Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN1213

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
14-07-2010
Datum publicatie
15-07-2010
Zaaknummer
256110 / HA ZA 08-2082
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Na in eerder tussen vonnis te hebben beslist dat gedaagde (verzekeringsmaatschappij) gehouden is schade op grond van de polissen aan eiseres (autobedrijf) te vergoeden, wordt in dit eindvonnis de omvang van de schade bepaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 256110 / HA ZA 08-2082

Vonnis van 14 juli 2010

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

eiseres,

advocaat mr. J.M. van Noort,

tegen

de naamloze vennootschap

ASR SCHADEVERZEKERING N.V.

(voorheen geheten FORTIS ASR SCHADEVERZEKERING N.V.),

gevestigd te Utrecht,

gedaagde,

advocaat mr. O.P. van Tricht.

Partijen zullen hierna [eiseres] en ASR genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 18 november 2009

- de akte van [eiseres], tevens houdende wijziging van eis

- de antwoordakte van ASR

- de akte uitlating productie van [eiseres].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. In het tussenvonnis heeft de rechtbank ten eerste geconcludeerd dat het primaire verweer van ASR, dat zij niet gehouden is uitkering te doen, niet kan slagen. Vervolgens heeft de rechtbank [eiseres] gelegenheid gegeven bij akte haar vordering nader te onderbouwen en in te gaan op het door ASR in de conclusie van antwoord gevoerde verweer. Bij deze akte heeft [eiseres] haar eis gewijzigd in die zin dat zij thans betaling vordert van in totaal EUR 1.416.869,58, met rente en kosten. Dat bedrag bestaat uit de posten als vermeld onder 26. van de akte. Onderzocht moet thans worden in hoeverre ASR gehouden is de gestelde schade aan [eiseres] uit te keren.

2.2. Voor de verdere beoordeling is ten eerste van belang vast te stellen welke voorwaarden in de polissen aan schade-uitkering worden gesteld. De rechtbank zal eerst de onder de brandverzekering (waaronder zijn gedekt schade aan opstal, inventaris en goederen) vallende schade bespreken. Vervolgens komt de garageverzekering aan bod.

De brandverzekering

2.3. Voor het gedeelte van de verzekering die dekking geeft voor schade aan de opstal gelden de bijzondere voorwaarden volgens model BE 06-1 (52417). De volgende voorwaarden zijn bij de beoordeling van de te vergoeden schade van belang:

a. Het verzekerde bedrag voor de opstal is EUR 800.000, zoals blijkt uit het polisblad van 2 april 2007. Dit bedrag wordt jaarlijks aangepast aan het indexcijfer voor bouwkosten, zoals wordt vastgesteld door het Centraal Bureau voor de Statistiek (hierna: CBS) (artikel 3 lid 2).

b. Onder de dekking vallen ongeacht het verzekerde bedrag bereddingskosten en voorts tot maximaal 10% van het verzekerde bedrag aansprakelijkheid van de verzekerde als verhuurder, kosten van noodvoorzieningen en opruimingskosten (artikel 6).

c. De uitkering bedraagt maximaal het verzekerde bedrag. Als het verzekerde bedrag lager is dan de waarde waarvan wordt uitgegaan bij de schaderegeling, vergoedt ASR de vastgestelde schade en kosten in de verhouding van het verzekerde bedrag tot de waarde onmiddellijk vóór de gebeurtenis (artikel 11).

