Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN0681

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
11-06-2010
Datum publicatie
08-07-2010
Zaaknummer
16-513572-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Diefstal met geweld. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 20 uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/513572-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 11 juni 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1994] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], [woonadres].

Raadsman mr. N.P. van Dijk, advocaat te Amersfoort.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 28 mei 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

samen met anderen heeft geprobeerd [aangever 1] op straat te beroven.

3. De beoordeling van het bewijs

3.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en baseert zich daarbij op de aangifte, de verklaringen van de medeverdachten en de verklaring van verdachte, dat hij bij de beroving aanwezig is geweest.

3.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij op de aangifte, de verklaringen van de medeverdachten en de verklaring van verdachte.

3.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 10 februari 2010 heeft geprobeerd samen met twee mededaders [aangever 1] te beroven en dat bij die beroving een zogenoemde bb-gun op [aangever 1] is geschoten.

De rechtbank heeft daarbij gelet op:

- de aangifte van A.H. van Dam ;

- de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] ;

- de verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 28 mei 2010 .

Verdachte verklaarde ter terechtzitting dat hij bij de beroving aanwezig was. Verdachte stelt echter dat hij niet wist wat zijn mededaders van plan waren toen ze hem van huis ophaalden. Als er door de mededaders was gezegd dat ze een beroving wilden gaan plegen dan zou verdachte dat naar zijn zeggen niet serieus hebben genomen. Verdachte verklaarde pas te weten dat zijn mededaders een beroving wilden plegen op het moment dat het slachtoffer aan kwam lopen en een mededader de bb-gun pakte, naar het slachtoffer liep en op haar rug sprong. Verdachte heeft toen op een korte afstand staan kijken. Verdachte verklaarde tot dat moment niets te weten van het feit dat een mededader de bb-gun bij zich had.

De rechtbank overweegt dat uit de aangifte volgt dat er op 10 februari 2010 bij het tunneltje op het [adres] te Amersfoort drie jongens op het slachtoffer afliepen. Eén van de jongens had een sjaal voor een deel van zijn gezicht en één jongen had een bivakmuts op zijn hoofd. Vervolgens blijkt uit de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] dat één van de mededaders toen stop tegen de vrouw heeft geroepen. De rechtbank overweegt dat verdachte op het moment dat de mededaders een sjaal en een bivakmuts over hun hoofd trokken en één van hen stop riep hij in ieder geval had kunnen weten dat zij daadwerkelijk een beroving wilden gaan plegen en dat het dus geen geintje was. De rechtbank stelt op grond van de verklaring van verdachte zelf vast dat verdachte zich op dat moment niet heeft gedistantieerd van de beroving.

De rechtbank overweegt voorts dat een medeverdachte bij de politie heeft verklaard dat zij voor de beroving foto’s van elkaar hebben gemaakt met de bivakmuts op en de bb-gun in hun hand. In de mobiele telefoon van de medeverdachte werden twee van deze foto’s aangetroffen. In de mobiele telefoon van verdachte werd ook zo’n foto aangetroffen. De rechtbank heeft de drie foto’s bekeken en heeft constateert dat op deze drie foto’s drie verschillende personen staan met een bivakmuts op en een wapen in de hand.

De rechtbank is van oordeel dat nu op de mobiele telefoon van verdachte een foto is aangetroffen van een jongen met een bivakmuts en een wapen, gelijkend op de foto’s aangetroffen in het toestel van de medeverdachte, en de medeverdachte verklaarde dat deze foto’s zijn gemaakt voor de beroving, is komen vast te staan dat verdachte, voordat de beroving begon, al op de hoogte was van het feit dat de medeverdachten een wapen en een bivakmuts bij zich hadden.

Op grond van voornoemde acht de rechtbank bewezen dat verdachte samen met zijn mededaders de beroving op [aangever 1] heeft gepleegd.

