Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN1211

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
02-07-2010
Datum publicatie
14-07-2010
Zaaknummer
16.600243-10 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Brandstichting, goed dat niet bestemd is om in brand te steken, geen sprake van een beheersbare en controleerbare situatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2010/276
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16.600243-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 2 juli 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1972] te [geboorteplaats],

verblijvende te FPA Roosenburg te Den Dolder,

raadsvrouw mr. E.E. Weiland, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 18 juni 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat:

1. primair: verdachte brand heeft gesticht waardoor personen of goederen in gevaar werden gebracht

subsidiair: verdachte heeft geprobeerd een brand te stichten waardoor personen of goederen in gevaar werden gebracht

meer subsidiair: een brand waardoor personen of goederen in gevaar werden gebracht, aan verdachtes schuld te wijten is

2. verdachte een muur en/of een raam van een woning heeft beschadigd

3 De voorvragen

De raadsman voert aan dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging.

De raadsman stelt dat de officier van justitie door strafvervolging tegen verdachte in te stellen de “ne bis in idem” regel heeft geschonden, omdat verdachte vanwege hetzelfde feit op basis van een rechterlijke uitspraak gedwongen is opgenomen op de gesloten afdeling van Altrecht.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Het BOPZ-traject dat verdachte heeft ondergaan dient een ander belang dan strafrechtelijke vervolging. Er is dan ook geen sprake van een eerdere strafrechtelijke vervolging van verdachte voor hetzelfde feit. De officier van justitie is daarom ontvankelijk in de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feit 1 primair en feit 2 heeft gepleegd. Zij voert ten aanzien van feit 1 aan dat sprake is van brandstichting omdat de papieren op het prikbord niet bestemd waren om in brand gestoken te worden. De handeling van verdachte om de papieren aan te steken impliceert zijn opzet op de brandstichting en dat verdachte vervolgens de gevolgen heeft ingeperkt doet daar niets van af, aldus de officier van justitie. Zij voert voorts aan dat getuigen rookontwikkeling en een vlam hebben waargenomen. Uit het feit dat er verfbussen en kleding in de buurt van het prikbord lagen en bewoners in het pand aanwezig waren die door rookontwikkeling gezondheidsschade konden oplopen, kan worden vastgesteld dat sprake was van te duchten (levens)gevaar voor goederen en personen.

Ten aanzien van feit 2 baseert de officier van justitie zich voor de bewezenverklaring op de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank verdachte moet vrijspreken, omdat geen sprake is geweest van te duchten (levens)gevaar voor goederen en personen en bovendien verdachtes opzet niet gericht was op gevaar. Verdachtes doel was slechts het laten afgaan van het brandalarm. Hij had de brand volledig onder controle, gelet op de omvang van de brand had hij deze zelfs zonder handdoek nog uit kunnen maken. De juistheid van de verklaringen van de getuigen met betrekking tot de rookontwikkeling moet in twijfel worden getrokken, aangezien deze getuigen ten tijde van de brand niet aanwezig waren in het halletje waar de brand plaatsvond.

Met betrekking tot feit 2 heeft de raadsman geen verweer gevoerd.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Na een melding van de Regionale Meldkamer arriveert de politie op 6 maart 2010 bij de [adres] te Utrecht. Op de eerste verdieping van het pand zien zij een zwartgeblakerd prikbord aan de wand hangen, dat zich bevond naast de deur van een van de bewoners van het pand. Op de grond liggen diverse resten van verbrand papier en resten van vuurwerk verspreid over de vloer. De verbalisanten maken foto’s van de situatie ter plaatse. Namens woningbouwvereniging Stichting Bo-Ex ’91 wordt aangifte gedaan van brandstichting. Aangever verklaart dat die avond iemand de trap op liep naar de eerste verdieping van het pand en dat hij kort daarna werd gebeld door de bewoonster. Toen hij naar boven wilde lopen zag hij een man staan die riep: “Het gaat in de fik” en direct daarna zag hij veel rook en vlammen bovenaan de trap. Aangever belt 112 en ziet daarna dat de man op de begane grond van het pand met een spuitbus zwarte verf op de muur in de gang aan het spuiten is, dat hij vervolgens naar buiten loopt en met de spuitbus op de ramen van aangevers kamer aan het spuiten is. Aangever verklaart voorts dat hij na de komst van de politie ziet dat op de eerste verdieping papieren die aan een prikbord hingen in brand waren gestoken, terwijl dit prikbord direct naast de toegangsdeur van de bewoonster van de eerste verdieping hing en in de directe nabijheid van dit bord veel brandbare goederen zoals verfbussen en kleding lagen. Ook ziet hij dat op de begane grond het woord “Puta” op de muur staat geschreven. De man wordt aangehouden en blijkt [verdachte] te zijn. Verdachte bekent dat hij de muur en ramen van een woning aan de [adres] te [woonplaats] heeft beschadigd door daar met een spuitbus de woorden “puta” en “hoer” op te spuiten .

