Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN0778

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
07-07-2010
Datum publicatie
09-07-2010
Zaaknummer
268102 / HA ZA 09-1254
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewonersvereniging en twee bewoners spreken de gemeente aan, omdat de toenmalige wethouder toegezegd zou hebben dat een perceel groen in hun wijk openbaar groen zou blijven, niet bebouwd zou worden en het gebruik van het perceel jaarlijks geevalueerd zou worden. De gemeente zou volgens eisers aan deze toezeggingen gebonden zijn. Vragen aan de orde:

- Zijn eisers ontvankelijk?

- Heeft de gemeente een kwalitatieve verplichting op zich genomen?

- Was de wethouder bevoegd de gemeente te binden?

- Is er door de toezegging (en de acceptatie daarvan door eisers) een overeenkomst tot stand gekomen?

Vorderingen in conventie worden afgewezen. In reconventie wordt het beslag op het perceel opgeheven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 268102 / HA ZA 09-1254

Vonnis van 7 juli 2010

in de zaak van

1. de vereniging

BEWONERSVERENIGING [eiser sub 1],

gevestigd te [woonplaats],

eiseres in conventie,

en

2. [eiser sub 2],

3. [eiser sub 3],

beiden wonende te [woonplaats],

eisers in conventie,

verweerders in reconventie

advocaat: mr. P.A. van Lange,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE DE RONDE VENEN,

zetelend te Mijdrecht,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat: mr. P.L. Visser.

Partijen zullen hierna afzonderlijk de Bewonersvereniging, [eiser sub 2], [eiser sub 3] en

de Gemeente genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 19 augustus 2009;

- het proces-verbaal van comparitie van 23 november 2009;

- de conclusie van eis in reconventie van 23 november 2009;

- de conclusie van antwoord in reconventie van 6 januari 2010 van [eiser sub 2] en [eiser sub 3].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser sub 2] en [eiser sub 3] zijn inwoners van de wijk [wijk] te [woonplaats], één van de kernen van de Gemeente.

2.2. Voorafgaand aan de oprichting van de Bewonersvereniging heeft het Buurtcomité [buurtcomité] e.o. (hierna: het Buurtcomité) gehandeld als vertegenwoordiger van een groep van circa 40 inwoners van de Gemeente.

2.3. In de akte van oprichting van 18 maart 2009 van de Bewonersvereniging is onder meer het volgende opgenomen:

“Artikel 3. Doel.

3.1 De vereniging heeft ten doel het behartigen van de belangen van de bewoners van de wijk [wijk] en omgeving in [woonplaats], gemeente De Ronde Venen, in het bijzonder op het gebied van de ruimtelijke ordening, de groenvoorzieningen, de wijkvoorzieningen en de verkeersvoorzieningen, en in het algemeen van alle belangen van deze bewoners bij het behoud en de bescherming van hun woon- en leefklimaat, alles in de ruimste zin genomen.

(…)

Slotverklaring.

Ten slotte heeft de comparant verklaard:

dat bij deze oprichting worden benoemd tot bestuursleden van de vereniging in de achter hun naam vermelde functie:

1. de heer drs. [eiser sub 2], (…) als voorzitter;

2. (…)

3. de heer mr. [eiser sub 3] voornoemd, als bestuurslid”

2.4. In de wijk [wijk] te [woonplaats] ligt een perceel grond (hierna: het perceel) dat eigendom is van de Gemeente. Ter plaatse vigeert het bestemmingsplan ‘Woonkernen 2006’. Op het perceel rust de bestemming ‘Groenvoorziening’. Uit het bestemmingsplan en de daarbij behorende voorschriften volgt dat woningbouw met die bestemming in strijd is. Tot en met 2003 was het perceel met name in gebruik als openbaar groen en speelvoorziening (park). Op grond van het besluit van de Gemeenteraad van 18 maart 2004 is een gedeelte van het perceel ingericht als voetbalveld, wat in gebruik is genomen door de naastgelegen voetbalvereniging CWS.

