Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN0612

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
28-06-2010
Datum publicatie
08-07-2010
Zaaknummer
16-601251-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor ontucht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/601251-09 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 28 juni 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1981] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [woonadres].

Raadsman mr. E. Olof, advocaat te Zeist.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 14 juni 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1 primair: [slachtoffer 1] heeft verkracht door zijn tong in haar mond en zijn vingers in haar vagina te brengen;

feit 1 subsidiair: seksueel is binnengedrongen bij [slachtoffer 1], terwijl zij de leeftijd van 16 jaar nog niet had bereikt;

feit 2: seksueel is binnengedrongen bij [slachtoffer 2], terwijl zij de leeftijd van 16 jaar nog niet had bereikt;

feit 3 primair: [slachtoffer 3] heeft aangerand door haar borsten aan te raken/strelen;

feit 3 subsidiair: ontuchtige handelingen heeft gepleegd met [slachtoffer 3] door haar borsten aan te raken/strelen, terwijl zij de leeftijd van 16 jaren nog niet had bereikt.

3. De voorvragen

3.1. De geldigheid van de dagvaarding.

Uit het bepaalde in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering en de daarop betrekking hebbende jurisprudentie volgt dat in een tenlastelegging niet kan worden volstaan met het opnemen van termen uit wetsteksten wanneer deze termen onvoldoende feitelijk zijn. In dat geval dienen deze termen in de tenlastelegging nader feitelijk te worden ingekleed.

In de dagvaarding is onder feit 1 primair aangeven dat verdachte [slachtoffer 1] door geweld en/of een andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld en/of een andere feitelijkheid heeft gedwongen tot het ondergaan van de in dat feit omschreven handelingen. Onder 3 primair is aangegeven dat verdachte [slachtoffer 3] door geweld en/of een andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld en/of een andere feitelijkheid heeft gedwongen tot het ondergaan van onder dat feit omschreven handelingen

Noch onder 1 primair noch onder 3 primair is evenwel aangegeven waaruit (de bedreiging met) dat geweld of (de bedreiging met) een andere feitelijkheid heeft bestaan; deze wetstekst is derhalve niet nader feitelijk ingekleed. Daarmee is de tenlastelegging op die punten onvoldoende feitelijk. De rechtbank zal de dagvaarding derhalve partieel nietig verklaren voor wat betreft het onder 1 primair en het onder 3 primair tenlastegelegde.

Voor het overige is de dagvaarding geldig.

3.2. De rechtbank is bevoegd.

3.3. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

3.4. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 primair en 3 primair ten laste gelegde feiten. De officier van justitie heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat niet bewezen kan worden dat er sprake is geweest van enige dwang. De officier van justitie acht wel wettig en overtuigend bewezen hetgeen is ten laste gelegd onder 1 subsidiair, 2 en 3 subsidiair. Zij heeft zich hierbij gebaseerd op de drie aangiften, getuigenverklaringen en de bekennende verklaring van verdachte.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de onder 1 primair ten laste gelegde verkrachting. De raadsman heeft zich met betrekking tot dit feit, evenals de officier van justitie, op het standpunt gesteld dat er op geen enkele wijze sprake is geweest van enige dwang. Hetgeen onder 1 subsidiair ten laste is gelegd kan volgens de raadsman wel wettig en overtuigend bewezen worden daar verdachte genoemde ten laste gelegde seksuele handelingen heeft bekend. Hetzelfde geldt volgens de raadman voor het onder 2 en 3 subsidiair ten laste gelegde. Ook bij deze ten laste gelegde feiten is sprake geweest van seksuele handelingen met meisjes die de leeftijd van 16 jaren nog niet hadden bereikt, maar was er wederom geen sprake van dwang zodat verdachte ook dient te worden vrijgesproken van het onder 3 primair ten laste gelegde feit, aldus de raadsman.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de volgende feiten wettig en overtuigend bewezen gelet op:

ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde:

- de aangifte van [slachtoffer 1] ;

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 14 juni 2010;

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

- de aangifte van [slachtoffer 2] ;

