Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN0738

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
07-07-2010
Datum publicatie
08-07-2010
Zaaknummer
277680/HA ZA 09-2651
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser stelt dat de KNWU onrechtmatig jegens hem gehandeld heeft door niet tijdig mede te delen dat het NOC*NSF de regels heeft aangescherpt die gelden voor het verkrijgen van de "A-status".

Niet aangetoond dat eiser aan die aangescherpte eisen zou hebben voldaan als hij daarvan eerder op de hoogte zou zijn geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer/rolnummer: 277680/HA ZA 09-2651

Vonnis van 7 juli 2010

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. R. Tamourt,

tegen

de vereniging

KONINKLIJKE NEDERLANDSCHE WIELREN UNIE (KNWU),

gevestigd te Nieuwegein,

gedaagde,

advocaat mr. J.M. van Noort.

Partijen zullen hierna [eiser] en KNWU genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 17 maart 2010;

- het proces-verbaal van comparitie van 26 mei 2010.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] is baanwielrenner. Hij rijdt wereldbekerwedstrijden in de ploegenachtervolgingen mannen, klasse elite.

2.2. De KNWU is het overkoepelde orgaan in Nederland op het gebied van wielrennen. [eiser] is lid van de KNWU.

2.3. NOC*NSF kan aan een wielrenner een A-status, een B-status of High Potential status toekennen, na voordracht hiervoor door de KNWU bij NOC*NSF. In het toepasselijke Statusreglement Topsporters is hierover opgenomen:

“Artikel 2 Prestatienorm

Lid 1

De prestatienorm voor de A- of B-status wordt na overleg tussen de betrokken bond en NOC*NSF vastgesteld en schriftelijk vastgelegd door NOC*NSF.

Lid 2

Naast de in respectievelijk artikel 4 en 5 in lid 1 genoemde prestaties kan deelnemen aan en presteren op andere evenementen deel uitmaken van de prestatienorm.

Lid 3

Bij afwezigheid van de evenementen genoemd in respectievelijk artikel 4 en 5 in lid 1 bestaat de prestatienorm uit een vergelijkbare prestatienorm, welke nader is uitgewerkt in artikel 3.

(…)

Artikel 3 Vergelijkbare prestatienorm

Lid 1

Een vergelijkbare prestatienorm wordt na overleg tussen de betrokken bond en NOC*NSF vastgesteld.

Lid 2

Voor de invulling van een vergelijkbare prestatienorm wordt zoveel als mogelijk is gebruik gemaakt van internationale topsportevenementen met een zo groot mogelijk aantal deelnemende landen of internationale ranglijsten welke zijn opgesteld door de Internationale Federaties van de betrokken bonden.

Lid 3

Een vergelijkbare prestatienorm kan een samenhangend geheel zijn van meerdere prestaties die op meerdere momenten worden geleverd.

Lid 4

In geval NOC*NSF en de betrokken bond niet tot overeenstemming kunnen komen over de vergelijkbare prestatienorm, beslist NOC*NSF.

II Verkrijging en bevestiging Status

Artikel 4 Verkrijging en bevestiging van de A-status

Lid 1

Een sporter kan de A-status verkrijgen of de A-status bevestigen, indien de sporter zich blijft voorbereiden op het voldoen aan de prestatienorm door middel van deelname aan het trainings- en wedstrijdprogramma van de betrokken bond, en:

a. in de periode van 12 maanden voorafgaande aan de in artikel 9 lid 1 genoemde datum heeft voldaan aan de door de betrokken bond en NOC*NSF afgesproken prestatienorm. Het uitgangspunt van deze norm houdt in dat de sporter bij de eerste 8 is geëindigd tijdens een WK of op de Olympische Spelen. De prestatienorm wordt aangescherpt als sprake is van:

- Paralympische topsportdisciplines als bedoeld in artikel 2 lid 2 sub b. van het Reglement Topsportprogramma’s;

- Categorie 1 Topsportprogramma’s die als zodanig zijn aangemerkt op grond van artikel 6 van het Reglement Topsportprogramma’s (hardheidsclausule);

- Categorie 1 Topsportprogramma’s die als zodanig zijn aangemerkt op grond van artikel 4 lid 1 van het Reglement Topsportprogramma’s en waarbij het gestelde in artikel 3 lid 2 sub d. van dat Reglement van toepassing is;”

2.4. In de toelichting bij artikel 2 is opgenomen:

“Een voorwaarde voor het verkrijgen van een status is het leveren van prestaties. Uitgangspunt daarbij is dat voor het kunnen verkrijgen van de A-status resultaten zijn behaald die aantonen dat de sporter behoort tot de mondiale top-8. Voor de B-status dienen resultaten te zijn behaald die aantonen dat de sporter behoort tot de mondiale top-16. Hierbij is als uitgangspunt genomen dat het topsportprogramma’s betreft die voldoen aan de spreidingscriteria en competitiedichtheid voor de Categorie 1 Topsportprogramma’s, zoals omschreven in het Reglement Topsportprogramma’s. Gelet op de diversiteit en variatie in de programmering van de mondiale competitie wordt, in het kader van uitvoeringsafspraken, per topsportprogramma jaarlijks nader bepaald op grond van welke geleverde prestaties de A- of B-status kan worden verkregen.”