2.4. Voor het gedeelte van de verzekering die dekking geeft voor schade aan de inventaris en goederen gelden de bijzondere voorwaarden volgens model BG 06-1 (52415), die verkort weergegeven als volgt luiden:

a. Uit het onder 2.3 onder a genoemde polisblad blijkt dat het verzekerde bedrag EUR 100.000 bedraagt. In deze bijzondere voorwaarden is geen indexatie overeengekomen.

b. Artikel 4 vermeldt dat dekking wordt geboden voor de “schade aan of verlies van de in het gebouw aanwezige goederenvoorraad, inventaris en het huurdersbelang” onder andere ten gevolge van brandschade.

c. Zonder maximering worden vergoed kosten wegens beredding en salvagekosten (artikel 6, eerste gedeelte). Tot maximaal 10% van het verzekerde bedrag worden vergoed opruimingskosten, tuinaanleg en bestrating, eigendommen van directie, firmanten en personeel, alsmede eigendommen van derden die verzekerde beroepsmatig onder zich heeft (artikel 6, tweede gedeelte).

d. Met betrekking tot onderverzekering is in artikel 11 lid 2 vastgesteld dat de schade in dat geval wordt uitgekeerd naar evenredigheid van het verzekerde belang.

2.5. Conform de polisvoorwaarden zijn taxaties verricht van de schade aan de diverse goederen en kosten. Volgens deze taxaties bedraagt de ten gevolge van de brand geleden schade op grond van de uitgevoerde taxaties en voor zover deze valt onder het voor de opstal geldende deel van de brandverzekering:

- opstal EUR 1.055.234

- opruiming 53.500

- huurderving 88.500

- bestrating 17.500.

De schade, die onder het deel betreffende goederen en inventaris van de brandverzekering valt bedraagt op grond van de uitgevoerde taxaties:

- inventaris EUR 118.236

- goederen 18.575

- opruiming 1.500

- eigendommen directie 1.000.

2.6. [eiseres] stelt dat de verzekerde sommen van de brandverzekering jaarlijks moeten worden geïndexeerd met het laatste indexcijfer voor bouwkosten van het CBS. In het derde kwartaal 2007 bedroeg dat 123 ten opzichte van 122 in het tweede kwartaal 2007. Dit had moeten leiden tot het vaststellen van de geïndexeerde verzekerde som van EUR 806.557. Dat geldt vervolgens ook voor de maximaal te vergoeden gederfde huur, die 10% van de verzekerde som bedraagt.

ASR stelt dat het - door haar niet nader aangeduide - indexcijfer per 1 september 2006 150 bedroeg, per 1 september 2007 ook 150 en per 1 september 2008 159. Het indexcijfer is volgens ASR in 2007 ten opzichte van 2006 gelijk gebleven, zodat geen indexering behoefde plaats te vinden en de verzekerde som EUR 800.000 is gebleven.

2.7. De rechtbank stelt ten eerste vast dat uitsluitend met betrekking tot de verzekerde som van de opstal jaarlijkse indexering moet plaatsvinden. Zoals hiervoor is vastgesteld geldt met betrekking tot de verzekerde som voor inventaris en goederen geen indexatieplicht. Voorts overweegt de rechtbank in dit verband als volgt.

De polisvoorwaarden geven niet exact aan welk indexcijfer voor de bouw wordt bedoeld. Er zijn er immers meerdere, zoals kenbaar is uit de website van het CBS. De eerste is de inputprijsindex bouwkosten (nieuwbouwwoningen en andere nieuwbouw), met als peiljaar 2005. De index was toen 100. Het indexcijfer 2006 bedroeg 103,2 en dat van 2007 was 107,4. Verder bestaat er het prijsindexcijfer voor de gebouwen, prijspeil 2000. Het indexcijfer 2006 was 122 en 2007 123. [eiseres] lijkt, gelet op de door haar gebruikte cijfers, aan te sluiten bij het laatst vermelde indexcijfer. Van ASR is onduidelijk welk indexcijfer door haar wordt bedoeld. De door ASR vermelde percentages zijn niet kenbaar uit de door de rechtbank gevonden statistieken van het CBS. De rechtbank zal [eiseres] volgen, omdat het verweer van ASR ten opzichte van de expliciet gemaakte onderbouwing van haar stelling door [eiseres] niet voldoende specifiek en evenmin te controleren is. De benaming van deze door de rechtbank nu gebruikte index sluit ook meer aan bij de benaming in de polisvoorwaarden dan de andere genoemde index.