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd tegenover de politie

- de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 14 juni 2010, dat hij weet dat hij met [slachtoffer 2] heeft gezoend;

ten aanzien van het onder 3 subsidiair ten laste gelegde:

- de aangifte van [slachtoffer 3] ;

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 14 juni 2010.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

Subsidiair

omstreeks 21 mei 2009 te Overberg, met [slachtoffer 1] (geboren op [1993]), die de leeftijd van twaalf, maar nog niet die van zestien jaren bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd die mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij, verdachte, die [slachtoffer 1] meerdere malen gezoend en zijn tong in de mond van die [slachtoffer 1] gebracht en gehouden en bewogen ("getongzoend") en zijn vinger in de vagina van die [slachtoffer 1] gebracht en bewogen ("gevingerd") en die [slachtoffer 1] meerdere malen bij de blote borsten en de blote buik gestreeld en meerdere malen de hand van die [slachtoffer 1] op en/of om zijn stijve penis gebracht en (terwijl hij de hand van die [slachtoffer 1] vasthield) zijn hand over zijn penis bewogen ("afgetrokken").

2.

op een tijdstip in de periode van 1 februari 2007 tot en met 30 april 2007, te Huis ter Heide, met [slachtoffer 2] (geboren op [1993]), die de leeftijd van twaalf, maar nog niet die van zestien jaren bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd die mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij verdachte, die [slachtoffer 2] gezoend, en zijn tong in de mond van die [slachtoffer 2] gebracht en/of gehouden en/of bewogen ("getongzoend") en bij de blote borsten gestreeld en zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 2] gebracht en bewogen ("gevingerd").

3.

Subsidiair

op een tijdstip in de periode van 1 mei 2007 tot en met 30 juni 2007 te Huis ter Heide, met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten [slachtoffer 3] (geboren op [1993]), buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, immers heeft hij, verdachte, bij die [slachtoffer 3] onder haar shirt haar borsten aangeraakt.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

feit 1 subsidiair en 2: telkens met iemand die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam;

feit 3 subsidiair: met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Over de verdachte is door mr. drs. R.A. Sterk, psycholoog, een rapport opgemaakt. Dit rapport gedateerd 18 februari 2010 geeft onder meer de volgende psychologische beschouwing:

er is bij verdachte sprake van intellectuele capaciteiten op beneden gemiddeld niveau, wat hem meer tot een doener dan een denker maakt, en van een persoonlijkheid met narcistische trekken. Dit laatste betekent dat hij externaliseert en het moeilijk verdraagt om zijn aandeel in problemen in te zien en al snel geneigd is om de schuld van problemen buiten zichzelf te leggen. Voorzover verdachte schuld heeft aan problemen probeert hij zijn aandeel te minimaliseren. Voorts brengen deze trekken met zich mee dat hij verhoogd gevoelig is voor aandacht en bevestiging. In zijn positie als leider van de scouts voelde hij zich gewaardeerd en aantrekkelijk, hetgeen een verlangen naar aandacht en bevestiging bij hem heeft bevredigd. Betrokkene moet in staat worden geacht om de wederrechtelijkheid van het ten laste gelegde in te kunnen zien, hij kan echter niet geheel in staat worden geacht om zijn wil dienovereenkomstig bovengenoemd inzicht in vrijheid te kunnen bepalen. De rechtbank wordt geadviseerd om betrokkene ten aanzien van het ten laste gelegde -indien bewezen- enigszins verminder toerekeningsvatbaar te achten.

De rechtbank neemt het advies van de deskundige over en maakt dit tot de hare.

De rechtbank constateert dat uit de rapportage of anderszins niet is gebleken van een omstandigheid die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen:

- een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarden -kort gezegd- verplicht reclasseringscontact, inclusief een meldingsgebod en een behandelverplichting.

De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd om de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] geheel toe te wijzen tot een bedrag van € 1.710,80, de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe te wijzen tot een bedrag van € 1.692,64 (totaalbedrag van € 1.742,64 minus de NS-voordeelurenkaart) en de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] geheel toe te wijzen tot een bedrag van € 411,32, alsmede ten aanzien van alle drie de vorderingen de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit om het advies van de reclassering te volgen en een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen. De raadsman heeft aangevoerd dat de door de officier van justitie gevorderde straf buitensporig hoog is. De raadsman heeft verzocht om bij de hoogte van de straf ook mee te wegen dat het slachtoffer [slachtoffer 1] bijna 16 jaar oud was en dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar moeten worden beschouwd.