2.5. Het Estafetteproject is een ontwikkelingsscenario voor de kernen Mijdrecht en [woonplaats] om de gevolgen van de vergrijzing op te vangen. De hoofdgedachte van het project is om op het perceel een bouwprogramma te realiseren, gericht op wonen, zorg en welzijn. Het voetbalveld zou dan van het perceel verdwijnen en de naastgelegen voetbalvereniging CWS en de sportclub Argon zouden worden verplaatst om ruimte te maken voor deze woningbouw. Voor het realiseren van het Estafetteproject is de Gemeente op 12 juli 2007 een intentieovereenkomst aangegaan met de combinatie Rabobank Veenstromen/Bouwfonds Ontwikkeling (hierna: Bouwfonds). Op basis van die intentieovereenkomst hebben de Gemeente en Bouwfonds een haalbaarheidsonderzoek voor het Estafetteproject gedaan, dat in november 2008 is afgerond. Op 5 maart 2009 heeft de besluitvorming in de Gemeenteraad plaatsgevonden over de uitkomsten van het haalbaarheidsonderzoek. Daarbij heeft de Gemeenteraad besloten verder te gaan met het Estafetteproject en daartoe een samenwerkingsovereenkomst aan te gaan met Bouwfonds.

2.6. Op 5 oktober 2009 heeft de Gemeenteraad besloten om door te gaan met het Estafetteproject. Er zijn wel enkele amendementen geweest vanuit de Gemeenteraad, onder andere over het perceel. In het nieuwe plan zal slechts ongeveer de helft van het perceel bebouwd gaan worden. De projectontwikkelaar moet nu beoordelen of dit gewijzigde plan financieel haalbaar is. Als de projectontwikkelaar instemt, zal de samenwerkingsovereenkomst gesloten gaan worden en zal het traject van de bestemmingsplanwijziging worden ingezet.

2.7. [eiser sub 2] en [eiser sub 3] hebben na voorafgaande beschikking van 4 maart 2009 van de Voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht beslag op het perceel laten leggen.

3. Het geschil

in conventie

3.1. Eisers vorderen bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair

1. te verklaren voor recht dat de Gemeente met de omwonenden vertegenwoordigd door het toenmalige buurtcomité [buurtcomité], althans de leden van het buurtcomité, althans [eiser sub 2] en [eiser sub 3] en de Bewonersvereniging, voor zover deze in de plaats is getreden van het buurtcomité, overeen is gekomen dat het perceel niet zal worden bebouwd en/of openbaar groen blijft, althans een zodanige overeenkomst is aangegaan met de omwonenden als de rechtbank in goede justitie vermeent te zijn bewezen;

2. te verklaren voor recht dat een rechtshandeling van de Gemeente in strijd met de hiervoor omschreven overeenkomst strijdig is met de geschreven of ongeschreven regels van publiekrecht en derhalve nietig is, althans door dit vonnis wordt vernietigd;

3. indien en voor zover de Gemeente reeds een overeenkomst is aangegaan, waaronder uitdrukkelijk begrepen de SamenwerkingsOvereenkomst aangegaan met Ontwikkelingsmaatschappij BWB MO B.V. en/of Rabobank Vastgoed B.V. en/of Coöperatieve Rabobank Veenstromen u.a., althans een andere rechtshandeling heeft verricht die leidt of kan leiden tot de bebouwing en/of wijziging van de groene functie van het perceel, deze overeenkomst, althans rechtshandeling, te vernietigen, in ieder geval voor zover daarbij overeengekomen is, althans de verplichting aangegaan dat het perceel wordt bebouwd en/of de groene functie daarvan verandert;

subsidiair

4. te verklaren voor recht dat de Gemeente heeft toegezegd dat het perceel niet zal worden bebouwd en/of de groene functie daarvan niet verandert, althans een zodanige toezegging heeft gedaan jegens de omwonenden als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te zijn bewezen;

5. te verklaren voor recht dat een rechtshandeling van de Gemeente in strijd met de hiervoor omschreven toezegging strijdig is met de geschreven of ongeschreven regels van publiekrecht en derhalve nietig is, althans door dit vonnis wordt vernietigd;

6. indien en voor zover de Gemeente reeds een overeenkomst is aangegaan, waaronder uitdrukkelijk begrepen de SamenwerkingsOvereenkomst aangegaan met Ontwikkelingsmaatschappij BWB MO B.V. en/of Rabobank Vastgoed B.V. en/of Coöperatieve Rabobank Veenstromen u.a., althans een andere rechtshandeling heeft verricht die leidt of kan leiden tot de bebouwing of wijziging van de groene functie van het perceel, deze overeenkomst, althans rechtshandeling, te vernietigen, althans nietig te verklaren, in ieder geval voor zover daarbij overeengekomen is, althans de verplichting aangegaan dat het voornoemde perceel wordt bebouwd en/of de groene functie daarvan verandert.