2.5. De KNWU en NOC*NSF noemen de vergelijkbare prestatienorm, als bedoeld in artikel 3 van het Statusreglement Topsporters, de “vangnetconstructie”. In het kader van deze vangnetconstructie waren de KNWU en NOC*NSF met betrekking tot de ploegenachtervolging mannen overeengekomen dat de A-status kon worden verkregen als een ploeg eindigde bij de eerste 8 in het wereldbekerklassement. Begin 2008 heeft NOC*NSF aangegeven de vangnetconstructie te willen aanscherpen. In januari 2009 hebben de KNWU en NOC*NSF gesproken over de nieuwe prestatienormen. Op 5 februari 2009 heeft NOC*NSF aan de KNWU een overzicht toegestuurd van de meetmomenten en prestatienormen 2009, die in overleg tussen NOC*NSF en de KNWU tot stand gekomen zijn. In het overzicht is voor de ploegenachtervolging mannen bepaald dat een ploeg bij de top 6 moet eindigen om voor de A-status in aanmerking te komen.

2.6. [eiser] heeft in het baanwielrennen wereldbekerklassement 2008/2009 voor landenteams de achtste plaats behaald in de eindklassering. Als gevolg daarvan is hij niet in aanmerking gekomen voor een A-status.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert – samengevat – veroordeling van KNWU tot betaling van € 14.480,28, vermeerderd met rente en kosten.

3.2. KNWU voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [eiser] stelt dat de aangescherpte normen van de vangnetconstructie al golden vanaf begin 2008, maar dat deze pas in maart 2009 door de KNWU aan hem kenbaar zijn gemaakt. Volgens [eiser] heeft de KNWU zodoende onrechtmatig jegens hem gehandeld. Als [eiser] tijdig had geweten dat hij bij de eerste zes moest eindigen om de A-status te kunnen verkrijgen, dan zou hij er voor gezorgd hebben dat dat zou zijn gelukt. Vanwege het feit dat (de ploeg van) [eiser] er niet van de hoogte was dat men bij de eerste zes moest eindigen, is echter anders besloten. De schade die [eiser] heeft geleden bestaat uit een misgelopen stipendium van € 12.530,28 en misgelopen onkostenvergoeding van € 1.950,00. [eiser] stelt dat hij deze bedragen wel zou hebben ontvangen als hij de A-status had gehad.

4.2. De KNWU betwist dat de aangescherpte regels al vanaf begin 2008 golden. Volgens haar zijn het NOC*NSF en de KNWU pas op 6 februari 2009 tot overeenstemming gekomen over de nieuwe prestatienormen en is deze wijziging toen binnen enkele weken bekend gemaakt. Voorts betwist de KNWU dat zij – als al zou komen vast te staan dat zij de nieuwe prestatienormen te laat bekend heeft gemaakt – onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld heeft. Volgens de KNWU is er geen sprake van schuld aan haar zijde en is evenmin komen vast te staan dat [eiser] schade heeft geleden.

4.3. [eiser] stelt dat hij bij de eerste zes zou zijn geëindigd als hij tijdig had geweten dat hij slechts dan de A-status zou kunnen verkrijgen. Ter onderbouwing hiervan stelt hij dat zijn ploeg in dat geval aan meer bekerwedstrijden zou hebben deelgenomen, en aan de wedstrijd in Cali. Bij die wedstrijd verschenen namelijk slechts drie ploegen, zodat de ploeg van [eiser] daar per definitie hoog geëindigd zou zijn. De rechtbank overweegt daaromtrent als volgt. Ook als aangenomen wordt dat de ploeg van [eiser] aan meer bekerwedstrijden zou hebben deelgenomen dan thans is gebeurd, brengt dit nog niet met zich dat de ploeg van [eiser] dan ook een hogere plaats zou hebben bereikt in het wereldbekerklassement dan thans het geval is geweest. Of een hogere plaats in het wereldbekerklassement zou zijn bereikt hangt immers van meer factoren af dan de enkele deelname aan een wereldbekertoernooi of de intentie van (de ploeg van) [eiser].

4.4. Dat in Cali slechts drie ploegen verschenen en de ploeg van [eiser] daar dus hoog had kunnen eindigen maakt dat niet anders. [eiser] heeft immers ter comparitie verklaard dat hij van tevoren niet wist hoeveel ploegen er bij het toernooi in Cali zouden verschijnen. Het feit dat achteraf kan worden vastgesteld dat alleen al de deelname aan dat toernooi met zich zou hebben gebracht dat op dat toernooi een hoge plaats zou zijn bereikt, betekent daarom nog niet dat (de ploeg van) [eiser] ook tot deelname aan het toernooi in Cali zou hebben besloten. Bovendien is gesteld noch gebleken dat een hoge plaats bij het toernooi in Cali een dermate invloed zou hebben gehad op het (totale) wereldbekerklassement dat de ploeg van [eiser] daardoor bij de eerste zes geëindigd zou zijn.

4.5. [eiser] heeft zijn stelling dat zijn ploeg bij de eerste zes zou zijn geëindigd niet anderszins onderbouwd. De rechtbank is daarom van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de ploeg van [eiser] bij de eerste zes zou zijn geëindigd (en derhalve de A-status zou hebben verkregen) als hij eerder op de hoogte was gebracht van het feit dat de prestatienormen waren aangescherpt. De bedragen die [eiser] is misgelopen doordat hij de A-status niet had, komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking, zodat de vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen. Nu de vorderingen van [eiser] reeds om deze reden worden afgewezen, kunnen de overige verweren van de KNWU onbesproken blijven.

4.6. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van KNWU worden begroot op:

- vast recht EUR 350,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.254,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van KNWU tot op heden begroot op EUR 1.254,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Wagenaar en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2010.?