Met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de raadsman er op gewezen dat de [slachtoffer 1] haar psychische schade niet heeft onderbouwd met bijvoorbeeld een verklaring van een psycholoog. De door haar gevorderde immateriële schade is volgens de raadsman veel te hoog. De bij de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2] aangehaalde jurisprudentie is niet te vergelijken met deze zaak en de immateriële schade dient dan ook aanzienlijk gematigd te worden, aldus de raadsman. De kosten die door [slachtoffer 3] gemaakt zijn in het alternatieve behandelcircuit kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Hetzelfde geldt voor de volgens de raadsman voor de door [slachtoffer 3] onduidelijk aangevoerde reiskosten.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich in een periode van ruim twee jaar driemaal seksueel vergrepen aan drie verschillende meisjes, welke meisjes ten tijde van dat vergrijp 13, 14 en 15 jaar oud waren. Verdachte was op dat moment al 25 (feit 2 en 3) respectievelijk 27 (feit 1) en derhalve was er sprake van een aanmerkelijk leeftijdsverschil tussen hem en de meisjes. Bij twee ([slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]) meisjes is er sprake geweest van verregaande seksuele handelingen zoals onder meer vingeren, tongzoenen en het onder de kleding betasten van de borsten en schaamstreek.

De feiten hebben zich voorgedaan tijdens bijeenkomsten van de scouting. Verdachte was hier aanwezig als leidinggevende en de meisjes als zogenaamde explorers. Verdachte heeft in ernstige mate het vertrouwen beschaamd, dat zij in hem als volwassen leider van hun scoutinggroep hadden gesteld. Hetzelfde geldt voor de ouders van de meisjes die gelet op de kwetsbaarheid van hun kinderen onvoorwaardelijk moeten kunnen vertrouwen op volwassenen die als begeleiders voor hun kinderen verantwoordelijk zijn.

Door de wetgever is de geestelijke en lichamelijke integriteit van jeugdigen jonger dan 16 jaar uitdrukkelijk beschermd, onder meer op de grond dat zij op seksueel gebied nog niet volgroeid zijn en dat zij worden geacht niet zelfstandig de emotionele gevolgen van seksueel contact voldoende te kunnen inschatten. Handelingen zoals de verdachte die heeft gepleegd, vormen een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers en kunnen, naar de ervaring leert, leiden tot blijvende psychische schade. Dat ook bij deze slachtoffers sprake is van psychische schade blijkt, naast de aangiften, uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaringen. Hieruit wordt duidelijk dat de slachtoffers nog steeds erg veel last van hetgeen hun is overkomen.

Verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank op geen enkele wijze rekening gehouden met de gevoelens van de slachtoffers. Hij heeft uitsluitend oog gehad voor zijn eigen belang en de bevrediging van zijn eigen behoeften. Door zijn handelswijze heeft verdachte de lichamelijke integriteit van de slachtoffers in ernstige mate aangetast en hun seksuele ontwikkeling verstoord.

Daarnaast veroorzaakt het gedrag van verdachte gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij. Dit gedrag wordt daarnaast door de maatschappij scherp afgekeurd en rechtvaardigt dan ook een forse bestraffing.

Wat de persoon van de verdachte betreft, heeft de rechtbank acht geslagen op het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 28 april 2010, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder ter zake met justitie in aanraking is geweest.

Door reclasseringswerker G. Kamst-de Jonge is namens de Reclassering Nederland een rapport omtrent verdachte opgemaakt. In dit rapport wordt geconcludeerd dat verdachte onvoldoende verantwoordelijkheid neemt voor de delicten. Verdachte heeft echter wel erkend dat hij foutief heeft gehandeld en hij staat open voor hulpverlening. Het recidiverisico wordt ingeschat als laag gemiddeld. Door de reclassering wordt geadviseerd om een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Aan het voorwaardelijk gedeelte dienen dan de bijzondere voorwaarden opgekoppeld te worden dat verdachte zich dient te houden aan de aanwijzingen van de reclassering ook als die inhouden -kort gezegd- een meldingsgebod en een behandelverplichting bij de Ambulante Forensische Psychiatrie Noord-Nederland (hierna: AFPN). Met deze behandeling is verdachte reeds gestart op 2 februari 2010.