Dit leidt ertoe dat de verzekerde som voor het opstalgedeelte per 2007 moet worden geïndexeerd tot het door [eiseres] voorgestelde bedrag, te weten EUR 806.557. Met betrekking tot de huurderving en opruimingskosten geldt dat het maximaal te vergoeden bedrag 10% van het geïndexeerde verzekerde bedrag bedraagt, derhalve maximaal EUR 80.656 voor elk van de posten.

2.8. Partijen verschillen voorts van mening over de vraag op welke wijze moet worden omgegaan met de omstandigheid dat [eiseres] onderverzekerd was. De overeenkomstig de polisvoorwaarden benoemde taxateurs hebben de waarde van de opstal direct voorafgaande aan de brand vastgesteld op EUR 1.129.473, terwijl de - geïndexeerde - verzekerde som EUR 806.557 bedraagt. De verzekerde som van het gedeelte met betrekking tot de inventaris en goederen bedraagt EUR 100.000. De waarde direct voorafgaande aan de brand is door de taxateurs vastgesteld op EUR 140.561. [eiseres] stelt dat in een dergelijk geval de maximale uitkering moet worden verstrekt en verwijst daarvoor naar artikel 7:958 lid 2 BW. ASR voert daartegen aan dat dit artikel anders moet worden gelezen dan [eiseres] doet, dat dat artikel van regelend recht is en dat in de polisvoorwaarden nadrukkelijk over onderverzekering een regeling is opgenomen, die dan ook voorrang heeft boven de niet dwingende wetsbepaling. De omvang van de schade-uitkering moet volgens ASR worden berekend op de in artikel 11 van beide Bijzondere Voorwaarden vermelde wijze.

2.9. De stelling van [eiseres] moet worden verworpen. Het bepaalde in artikel 7:958 lid 2 BW leidt ertoe dat bij volledig verlies van de verzekerde zaak de verzekeraar de waarde van het verzekerde belang uitkeert. Lid 5 bepaalt dat indien het bedrag van de verzekerde som lager is dan de waarde die aan de schadeberekening ten grondslag ligt, de vergoeding volgens de leden 2 en 4 wordt verminderd naar evenredigheid van hetgeen dat bedrag lager is dan de waarde. Deze bepalingen zijn van regelend recht en partijen hebben blijkens de bijzondere voorwaarden de regel van lid 5 in hun overeenkomst opgenomen (artikel 11 lid 2 van beide Bijzondere Voorwaarden bij de brandverzekering). Dat betekent dat ASR niet verplicht is het maximum van de verzekerde som te betalen, indien de in de bijzondere voorwaarden vastgestelde berekeningswijze daartoe geen aanleiding geeft. De conclusie moet dan ook luiden dat de uitkering moet worden berekend op de wijze die in de bijzondere voorwaarden is vermeld, evenwel niet bij de posten waarvoor geen maximum bedrag is verzekerd. Over dat laatste zijn partijen het eens.

2.10. [eiseres] stelt nog dat ASR geen beroep op artikel 11 van de Bijzondere Voorwaarden toekomt, omdat ASR bewust de toestand van onderverzekering heeft doen voortbestaan. [eiseres] verwijst naar een inspectierapport van een inspecteur van ASR, waarin volgens haar is geconstateerd dat de waarde van de opstal EUR 800.000 is, zonder vast te stellen of op te merken dat dit bedrag onvoldoende zou zijn. Volgens [eiseres] maakt dit dat ASR bekend was met de waarde van de verzekerde zaken en daarmee ook met de mogelijkheid van onderverzekering.