meer subsidiair

7. te verklaren voor recht dat de Gemeente met de bewoners vertegenwoordigd door het toenmalige buurtcomité [buurtcomité], althans de leden van het buurtcomité, althans [eiser sub 2] en [eiser sub 3] en de Bewonersvereniging, voor zover deze in de plaats is getreden van het buurtcomité, overeen is gekomen dat het perceel niet zal worden bebouwd en/of openbaar groen blijft, althans een zodanige overeenkomst is aangegaan als de rechtbank in goede justitie vermeent te zijn bewezen;

8. te verklaren voor recht dat indien en voor zover de Gemeente reeds een overeenkomst is aangegaan of andere rechtshandeling heeft verricht, althans een overeenkomst aangaat of rechtshandeling verricht, die leidt of kan leiden tot de bebouwing en/of verandering van de groene functie van het perceel het aangaan van deze overeenkomst, althans verrichten van die rechtshandeling een toerekenbare tekortkoming aan de zijde van de Gemeente inhoudt.

9. de Gemeente te gebieden de sub 1 omschreven overeenkomst na te komen onder oplegging van een dwangsom groot EUR 1.000.000,- te verbeuren aan de Bewonersvereniging indien de Gemeente het perceel geheel of gedeeltelijk overdraagt, althans de grond bebouwt, althans doet bebouwen, althans bebouwing toestaat, althans de functie openbaar groen van het perceel aantast, althans onder oplegging van een zodanige dwangsom en bijbehorende last als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;

10. de Gemeente te veroordelen tot het vergoeden van de schade die eisers ten gevolge voor de hiervoor omschreven toerekenbare tekortkoming lijden en nog zullen lijden, welke schade nader opgemaakt dient te worden bij staat en vereffend als volgens de wet;

uiterst subsidiair

11. te verklaren voor recht indien en voor zover de Gemeente een overeenkomst is aangegaan of andere (rechts)handeling heeft verricht, althans een overeenkomst aangaat of (rechts)handeling verricht, die leidt of kan leiden tot de bebouwing en/of wijziging van de groene functie van het perceel, deze overeenkomst, althans rechtshandeling een onrechtmatige daad aan de zijde van de Gemeente jegens de omwonenden, althans eisers, inhoudt;

12. de Gemeente te verbieden enige (rechts)handeling te verrichten die leidt of kan leiden tot de bebouwing en/of aantasting van de groene functie van het perceel, onder oplegging van een dwangsom groot EUR 1.000.000,- te verbeuren aan de Bewonersvereniging voor iedere (rechts)handeling die de Gemeente in strijd met het omschreven verbod verricht, althans onder oplegging van een zodanige dwangsom en bijbehorende last als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;

13. de Gemeente te veroordelen tot het vergoeden van de schade die eisers ten gevolge van de hiervoor omschreven onrechtmatige daad lijden en nog zullen lijden, welke schade nader opgemaakt dient te worden bij staat en vereffend als volgens de wet,

in alle gevallen

14. met veroordeling van de Gemeente in de kosten van dit geding, daaronder begrepen de kosten van het gelegde beslag.

3.2. De Gemeente voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen in conventie. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.3. De Gemeente vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [eiser sub 2] en [eiser sub 3] ieder hoofdelijk te bevelen om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis het op 4 maart 2009 gelegde conservatoir beslag op het perceel te doen opheffen, onder hoofdelijke verbeurte van een dwangsom van EUR 100,- per dag voor iedere dag dat [eiser sub 2] en [eiser sub 3] nalaten het beslag op te heffen, met hoofdelijke veroordeling van [eiser sub 2] en [eiser sub 3] in de kosten van de procedure in reconventie.