Verdachte ontkent dat hij brand heeft gesticht in de woning. Hij verklaart dat hij weliswaar een aangestoken rotje heeft neergelegd op de overloop en dat hij papieren op het prikbord heeft aangestoken, maar hij verklaart ook dat hij dit brandje onder controle had en heeft uitgestampt met zijn voeten en uitgemaakt met een handdoek, zodra het brandalarm was afgegaan.

De rechtbank is van oordeel dat er wel sprake is geweest van brandstichting door verdachte, terwijl daarvan gevaar voor goederen te duchten viel en wel om de volgende reden. De papieren die op het prikbord in het halletje van het pand hingen en door verdachte werden aangestoken bevonden zich in een woning. Het is een feit van algemene bekendheid dat het aansteken van spullen in een woning een gevaarlijke situatie oplevert. Dit is slechts anders wanneer het gaat om spullen die bestemd zijn om te worden aangestoken, hetgeen vaak blijkt uit een daarvoor gecreëerde omkaderde en beheersbare omgeving, waarin voorzieningen zijn getroffen om bijvoorbeeld rookontwikkeling te kanaliseren of om de vlamgrootte te reguleren. Dit is het geval bij het aansteken van haardblokken in een open haard waarbij een rookkanaal aanwezig is, of bij het aansteken van het gas in de keuken, waarbij door middel van een knop de vlamgrootte gereguleerd kan worden. De papieren die door verdachte werden aangestoken bevonden zich niet in zo’n beschermende en beheersbare omgeving. Uit de foto van het prikbord die zich in het dossier bevindt blijkt dat er meerdere papieren op het prikbord hingen, waarvan sommige buiten het prikbord staken en er bovendien direct naast het prikbord nog andere papieren, brandbare voorwerpen en bedrading hingen. De rechtbank stelt dan ook vast dat de papieren op het prikbord niet bestemd waren om in brand gestoken te worden en dat bij het aansteken van deze papieren geen sprake was van een beheersbare, te controleren situatie. Wanneer het gaat om het aansteken van spullen die daartoe niet bestemd zijn is het voldoende om aan te nemen dat de opzet van diegene gericht was op brandstichting, wanneer kan worden vastgesteld dat die opzet gericht was op het in brand steken van dat goed. Nu verdachte zelf heeft verklaard dat hij het papier in brand wilde steken om het brandalarm te laten afgaan, is de rechtbank van oordeel dat verdachtes opzet op het in brand steken van de papieren bewezen is. Niet vereist is dat zijn opzet gericht was op de gevaarzetting van de brand.

Voor de vraag of sprake is geweest van brandstichting is echter niet voldoende dat bewezen wordt dat verdachtes opzet gericht was op het in brand steken van een goed dat daarvoor niet bestemd was, maar daarnaast is van belang of sprake is geweest van gemeen gevaar voor goederen of levensgevaar voor personen. De rechtbank komt op basis van de hiervoor genoemde verklaring van aangever dat in de directe nabijheid van dit bord veel brandbare goederen zoals verfbussen en kleding lagen tot een bewezenverklaring daarvan.