Ook deze stelling van [eiseres] moet worden verworpen. Het inspectierapport is, zoals ASR gemotiveerd aanvoert, een technisch rapport in verband met een risicotaxatie met betrekking tot de ligging van het bedrijf van [eiseres] en over eventueel te nemen preventieve maatregelen. Uit het rapport blijkt niet van enige waardering van roerende of onroerende zaken. Alleen de gegevens uit de verzekeringsovereenkomst zijn opgenomen, waaronder de verzekerde som. [eiseres] kan naar het oordeel van de rechtbank uit dit rapport dan ook niet afleiden dat ASR door middel van dit rapport bij [eiseres] de indruk heeft willen wekken dat de in de polis vermelde verzekerde som wel toereikend zou zijn.

2.11. [eiseres] voert tot slot nog aan dat zij op 21 november 2008 nogmaals schade aan de verzekerde opstal heeft geleden voor EUR 13.387 en dat ASR dit bedrag onder aftrek van het eigen risico maar zonder toepassing van onderverzekering aan [eiseres] heeft uitgekeerd. Volgens [eiseres] blijkt dit ook uit een brief van ASR van 2 maart 2009, waarin dat wordt bevestigd. [eiseres] stelt dat daaruit blijkt dat ook ASR van oordeel was dat haar geen beroep op onderverzekering toekomt. ASR heeft daartegen aangevoerd dat [eiseres], doordat bij de afhandeling van een “zeer geringe” (eerdere) schade geen korting wegens onderverzekering is toegepast, niet het vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat de verzekerde waarde zonder meer voldoende zou zijn. De rechtbank verwerpt de stelling van [eiseres]. Of ASR zelf van oordeel was dat haar geen beroep op onderverzekering toekomt, kan uit de eerdere uitkering zonder korting vanwege onderverzekering niet worden afgeleid. Dit kan evenmin worden afgeleid uit de brief van ASR van 2 maart 2009. Daarin staat immers slechts te lezen dat ASR het schadebedrag verminderd met het eigen risico zal uitkeren. Het staat ASR overigens vrij om in de uitvoering van haar schadebeleid bij geringere schadebedragen in voor de verzekerde gunstige zin af te wijken van de algemene of bijzondere voorwaarden.

2.12. Met betrekking tot de onder de brandverzekering vallende schadeposten betekent het voorgaande dat de uitkering wegens de schade aan de opstal volgens de breuk EUR 806.557 (het geïndexeerde verzekerde bedrag) gedeeld door EUR 1.129.473 (de door de taxateurs vastgestelde waarde van het pand direct voorafgaande aan de brand) moet worden berekend, hetgeen een factor afgerond 0,71410029279 geeft. De uitkering bedraagt

EUR 1.055.234 (het vastgestelde schadebedrag) vermenigvuldigd met die factor, derhalve afgerond EUR 753.542,91.

De vergoeding voor de opruiming bedraagt EUR 53.500, omdat de hieruit voortgevloeide schade niet aan het aan de verzekerde som verbonden maximum is gebonden en deze schadepost het maximum bedrag ook niet overstijgt. Dit geldt ook voor de bestratingskosten, zodat het gevorderde bedrag van EUR 17.500 zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de huurderving geldt net als bij de opruimingskosten dat maximaal 10% van de geïndexeerde verzekerde som wordt uitgekeerd, mits die schade is geleden. Gesteld en niet weersproken is dat [eiseres] deze schade heeft geleden, zodat door ASR EUR 80.655 moet worden betaald.

2.13. Uit hoofde van het opstalgedeelte van de brandverzekering heeft [eiseres] samenvattend recht op betaling van EUR 753.542,91, EUR 53.500, EUR 17.500 en EUR 80.655, tezamen EUR 905.197,91.

2.14. De in de Bijzondere Voorwaarden Inventaris en Goederen opgenomen onderverzekeringsbepaling heeft dezelfde gevolgen als die in de bepaling van opstalschade. In deze verzekeringsovereenkomst is echter geen indexeringsclausule overeengekomen. De verzekerde som bedraagt EUR 100.000. De waarde direct voorafgaande aan de brand van de onder deze verzekering vallende goederen is door de taxateurs vastgesteld op EUR 140.561. Dat betekent dat er sprake is van onderverzekering. Hiervoor moet dezelfde formule worden toegepast als is gebruikt in 2.12, zodat EUR 100.000 moet worden gedeeld door EUR 140.561, hetgeen oplevert een factor van afgerond 0,71143489303.