Voornoemde psycholoog heeft in zijn rapport opgenomen dat verdachte op dit moment een behandeling volgt bij Forint Lentis, forensische geestelijke gezondheidszorg, bij de ambulante afdeling AFPN, waar verdachte in aanvang deel zal nemen aan een groepsbehandeling. De deskundige acht een dergelijke behandeling geïndiceerd. Behandeling dient zich te richten op zijn grensoverschrijdende gedrag ten tijde van het ten last gelegde, welk gedrag samenhangt met zijn narcistische trekken in zijn persoonlijkheid. De rechtbank wordt door deze psycholoog geadviseerd om deze behandeling als bijzondere voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijk strafdeel op te leggen. De reclassering zou in dat geval toe kunnen zien op het handhaven van deze voorwaarde.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan naar het oordeel van de rechtbank niet met een andere straf worden volstaan dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf. Aangezien de rechtbank zich mede ten doel stelt dat de recidivekans zoveel mogelijk wordt beperkt en dat de verdachte wordt begeleid en behandeld zal de rechtbank een deel van de straf voorwaardelijk opleggen en daaraan de in de beslissing genoemde bijzondere voorwaarde verbinden. Het voorwaardelijk gedeelte dient daarnaast als zogenaamde stok achter de deur, opdat verdachte zich niet nogmaals aan dergelijke feiten schuldig zal maken.

7. De benadeelde partijen

7.1. De benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 1.710,80 voor feit 1.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 960,80 een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, waarvan € 210,80 ter zake van materiële schade en € 750,- ter zake van immateriële schade, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde acht zij tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige acht de rechtbank het gevorderde bedrag onvoldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

7.2. De benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding van € 1.742,64 voor feit 2.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 992,64 een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, waarvan € 242,64 ter zake van materiële schade en € 750,- ter zake van immateriële schade, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde acht zij tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

De rechtbank heeft bij de berekening van de reiskosten wel de aanschaf van de NS-voordeelurenkaart betrokken. Door de aanschaf van deze kaart wordt immers de prijs van losse treinkaartjes met 40% gereduceerd. Hierdoor komt het totale gevorderde bedrag lager te liggen dan het geval zou zijn als er geen voordeelurenkaart zou zijn aangeschaft.

Voor het overige acht de rechtbank het gevorderde bedrag onvoldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

7.3. De benadeelde partij [slachtoffer 3]

De benadeelde partij [slachtoffer 3] vordert een schadevergoeding van € 411,32 voor feit 3.

De rechtbank acht het gevorderde bedrag op dit moment onvoldoende aannemelijk gemaakt. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Zij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 57, 245 en 247 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank:

Geldigheid van de dagvaarding

- verklaart de dagvaarding nietig voor wat betreft het onder 1 primair en onder 3 primair tenlastegelegde;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 subsidiair en 2: telkens met iemand die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam;

feit 3 subsidiair: met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland, ook als dat inhoudt dat verdachte zich gedurende bepaalde perioden moet melden en dat verdachte zal (blijven) meewerken aan de behandeling bij de AFPN, of een soortgelijke instelling

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarde;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van € 960,80, waarvan € 210,80 ter zake van materiële schade en € 750,- ter zake van immateriële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], € 960,80 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 19 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Benadeelde partij [slachtoffer 2]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van

€ 992,64, waarvan € 242,64 ter zake van materiële schade en € 750,- ter zake van immateriële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2], € 992,64 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 19 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Benadeelde partij [slachtoffer 3]

- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij [slachtoffer 3] in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert, voorzitter, mr. L.M.G. de Weerd en mr. A. van Maanen, rechters, in tegenwoordigheid van J.J. Veldhuizen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 28 juni 2010.