gedwongen kader constructief aan zijn toekomst te werken. Na afsluiting van de SOV-maatregel heeft hij aanvankelijk zelfstandig gewoond, getracht zijn financiën te regelen en zelfs gewerkt.

De rechtbank is van oordeel dat het opleggen van deze maatregel meer recht doet aan de zorgelijke situatie waarin verdachte zich thans bevindt, dan het opleggen van een ‘kale’ gevangenisstraf. Verdachte is dakloos en heeft duidelijk ondersteuning nodig op diverse leefgebieden. Bovendien hebben andere pogingen tot hulpverlening niet tot het gewenste resultaat geleid; in het verleden is verdachte begeleid door het GAVO, maar het contact is vrij snel na het afronden van voornoemde SOV-maatregel verbroken. Ook voordat de SOV-maatregel werd opgelegd, zijn meerdere ingezette hulpverleningstrajecten gestrand omdat verdachte afspraken niet nakwam of na korte tijd het contact verbrak.

De rechtbank overweegt nog dat screening op contra-indicaties geïndiceerd is, als er aanwijzingen zijn dat de strafbare feiten mogelijk niet aan verdachte kunnen worden toegerekend. Indien die aanwijzingen er niet zijn, zoals in het onderhavige geval, kan die screening uitblijven.

Voorts overweegt de rechtbank dat het ontbreken van een zogenaamde Risk-rapportage in het advies van de reclassering in het onderhavige geval niet in de weg staat aan oplegging van een ISD-maatregel. Nu verdachte op advies van zijn advocaat niet heeft mee willen werken aan het opstellen van het reclasseringsrapport, is de reclassering niet in de gelegenheid geweest een Risk-rapportage op te stellen. Dat die rapportage ontbreekt, is derhalve geheel aan verdachte zelf te wijten.

Het hiervoor genoemde advies van Centrum Maliebaan, in samenhang met het strafblad biedt de rechtbank echter het inzicht dat de door de wetgever voorziene screening zou moeten opleveren:

het recidiverisico is zeer hoog, maar zal dankzij de ISD maatregel tijdens de detentie geheel en nadien (vermoedelijk tijdelijk en in beperkte mate) afnemen; er is aanleiding te veronderstellen dat verdachte baat zou kunnen hebben bij een specifiek hulpverleningstraject, maar dat weigert hij, in dit geval is ISD te verkiezen boven “kale detentie”.

Ter bescherming van de maatschappij - in het bijzonder de veiligheid van goederen - zal de rechtbank de gevorderde ISD-maatregel voor de maximale duur van twee jaren opleggen. Om de recidive te beëindigen en tot een zo goed mogelijke oplossing van de problematiek van verdachte te komen, zal de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht niet in mindering worden gebracht op de duur van de maatregel.

Wel zal de rechtbank, met het oog op een tussentijdse beoordeling van de noodzakelijkheid van de voorzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel, bepalen dat de officier van justitie binnen 9 maanden na het onherroepelijk worden van het vonnis de rechtbank hieromtrent dient te berichten.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 38m, 38n, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het onder 5.1 genoemde strafbare feit oplevert:

- verklaart verdachte daarvoor strafbaar;

Maatregel

Gelast de plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaar en bepaalt dat het Openbaar Ministerie binnen 9 maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis bericht over de noodzaak van de voortzetting van de maatregel.

Beveelt de oproeping van de verdachte, diens raadsman en een deskundige verbonden aan de inrichting voor een zitting van de meervoudige kamer voor strafzaken in deze rechtbank tegen een nog nader te bepalen tijdstip.

Dit vonnis is gewezen door mr. I. Bruna, voorzitter, mr. M.J. Grapperhaus en mr. E.C.A. Bakker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.A. van Wageningen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 15 juli 2010.

Mr. Bakker is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.