De schade aan deze goederen bedroeg volgens deze taxateurs EUR 118.236 en de schade aan de goederen EUR 18.575. Uitgekeerd moeten worden die schadebedragen vermenigvuldigd met voornoemde factor, derhalve afgerond EUR 84.117,22 voor de inventaris en EUR 13.214,90 voor de goederen. Deze bedragen moeten worden vermeerderd met de opruimingskosten van EUR 1.500 en schade aan eigendommen van de directie van EUR 1.000. Over deze bedragen bestaat geen geschil. In totaal betreft het EUR 99.832,12.

De garageverzekering

2.15. Naast de brandverzekering is tussen partijen een garageverzekering van kracht. Voor zover van belang zijn de volgende bepalingen uit die overeenkomst van belang:

a. Op het polisblad bij de garageverzekering met het polisnummer 16910297 van 12 juli 2007 is onder meer vermeld:

“Dekking Aansprakelijkheid

Rubriek G 1 (…)

Rubriek G 2 (…)

Casco Motorrijtuigen

Rubriek G 4 schade aan motorrijtuigen van cliënten (…)”

b. Voor schade aan motorrijtuigen van derden bedraagt de verzekerde som EUR 1.250.000.

c. In de Bijzondere Voorwaarden Rubriek Schade aan motorrijtuigen van cliënten- G4 (model GCCL 06-2) is een omschrijving gegeven van het begrip ‘cliëntobjecten’, te weten kort gezegd motorvoertuigen, aanhangers, losse onderdelen die van cliënten zijn en aan de verzekerde zijn toevertrouwd wegens keuring, onderhoud of reparatie.

2.16. [eiseres] stelt dat er schade aan eigendommen van derden is ontstaan. Dit betreft schade aan drie gasflessen van totaal EUR 951,20, carsafekluizen van totaal EUR 2.450, een hekwerk van de gemeente ’s-Hertogenbosch van EUR 497,42 en een aantal auto’s van derden, waartoe zij rekent een auto van de directeur van [eiseres] en een aantal auto’s van [A]. Verder is schade ontstaan aan circa 100 voor derden opgeslagen winterbanden voor totaal EUR 4.000, verloren gegane autosleutels voor EUR 397,82 en kosten van huurauto’s voor gedupeerde cliënten, in totaal EUR 4.406. Deze schadeposten vallen volgens [eiseres] onder de dekking van de garageverzekering.

2.17. ASR heeft in haar antwoordakte een beroep gedaan op de beperkte dekking van de voorwaarden verbonden aan Rubriek G4, zoals die hiervoor in 2.14 onder c zijn vermeld. Zij heeft dit stuk bij antwoordakte overgelegd. In haar akte stelt zij dat op het polisblad van de garageverzekering nadrukkelijk naar deze Rubriek wordt verwezen en dat die daardoor onderdeel uitmaken van de verzekeringsovereenkomst. [eiseres] heeft in haar akte uitlating productie betwist dat die voorwaarden op deze verzekering van toepassing zijn omdat uit de door ASR overgelegde voorwaarden blijkt dat dat model op het polisblad niet van toepassing is verklaard. Voorts voert [eiseres] aan dat zij daarvan eerst door lezing van de akte van [eiseres] kennis heeft genomen.