3.4. [eiser sub 2] en [eiser sub 3] voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen in reconventie. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. Eisers leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat zij in 2004 – na overleg tussen het College van Burgemeester en Wethouders (hierna: het College), de voetbalvereniging CWS en het Buurtcomité – akkoord zijn gegaan met de aanleg en het in gebruik geven van het perceel als voetbalveld onder de voorwaarden dat het perceel openbaar groen zou blijven en in de toekomst niet alsnog bebouwd zou gaan worden en dat het gebruik van het perceel na een jaar geëvalueerd zou worden. De toenmalige wethouder, de heer [A], heeft volgens eisers beide punten toegezegd en daarmee de Gemeente gebonden aan de verplichting het perceel onbebouwd en groen te laten. Eisers betogen dat de Gemeente daarmee een kwalitatieve verplichting op zich heeft genomen, althans een overeenkomst met de omwonenden is aangegaan, althans een toezegging heeft gedaan jegens de omwonenden. Een en ander is volgens eisers uiteindelijk ook naar de Gemeenteraad gestuurd, die heeft ingestemd met dit voorstel.

4.2. Het door de Gemeente met Bouwfonds aangaan van een samenwerkingsovereen-komst of het verrichten van een andere rechtshandeling die leidt of kan leiden tot de bebouwing of aantasting van de functie openbaar groen van het perceel is volgens eisers in strijd met de geschreven of ongeschreven regels van publiekrecht, waardoor deze rechtshandeling in strijd is met de openbare orde en dus nietig of vernietigbaar. Het verrichten van de hiervoor beschreven rechtshandeling is verder volgens eisers in strijd met de gesloten overeenkomst en levert een toerekenbare tekortkoming aan de zijde van de Gemeente op. Als er geen sprake is van een overeenkomst is het niet gestand doen van de gedane toezeggingen onbehoorlijk bestuur, wat onrechtmatig is, aldus eisers.

Ontvankelijkheid

4.3. De Gemeente betoogt in de eerste plaats dat de Bewonersvereniging niet-ontvankelijk is in de door haar ingestelde vorderingen, omdat de Bewonersvereniging pas op 18 maart 2009 is opgericht en zij dus onmogelijk partij kan zijn geweest bij de beweerde overeenkomst met de Gemeente. Ook [eiser sub 2] en [eiser sub 3] zijn volgens de Gemeente niet-ontvankelijk in de ingestelde vorderingen, omdat zij nergens hebben gesteld of verklaard dat zij partij bij de beweerde overeenkomst zijn geweest.

4.4. De Bewonersvereniging is pas op 18 maart 2009 opgericht en de vermeend tot stand gekomen overeenkomst met de Gemeente zou in 2004 zijn gesloten. De Bewonersvereniging kan dan ook, zoals de Gemeente terecht aanvoert, geen partij zijn geweest bij de door eisers gestelde overeenkomst. Nu eisers overigens geen gronden hebben aangevoerd op grond waarvan de Bewonersvereniging de nakoming van de gestelde toezeggingen zou kunnen afdwingen zal zij niet-ontvankelijk verklaard worden in haar vorderingen.

4.5. Voor wat betreft de door [eiser sub 2] en [eiser sub 3] ingestelde vorderingen jegens de Gemeente overweegt de rechtbank als volgt. Eisers hebben bij dagvaarding (onder

punt 1) gesteld dat het Buurtcomité bestond uit bestond uit de huidige bestuurders van de Bewonersvereniging, waaronder [eiser sub 2] en [eiser sub 3] en dat dit Buurtcomité tot de oprichting van de Bewonersvereniging heeft gehandeld als vertegenwoordiger van een groep van circa 40 inwoners van de Gemeente. Wethouder [A] zou volgens eisers toezeggingen hebben gedaan aan dit Buurtcomité, dus (onder meer) aan [eiser sub 2] en [eiser sub 3] in persoon. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Gemeente de stelling van eisers dat het Buurtcomité bestond uit de huidige bestuurders van de Bewonersvereniging, waaronder [eiser sub 2] en [eiser sub 3], onvoldoende gemotiveerd betwist, zeker nu uit (de tweede pagina van) het verslag van de openbare vergadering raadscommissie Financiën van 9 oktober 2003 (productie 2 bij dagvaarding) blijkt dat [eiser sub 2] en [eiser sub 3] tijdens die vergadering optraden namens de bewoners van de wijk [wijk] te [woonplaats]. Het staat derhalve vast dat – voor zover wethouder [A] een toezegging zou hebben gedaan – hij deze toezegging heeft gedaan aan [eiser sub 2] en [eiser sub 3]. Zij zijn derhalve ontvankelijk in de door hen ingestelde vorderingen in conventie.