3.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 10 februari 2010 te Amersfoort, op een openbare weg, ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg

te nemen een mobiele telefoon, toebehorende aan [aangever 2], en daarbij die voorgenomen diefstal te doen vergezellen van geweld tegen Van Dam, te plegen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken,

tezamen en in vereniging met anderen, als volgt heeft gehandeld:

hebbende één van zijn mededaders die Van Dam vastgegrepen en omver gegooid en

haar mobiele telefoon vastgepakt en daaraan getrokken

en daarna met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen haar

benen geschoten, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De strafbaarheid

4.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

Poging tot diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

4.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5. De strafoplegging

5.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een jeugddetentie voor de duur van 100 dagen waarvan 88 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en de maatregel Hulp en Steun als bijzondere voorwaarde, een werkstraf voor de duur van 40 uur subsidiair 20 dagen jeugddetentie en een leerstraf van 20 uur subsidiair 10 dagen jeugddetentie, te weten de leerstraf Tools4You.

5.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat bij het bepalen van de strafmaat rekening moet worden gehouden met het feit dat verdachte niet betrokken is geweest bij de voorbereiding van de beroving en met het geringe aandeel van verdachte in de berovingen.

5.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft in de avond van 10 februari 2010 samen met twee mededaders geprobeerd een slachtoffer op straat te beroven. Daarbij is met een bb-gun op het slachtoffer geschoten en het slachtoffer is ook door twee kogeltjes geraakt.

Het door verdachte gepleegde feit is zeer ernstig, met name het door de mededader toegepaste geweld. Het spreekt voor zich dat een op deze manier uitgevoerde beroving voor het slachtoffer een bijzonder traumatische ervaring moet zijn geweest. Hierbij heeft verdachte kennelijk in het geheel niet stilgestaan.

De rechtbank neemt als strafverminderende factoren in overweging dat verdachte door de twee mededaders is opgehaald en vervolgens op de hoogte kwam van het feit dat zij van plan waren een beroving te plegen. De rechtbank neemt voorts in overweging dat het aandeel van verdachte in de berovingen gering is geweest ten opzichte van het aandeel van een mededader. Verdachte heeft zelf geen geweld gebruikt en hij heeft de bb-gun niet in zijn handen gehad en ook niet daarmee op het slachtoffer geschoten.

Als strafverzwarende factoren neemt de rechtbank in overweging dat verdachte zegt dat hij niet wist dat zijn mededaders de beroving wilde gaan plegen en dat hij niet wist dat een mededader een wapen bij zich had. De rechtbank is echter van oordeel dat verdachte hier wel weet van had. De verdachte geeft hierdoor naar het oordeel van de rechtbank geen openheid van zaken en hij neemt geen verantwoordelijkheid voor zijn handelen.

Blijkens het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 10 mei 2010 is verdachte niet eerder veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

De rechtbank heeft kennis genomen van de voorlichtingsrapportages van Bureau Jeugdzorg Utrecht d.d. 21 mei 2010 en de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 19 mei 2010. Zowel Bureau Jeugdzorg Utrecht als de Raad voor de Kinderbescherming adviseert een voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarde de maatregel Hulp en Steun, alsmede een leerstraf.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van het feit en de inhoud van de rapportages, alsmede de adviezen van Bureau Jeugdzorg Utrecht en de Raad voor de Kinderbescherming, een voorwaardelijke jeugddetentie met de geadviseerde bijzondere voorwaarde en een leerstraf een passende sanctie is. Gelet op de ernst van het feit acht de rechtbank ook een onvoorwaardelijke werkstraf geïndiceerd.

6. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 45, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

7. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Poging tot diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 80 dagen, waarvan 68 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Bureau Jeugdzorg Utrecht, afdeling Jeugdreclassering;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarde;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde jeugddetentie;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 20 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 10 dagen;

- veroordeelt verdachte tot een leerstraf, te weten Tools4You van 20 uren;

- beveelt dat indien verdachte de leerstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 10 dagen;

- heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip dat dit vonnis onherroepelijk wordt.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.G. van Doorn, voorzitter, tevens kinderrechter,

mr. L.E. Verschoor-Bergsma en mr. M.H.L. Schoenmakers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.F. van Dam, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 11 juni 2010.

Mr. Van Dam is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.