2.18. De rechtbank oordeelt als volgt. Uit het in 2.14 onder a vermelde polisblad, dat door [eiseres] als onderdeel van productie 1 bij dagvaarding is overgelegd, volgt in duidelijke bewoordingen dat naast de daar genoemde Bijzondere Voorwaarden voor het onderdeel casco motorrijtuigen “Rubriek G4 schade aan motorrijtuigen van cliënten” dekking wordt verleend en dat premie zal worden betaald voor onder meer Rubriek G4. Uit de beschrijving van de premiesamenstelling volgt dat voor deze post een substantieel deel van de premie wordt gereserveerd. Deze verwijzingen waren duidelijk kenbaar voor [eiseres]. Geoordeeld moet dan ook worden dat deze rubrieksvoorwaarden onderdeel uitmaken van de verzekeringsovereenkomst tussen partijen en aan [eiseres] kenbaar waren en in ieder geval kenbaar hadden kunnen zijn. Bij de beoordeling van dit onderdeel van het geschil zal de rechtbank uitgaan van de toepasselijkheid van deze voorwaarden.

2.19. ASR voert voorts aan dat als gevolg van deze beperkte dekking de schade aan de gasflessen, de carsafekluizen en de winterbanden niet gedekt is. De schade aan auto’s van derden en de autosleutels valt daar wel onder, mits is voldaan aan de eisen die in de voorwaarden van die rubriek zijn vermeld. De auto’s van de directeur van [eiseres] en van [A] voldaan daar niet aan, aldus ASR.

2.20. De rechtbank honoreert het verweer van ASR met betrekking tot de gasflessen, de carsafekluizen en de winterbanden. Deze zaken zijn geen ‘cliëntobjecten’, zoals omschreven in de voorwaarden van rubriek G4, te weten kort gezegd motorvoertuigen, aanhangers, losse onderdelen die van cliënten zijn en aan de verzekerde zijn toevertrouwd wegens keuring, onderhoud of reparatie. Immers, uit de stellingen van [eiseres] volgt dat zij de kluisjes, de banden en de gasflessen niet onder zich had wegens keuring, onderhoud of reparatie. Dit betekent dat de vordering met betrekking tot deze schadeposten moet worden afgewezen.

2.21. Wat het hekwerk van de gemeente betreft overweegt de rechtbank dat [eiseres] niet heeft gesteld op grond waarvan deze schade door ASR vergoed zou moeten worden. De rechtbank kan ook niet uit de polisvoorwaarden afleiden op grond van welke bepaling deze schade vergoed zou moeten worden. Dit onderdeel van de vordering zal als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen.

2.22. Besproken behoeft nu nog te worden de door [eiseres] gestelde schade aan auto’s van derden, waartoe zij mede rekent de auto van de directeur en de auto’s van [A], van in totaal EUR 84.792,19. Zonder de auto van de directeur en de auto’s van [A] bedraagt die schade EUR 60.767,19, een en ander volgens een door het bureau Extenso opgestelde lijst (overgelegd als productie 8 bij conclusie van antwoord).

2.23. Aangaande de huurkosten van vervangende auto’s van cliënten van [eiseres] heeft ASR in haar antwoordakte meegedeeld deze schade ‘coulancehalve’ te betalen. De rechtbank gaat ervan uit dat dit ook zal gebeuren en zal op dit onderwerp niet nader ingaan. Wel zal de rechtbank dit bedrag van EUR 4.406 mee berekenen in het uiteindelijk toe te wijzen bedrag.

2.24. De rechtbank verwijst wederom naar de Bijzondere Voorwaarden en de Voorwaarden van Rubriek G4, zoals vermeld in 2.14. Met ASR oordeelt de rechtbank dat als gevolg van de beperkte dekking van Rubriek G4 geen schade aan de auto van de directie behoeft te worden uitgekeerd. Dit volgt reeds uit de titel van deze voorwaarden. [eiseres] heeft geen argumenten aangevoerd waarom deze auto als een auto van cliënten van het bedrijf moeten worden aangemerkt als bedoeld in deze voorwaarden.

Dit betekent dat de schade aan auto’s van cliënten wel vergoed moet worden, maar niet die aan de auto van de directie.