Kwalitatieve verplichting

4.6. [eiser sub 2] en [eiser sub 3] stellen dat de Gemeente een kwalitatieve verplichting op zich heeft genomen doordat de Gemeente zich heeft verplicht – door de toezeggingen van voormalig wethouder [A] aan hen – tot het jaarlijks evalueren van de gemaakte afspraken en tot het onbebouwd en groen laten van het perceel. De Gemeente betwist dat sprake is van enige kwalitatieve verplichting.

4.7. Met de Gemeente is de rechtbank van oordeel dat van de door [eiser sub 2] en [eiser sub 3] gestelde kwalitatieve verplichting geen sprake is. Uit artikel 6:252 van het Burgerlijk Wetboek blijkt dat voor de werking van een kwalitatieve verplichting vereist is dat een dergelijk beding in een overeenkomst is neergelegd, waarvan vervolgens een notariële akte is opgemaakt, die is ingeschreven in de openbare registers. Gesteld noch gebleken is dat aan deze vereisten is voldaan. Dit betekent dat de vorderingen van [eiser sub 2] en [eiser sub 3] niet kunnen worden toegewezen op de grondslag dat de Gemeente een kwalitatieve verplichting jegens hen is aangegaan.

Toezegging wethouder

4.8. [eiser sub 2] en [eiser sub 3] stellen zich op het standpunt dat voormalig wethouder [A] bevoegd was om de Gemeente te vertegenwoordigen, omdat de Commissie Financiën de wethouder expliciet de opdracht heeft gegeven te gaan praten met de omwonenden en een overeenkomst met hen af te sluiten. De Gemeente is van mening dat wethouder [A] niet bevoegd was om de Gemeente te binden.

4.9. De rechtbank overweegt als volgt. De Gemeente wordt gebonden door (rechts)handelingen van één van haar organen; de burgemeester, de raad en het college van burgemeester en wethouders. De wethouder is niet zo’n orgaan en kan derhalve de Gemeente alleen binden indien de bevoegdheid daartoe aan hem is geattribueerd of gemandateerd. Dit geldt voor alle gemeentelijke aangelegenheden en derhalve ook voor zaken die de ruimtelijke ordening betreffen, zoals in het onderhavige geval. Zonder een formele bevoegdheidsgrondslag is de wethouder aan wie de portefeuille ruimtelijke ordening toekomt dus niet bevoegd om namens de Gemeente bindende uitspraken te doen of afspraken te maken. Nu is gesteld noch gebleken dat van een dergelijke formele bevoegdheidsgrondslag sprake was, kan niet worden geoordeeld dat enige uitlating van de wethouder in kwestie tot een de Gemeente bindende overeenkomst heeft geleid. De gestelde opdracht daartoe van de Commissie Financiën verandert dit niet. Om deze reden kan evenmin aan beweerdelijk door de wethouder gedane toezeggingen dat het perceel onbebouwd en groen zou blijven – wat daar ook van zij – enig in rechte te honoreren vertrouwen worden ontleend. Daarvoor is immers eveneens vereist dat de wethouder namens het college of de Gemeenteraad heeft gehandeld. Dat hiervan sprake is, is gesteld noch gebleken. De conclusie moet dan ook zijn dat de Gemeente niet door de beweerdelijke toezegging is gebonden. Daarom kan ook deze grondslag de vordering niet dragen.

Overeenkomst

4.10. Voorts stellen [eiser sub 2] en [eiser sub 3] dat de Gemeente op enig moment in 2004 met de omwonenden een overeenkomst is aangegaan dat het perceel onbebouwd en groen blijft. Deze overeenkomst is volgens hen – zo begrijpt de rechtbank – gebaseerd op de (door hen gestelde) toezegging van voormalig wethouder [A], die vervolgens zou zijn geaccepteerd door het Buurtcomité, waarvan zijzelf deel uitmaakten. Nu de rechtbank hiervoor reeds heeft geoordeeld dat de Gemeente niet gebonden is door de beweerlijke toezegging van [A], kan een eventuele acceptatie van die (beweerlijke) toezegging door [eiser sub 2] en [eiser sub 3] niet leiden tot de conclusie dat er een overeenkomst tot stand zou zijn gekomen tussen de Gemeente en [eiser sub 2] en [eiser sub 3]. Nu de vorderingen in conventie ook op deze grondslag niet kunnen worden toegewezen, is conclusie dat de rechtbank de vorderingen in conventie van [eiser sub 2] en [eiser sub 3] zal afwijzen.