De rechtbank komt ook tot een bewezenverklaring van de beschadiging van een muur en ramen van de woning aan de [adres] door verdachte, op grond van de hiervoor genoemde aangifte en bekennende verklaring van verdachte.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1. primair

op 6 maart 2010 te Utrecht opzettelijk brand heeft gesticht in een pand of woning (gelegen aan de [adres]), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een aansteker in aanraking gebracht met één rotje en/of één of meer papier(en) aan een

(kurken) prikbord) (terwijl in de directe nabijheid verfbussen en kleding lagen) ten gevolge waarvan voornoemd (kurken) prikbord in voornoemde woning gedeeltelijk is verbrand terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was;

2.

op 06 maart 2010 te Utrecht opzettelijk en wederrechtelijk een muur en ramen van een woning (gelegen aan de [adres]) toebehorende aan Stichting Bo-Ex '91 heeft beschadigd, door toen aldaar opzettelijk en wederrechtelijk met een

spuitbus de woorden "puta" en "hoer" op een muur en ramen van voornoemde woning te spuiten.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1 primair: opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

Feit 2: opzettelijk en wederrechtelijk enige goed dat aan een ander toebehoort beschadigen, meermalen gepleegd

5.2 De strafbaarheid van verdachte

5.2.1 Het standpunt van de verdediging

De raadsman voert aan dat verdachte ten tijde van het plegen van het feit onder invloed was van zijn psychotische beleving. Verdachte kan om die reden niet strafbaar zijn en moet ontslagen worden van alle rechtsvervolging, aldus de raadsman.

5.2.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van oordeel dat nu door de deskundigen geen volledige ontoerekeningsvatbaarheid is vastgesteld, geen sprake kan zijn van ontslag van alle rechtsvervolging.

5.2.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat uit het psychiatrisch rapport d.d. 21 mei 2010 dat met betrekking tot de persoon van verdachte is opgemaakt, naar voren komt dat verdachte ten tijde van het delict als sterk verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. De rechtbank neemt deze conclusie over en maakt die tot de hare. De rechtbank overweegt voorts dat nu deze conclusie geen algehele ontoerekeningsvatbaarheid inhoudt, de verdachte strafbaar is. De rechtbank zal bij het opleggen van een straf rekening houden met de sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte en verwijst daarvoor naar wat onder 6.3 wordt overwogen.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 226 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 150 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarde dat verdachte verplicht is aanwijzingen van de reclassering op te volgen, ook als dat inhoudt een behandeling bij Kade 17.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om een voorwaardelijke strafoplegging, onder de bijzondere voorwaarde dat verdachte verplicht is zijn medewerking te verlenen aan een behandeling.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

De rechtbank overweegt dat verdachte zich in en rond de woning aan de [adres] gevaarlijk en hinderlijk heeft gedragen. De brandstichting en beschadiging hebben overlast gegeven voor de bewoners van dit pand en dit kan verdachte worden aangerekend. Zoals hiervoor onder 5.2.3 overwogen moet verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar worden beschouwd ten tijde van het plegen van deze feiten, omdat hij onder invloed verkeerde van een psychose. De rechtbank neemt dit gegeven mee bij het bepalen van de strafmaat. Voorts houdt zij er rekening mee dat verdachte naar aanleiding van deze delicten is aangehouden en in voorarrest heeft gezeten en dat hij daarna met een rechterlijke machtiging is opgenomen. Omdat verdachte al enige tijd in Roosenburg verblijft en daar een behandeling ondergaat, acht de rechtbank het niet noodzakelijk dat verdachte een behandeling volgt bij Kade 17. Uit de psychiatrische rapportage die met betrekking tot de persoon van verdachte is opgemaakt volgt namelijk dat de behandelend psychiater en de reclassering geen voorkeur hebben voor een behandeling in het strafrechtelijk kader, dan wel in het kader van de BOPZ-maatregel, zolang verdachte maar een passende klinische behandeling krijgt. Nu verdachte deze behandeling ondergaat in Roosenburg, kan daarmee worden volstaan. Wel acht de rechtbank het zinvol dat verdachte nog gedurende een periode door Reclassering Nederland wordt begeleid en om die reden komt de rechtbank tot de volgende strafoplegging.

De rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 136 dagen noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Een deel daarvan, te weten 60 dagen zal de rechtbank voorwaardelijk opleggen, waardoor een verplichte begeleiding door Reclassering Nederland mogelijk is.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 57, 157, 350 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1 primair: opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

Feit 2: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat aan een ander toebehoort beschadigen, meermalen gepleegd;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 136 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarde;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.G. van Doorn, voorzitter, mr. P. Wagenmakers en mr. M.S. Koppert, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Scheffer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 2 juli 2010.