2.25. Op de door ASR als productie 7 bij conclusie van antwoord overgelegde lijst van Extenso is vermeld dat de schade aan auto’s van derden volgens Extenso, buiten de auto van de directie van [eiseres] en de auto’s van [A] (die hierna nog worden besproken) gerekend, EUR 60.767,19 bedraagt. ASR dient genoemd bedrag te vergoeden.

Uit de stellingen partijen volgt dat de schade aan de autosleutels betreft sleutels van de zojuist bedoelde auto’s. Die schade valt daardoor reeds onder de hier besproken dekking. Het hiermee gemoeide bedrag van EUR 397,82 dient ASR uit te keren.

Onbetwist staat overigens vast dat ASR aan [eiseres] reeds een voorschot van EUR 30.000 heeft betaald. Met de betaling hiervan moet bij het bepalen van het nog uit te keren bedrag rekening worden gehouden.

2.26. Verder heeft ASR twee bedragen van € 14.931,96 en EUR 17.873,86, aan de gedupeerden zelf uitgekeerd. [eiseres] betwist de betaling ervan niet, maar voert aan dat deze twee bedragen niet in de schadebegroting van Extenso zijn opgenomen. Deze stelling is juist. De beide auto’s staan weliswaar op die lijst vermeld, echter met de opmerking dat deze schadeposten via een extern rapport zijn begroot. Extenso heeft deze schade dan ook niet meeberekend en genoemde uitkeringen aan gedupeerden kunnen dan ook niet in mindering worden gebracht op de eventueel aan [eiseres] te vergoeden schade, mits het totaal de verzekerde som niet overstijgt. Dat laatste is niet het geval.

2.27. De auto’s van [A], die een autobedrijf naast dat van [eiseres] exploiteert of exploiteerde, zijn kennelijk door hem bij [eiseres] gestald. Dit is als zodanig vermeld in het overzicht van Extenso. De reden van deze stalling heeft [eiseres] niet vermeld. Aldus is niet vast te stellen of deze auto’s vallen onder het bereik van de bepalingen uit Rubriek G4. [eiseres] heeft voor deze nadere onderbouwing voldoende gelegenheid gehad en daarvan geen gebruik gemaakt. De rechtbank zal dit onderdeel van de vordering als onvoldoende onderbouwd afwijzen.

2.28. De slotsom luidt dat ASR op grond van de garageverzekering aan [eiseres] moet betalen EUR 60.767,19, vermeerderd met EUR 397,82, verminderd met het voorschot van EUR 30.000, derhalve EUR 31.165,01.

Overige geschilpunten en conclusies

2.29. [eiseres] heeft haar vordering met betrekking tot geleden bedrijfsschade ingetrokken, omdat deze schade niet verzekerd is. Dit onderdeel behoeft geen nadere bespreking.

2.30. [eiseres] vordert de kosten die verbonden zijn aan een door Krantz & Polak Resolve B.V. opgemaakt rapport. ASR heeft bestreden dat die kosten vergoed behoeven te worden. Zij voert onder meer aan dat de polisvoorwaarden voorzien in de wijze waarop de schade wordt vastgesteld. Die weg is door [eiseres] niet gevolgd.

De rechtbank oordeelt dat [eiseres] niet heeft onderbouwd waarom zij bij de vaststelling van deze schadeposten geen gebruik heeft gemaakt van de door ASR geboden mogelijkheden. Er was immers al een expertisebureau betrokken bij de vaststelling van deze schade, die als PM-post was opgenomen. Daar komt bij dat ASR de door Extenso begrote schade op zichzelf niet heeft betwist, maar alleen de verschuldigdheid ervan. Niet valt in te zien wat de, zoals ASR het noemde, toegevoegde waarde van het rapport van Krantz & Polak Resolve B.V. is geweest. Dit deel van de vordering zal de rechtbank dan ook afwijzen.