Proceskosten

4.11. Eisers zullen als de in conventie in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Gemeente worden begroot op:

- vast recht EUR 262,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punt × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.166,00

in reconventie

4.12. De Gemeente vordert in reconventie – kort gezegd – opheffing van het op 4 maart 2009 gelegde conservatoir beslag op het perceel.

4.13. [eiser sub 2] en [eiser sub 3] voeren allereerst aan, dat de Gemeente niet ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering, omdat de Gemeente, in strijd met artikel 138 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), haar conclusie van eis in reconventie niet tegelijk met haar conclusie van antwoord in conventie op 5 augustus 2009 heeft ingediend, maar pas op 23 november 2009 (de comparitie van partijen).

4.14. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. De rechter heeft het feit dat de Gemeente haar conclusie van eis in reconventie later heeft ingediend dan haar conclusie van antwoord in conventie aan de orde gesteld tijdens de comparitie van partijen op

23 november 2009. Door of namens eisers is hierover toen het volgende verklaard:

“Wij maken geen bezwaar tegen het feit dat de conclusie van eis in reconventie niet bij conclusie van antwoord is ingediend, mits wij nog een conclusie van antwoord in reconventie mogen indienen”

De rechter heeft vervolgens, met het oog op deze verklaring van [eiser sub 2], in het proces-verbaal opgenomen dat de conclusie van eis in reconventie werd genomen en dat de zaak weer op de rol zou komen van woensdag 6 januari 2010 voor conclusie van antwoord in reconventie aan de zijde van eisers. De rechtbank ziet in het betoog van [eiser sub 2] en [eiser sub 3] geen aanleiding om op deze beslissing terug te komen. De Gemeente is dan ook ontvankelijk in haar vordering.

4.15. De gevorderde opheffing van het conservatoir beslag dient getoetst te worden aan de niet-limitatief geformuleerde opheffingsgronden in artikel 705 lid 2 Rv. In dat artikel is bepaald dat opheffing van het beslag onder meer wordt uitgesproken bij verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld. De beoordeling van de opheffingsvordering kan niet los geschieden van een afweging van de wederzijdse belangen van partijen.

4.16. In dat kader betoogt de Gemeente dat de vorderingen in conventie dienen te worden afgewezen, zodat de Gemeente alleen al uit dien hoofde belang heeft bij opheffing van het gelegde beslag. Verder voert zij aan, dat de gezamenlijke vordering van [eiser sub 2] en [eiser sub 3] is begroot op EUR 260.000,- en dat zij zeer wel in staat is om dit bedrag te betalen. Het beslag is volgens de Gemeente ook niet gelegd als een verhaalsbeslag, maar alleen bedoeld om de levering van het perceel aan een derde partij te frustreren. De Gemeente betoogt dat een verhaalsbeslag hiervoor echter niet bedoeld is. Ten slotte voert de Gemeente aan dat zij beperkt wordt in haar handelingsvrijheid ten aanzien van het perceel. De beslaglegging betreft volgens de Gemeente ook een veel groter stuk grond dan alleen het onderhavige perceel, waardoor zij niet vrij is om verkopen uit dit grotere stuk grond te doen.

4.17. [eiser sub 2] en [eiser sub 3] brengen naar voren dat slechts indien en voor zover de vorderingen van de omwonenden in conventie worden afgewezen, er reden bestaat om de vordering van de Gemeente in reconventie toe te wijzen. Er is dan volgens hen echter geen reden om te komen tot de verzochte uitvoerbaar verklaring bij voorraad. Zij willen immers, zo betogen [eiser sub 2] en [eiser sub 3], rustig kunnen overwegen of zij alsdan in hoger beroep zullen gaan, zonder dat hun mogelijkheden tot verhaal worden gefrustreerd. De Gemeente heeft volgens [eiser sub 2] en [eiser sub 3] ook geen recht en belang bij een uitvoerbaarverklaring bij voorraad, omdat de Gemeente niet zoveel last heeft van het beslag. Anders zou de Gemeente volgens hen wel een kort geding tot opheffing hebben aangespannen of zekerheid hebben aangeboden. Verder betogen [eiser sub 2] en [eiser sub 3] dat de Gemeente het verzoek tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad niet heeft onderbouwd.