2.31. Samengevat valt onder de dekking van de diverse verzekeringen:

- EUR 905.197,91 (2.13)

- EUR 99.832,12 (2.14)

- EUR 4.406,-- (2.23) en

- EUR 31.165,01 (2.28),

hetgeen tezamen EUR 1.040.601,84 bedraagt. De rechtbank zal ASR veroordelen tot betaling aan [eiseres] van dit bedrag, met inachtneming van het hierna volgende.

2.32. [eiseres] heeft gevorderd ASR te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over het toe te wijzen bedrag vanaf de dag van de dagvaarding. ASR heeft zich hiertegen verweerd. Zij heeft aangevoerd dat uit artikel 9 van de algemene voorwaarden volgt dat de wettelijke rente eerst is verschuldigd vanaf vier weken nadat ASR de beschikking heeft over alle gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de schade en dat zij, door de weigerachtige houding van [eiseres], nog steeds niet de beschikking heeft over de noodzakelijke gegevens. Zij meent subsidiair dat zij eerst per 6 februari 2009 over alle gegevens beschikte omdat op die dag het volledige strafdossier van [directeur], de directeur van [eiseres], is overgelegd.

2.33. De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 9 lid 1van de algemene voorwaarden (model VAZ 06-2) bepaalt dat de schade aan de verzekerde wordt vergoed binnen vier weken nadat ASR alle gegevens in haar bezit heeft die zij nodig heeft om de schade te kunnen beoordelen. Binnen die termijn is ASR geen wettelijke rente verschuldigd. Uit de processtukken blijkt dat ASR bij dagvaarding beschikte over alle gegevens die zij nodig had om de schade vast te stellen. Die gegevens blijken immers grotendeels uit de taxatierapporten, die bij dagvaarding zijn overgelegd, dan wel uit de dagvaarding zelf (de auto’s van derden). Slechts de gegevens over de schade aan eigendommen van derden zijn later in het geding gebracht, doch die doen voor de beslissing over de verschuldigdheid van de wettelijke rente niet ter zake, nu dat onderdeel van de vordering zal worden afgewezen.

De slotsom luidt dat de wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de dag van de dagvaarding, zijnde 25 september 2008.

2.34. Bij de berekening van het door ASR aan [eiseres] te betalen bedrag en de wettelijke rente moet - op de wijze als in artikel 6:44 lid 1 BW is bepaald - rekening worden gehouden met de betaling van het (tweede) voorschot van EUR 500.000 op 27 november 2009. De betaling van het (eerste) voorschot van EUR 30.000 speelt bij deze berekening geen rol, omdat die betaling vóór de dagvaarding heeft plaatsgevonden en reeds in de berekening van de hoofdsom is betrokken (zie 2.28). Vorenstaande betekent dat het op 27 november 2009 betaalde voorschot van EUR 500.000 eerst in mindering zal moeten strekken op de (samengestelde) wettelijke rente over EUR 1.040.601,84 vanaf 25 september 2008 tot 27 november 2009 en daarna op de hoofdsom van EUR 1.040.601,84. Over de aldus verminderde hoofdsom zal ASR wettelijke rente moeten betalen vanaf 27 november 2009 tot de dag van volledige betaling.

2.35. ASR zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding EUR 71,80

- vast recht 4.784,00

- salaris advocaat 8.027,50 (2,5 punten × tarief EUR 3.211,00)

Totaal EUR 12.883,30.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. veroordeelt ASR om aan [eiseres] te betalen een bedrag van EUR 1.040.601,84 (een miljoen veertigduizend zeshonderdeen euro en vierentachtig eurocent), verminderd met het op 27 november 2009 betaalde voorschot van

EUR 500.000 en vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf

25 september 2008 tot de dag van volledige betaling, te berekenen op de wijze als in artikel 6:44 lid 1 BW is bepaald en in 2.34 van dit vonnis is overwogen,

3.2. veroordeelt ASR in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op EUR 12.883,30,

3.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.K.J. van den Boom, mr. A.S. Penders en mr. S.H.M. van der Heiden en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2010.

ASP