Het opleggen van een dwangsom is volgens [eiser sub 2] en [eiser sub 3] ook niet nodig, omdat zij een uitspraak van de rechtbank over het beslag zullen respecteren en vrijwillig zullen overgaan tot het opheffen van het beslag. Ten slotte voeren zij ten aanzien van het betoog van de Gemeente dat zij in haar handelingsvrijheid wordt beperkt door het beslag aan, dat de omwonenden bij herhaling hebben aangegeven dat, als zich situaties voordoen waarin de Gemeente wil beschikken met betrekking tot bepaalde aspecten van het perceel of de grotere omgeving daarvan, dit voor de omwonenden geen enkel probleem hoeft te zijn. Een simpel overleg volstaat volgens hen.

4.18. De rechtbank acht het bij de afweging van de wederzijdse belangen van partijen in het kader van artikel 705 lid 2 Rv allereerst van belang dat de vorderingen in conventie zullen worden afgewezen. Voorts heeft de Gemeente aangevoerd dat zij goed in staat is om gezamenlijke vorderingen van [eiser sub 2] en [eiser sub 3] te betalen. [eiser sub 2] en [eiser sub 3] hebben in hun conclusie van antwoord in reconventie weliswaar aangegeven dat zij niet weten of de Gemeente in staat is het bedrag waarvoor beslag is gelegd te betalen, maar hiermee hebben zij de stelling van de Gemeente onvoldoende gemotiveerd betwist. Zij hebben immers geen enkel concreet aanknopingspunt aangevoerd waaruit volgt dat de Gemeente niet in staat zou zijn te betalen. Ten slotte hebben [eiser sub 2] en [eiser sub 3] de stelling van de Gemeente dat het beslag niet gelegd is als verhaalsbeslag, maar alleen om de levering van het perceel aan een derde partij te frustreren, niet betwist. De Gemeente merkt hierover terecht op dat een verhaalsbeslag daarvoor niet bedoeld is. De conclusie is derhalve dat het belang van de Gemeente bij opheffing van het ten laste van de Gemeente gelegde conservatoir beslag zwaarder weegt dan het belang van [eiser sub 2] en [eiser sub 3] bij handhaving daarvan. De overige door [eiser sub 2] en [eiser sub 3] aangevoerde argumenten maken dit oordeel niet anders.

4.19. Een dwangsom zal daarbij als gevorderd worden opgelegd. [eiser sub 2] en [eiser sub 3] voeren weliswaar aan, dat dit niet nodig is omdat zij de uitspraak van de rechtbank over het beslag zullen respecten, maar de rechtbank ziet hierin geen reden om van oplegging van een dwangsom af te zien. [eiser sub 2] en [eiser sub 3] zullen ook geen last hebben van de opgelegde dwangsom als zij de uitspraak van de rechtbank, zoals zij ook betogen, respecteren. Er bestaat aanleiding de dwangsom op de hierna te vermelden wijze aan een maximum te binden.

4.20. [eiser sub 2] en [eiser sub 3] zullen, ieder hoofdelijk, als de in reconventie in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Gemeente worden begroot op:

- salaris advocaat EUR 452,00 (1,0 punt × factor 0,5 × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 226,00

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. verklaart de Bewonersvereniging niet-ontvankelijk in haar vorderingen,

5.2. wijst de vorderingen van [eiser sub 2] en [eiser sub 3] af,

5.3. veroordeelt eisers in de proceskosten, aan de zijde van de Gemeente tot op heden begroot op EUR 1.166,00,

5.4. verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

5.5 veroordeelt [eiser sub 2] en [eiser sub 3], ieder hoofdelijk, om het gelegde conservatoir beslag op de onroerende zaak gelegen aan het [straat] en [straat] te [woonplaats], kadastraal bekend Gemeente [woonplaats], Sectie [sectie], nummer [nummer], groot 11 hectare, 42 are en 10 centiare binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis op te heffen, onder hoofdelijke verbeurte van een dwangsom van EUR 100,00 per dag, voor iedere dag dat [eiser sub 2] en [eiser sub 3] nalaten het beslag op te heffen, tot een maximum van EUR 20.000,00,

5.6 veroordeelt [eiser sub 2] en [eiser sub 3], ieder hoofdelijk, in de proceskosten, aan de zijde van Gemeente tot op heden begroot op EUR 226,00,

5.7 verklaart dit vonnis in reconventie uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Wagenaar, mr. J.M. Willems en mr. Y. Sneevliet en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2010.

JvdL/YS?