Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN0610

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
09-06-2010
Datum publicatie
08-07-2010
Zaaknummer
16/600967-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank ontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging te dier zake. En gelast dat de verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis zal worden geplaatst voor een termijn van één jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600967-09 en 16/441434-09 (vordering tenuitvoerlegging) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 9 juni 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1955] te [geboorteplaats],

gedetineerd in de P.I. te Zwolle,

raadsvrouwe mr. M.K.J. Dikkerboom , advocaat te Utrecht.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 26 mei 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich in de periode van 9 juni 2009 tot en met 3 september 2009 aan belaging en huisvredebreuk heeft schuldig gemaakt.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft gepleegd hetgeen haar is ten laste gelegd.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen omdat als gevolg van de bij verdachte ten tijde van het tenlastegelegde bestaande stoornis van haar geestvermogens niet kan worden bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten opzettelijk heeft gepleegd.

De rechtbank is van oordeel dat een zodanig verweer slechts kan slagen indien bij verdachte ten tijde van haar handelen ieder inzicht in de draagwijdte van haar handelen en de mogelijke gevolgen daarvan zou hebben ontbroken. Dat is hier naar het oordeel van de rechtbank niet het geval. In de rapportage van J. Heerschop, psycholoog en S. Went, psychiater, wordt geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van een chronisch psychotisch beeld in het kader van een schizo-affectieve stoornis. Gelet op de stukken en op hetgeen ter terechtzitting is gebleken, met name gelet op de wijze waarop verdachte heeft gehandeld en de gevolgen die verdachte – naar zij bij de politie en ter terechtzitting verklaarde – met dit handelen beoogde, heeft bij verdachte – ondanks voornoemde aandoening – inzicht in de draagwijdte van haar handelen bestaan.

De raadsvrouwe heeft voorts betoogd dat de rechtbank – zo zij zou twijfelen met betrekking tot het bewijs van het opzet van verdachte – het onderzoek zou moeten schorsen om de in deze zaak de omtrent der geestestoestand van verdachte rapporterende deskundigen ter terechtzitting te horen.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de rechtbank hiertoe niet overgaan.

Bewijsoverwegingen met betrekking tot het onder 1 en 2 ten laste gelegde:

Op 3 september 2009 ontvangt de politie een melding dat op het adres [adres] te Bilthoven, waar de [bedrijf 1] gevestigd is, een ex-patiënt binnen zou zijn, terwijl deze patiënt een terreinverbod zou hebben. Tevens zou deze patiënt een ex-begeleidster stalken. Het zou gaan om [verdachte].

Als de politie ter plaatse komt zien zij een vrouw die zich voorstelt als mevrouw [verdachte]. Voorts komt er een medewerkster van de [bedrijf 1] naar hen toe die vertelt dat mevrouw [verdachte] een terrein-verbod heeft en zich niet in of in de nabijheid van de kliniek mag bevinden. Vervolgens worden door een medewerker van de kliniek een aantal papieren overhandigd, waaronder een vonnis van de rechtbank inhoudende een terreinverbod voor mevrouw [verdachte].

Naar aanleiding hiervan wordt mevrouw [verdachte], zijnde verdachte, aangehouden als verdacht van overtreding van artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht (huisvredebreuk).

Op 3 september 2009 wordt door [aangever 1], werkzaam bij voormelde kliniek, aangifte van huisvredebreuk gedaan. Hij verklaart – zakelijk weergegeven - :

Ik ben werkzaam bij de [bedrijf 1], onderdeel van de [bedrijf 1] welke gevestigd is op de [adres] te Bilthoven, gemeente De Bilt. Ik was vandaag aan het werk in de kliniek. Ik zag dat de mij bekende mevrouw [verdachte] binnen kwam lopen. Ik hoorde haar zeggen dat zij contact wilde met mevrouw [slachtoffer] die hier als therapeut werkzaam is. Zowel mevrouw [slachtoffer] als ik weten dat dat niet mag en dat zij hier niet mag komen. Er is een gerechtelijk schrijven welke ik u zal overhandigen.

Ongeveer twee maanden geleden is ons door de advocaat van de Zorggroep medegedeeld dat mevrouw [verdachte] hier niet meer mag komen. Wij kregen de instructie de directie te bellen indien zij hier toch zou komen. Dat was dus vandaag. De directie gaf aan dat ik de politie moest bellen. Vervolgens bent u gekomen en is mevrouw [verdachte] aangehouden.

Op 30 juli 2009 werd door [slachtoffer], [adres] te [adres], aangifte gedaan van stalking/belaging.

Zij verklaarde – zakelijk weergegeven - :

Ik doe hierbij aangifte van belaging. De verdachte is veroordeeld en mag geen contact meer met mij opnemen, ook is er een contactverbod. Hierdoor word ik gedwongen om mijn levensstijl aan te passen. Dit jaagt mij vrees aan.

Op 9 juni 2009 is het vonnis uitgesproken door de meervoudige strafkamer te Utrecht. Dit betreft de eerdere aangifte van stalking die ik tegen [verdachte] heb gedaan. Op dinsdag 16 juni 2009 kwam ik thuis. Ik werd daar aangesproken door een kind, een dochter van de hoofdbewoners. Ik huur een kamer van een familie die daar woont. Het meisje vertelde mij dat er eerder op de dag een vreemde man op het terrein was geweest, die allerlei vragen over mij had gesteld. De man had gevraagd of ik daar woonde en of ik er was. Het meisje vond het allemaal een beetje eng en raar. Ze vertelde dat de man een briefje in mijn

brievenbus had gedaan. Een huisgenoot had de brievenbus geleegd en vertelde mij dat er een raar briefje voor mij was. Ik heb het briefje vervolgens gelezen. Gevoelsmatig dacht ik dat de brief afkomstig was van mevrouw [verdachte]. Op het briefje stond een telefoonnummer en het verzoek of ik dat nummer wilde terugbellen. De naam die erbij stond is [betrokkene 1]. Uit voorzichtigheid heb ik toen niet met mijn eigen telefoon gebeld, maar heb gebruik gemaakt van de aanwezige huistelefoon. Ik hoorde dat er werd opgenomen door een vrouw met de naam [verdachte]. Ik herkende onmiddellijk de stem van mevrouw [verdachte]. Ik vroeg naar de heer [betrokkene 1], waarop ze de telefoon aan een mij onbekende man gaf. Ik hoorde dat de man zei : “[slachtoffer]”. Ik vroeg aan de man, wie hij was en wat hij wilde. Ik hoorde dat de man zei, het gaat zo slecht met [verdachte], u moet met haar praten. Ik heb toen onmiddellijk de verbinding verbroken en de politie gebeld. [verdachte] nu weer contact heeft gezocht met me, ondanks de uitspraak van de rechtbank en het contactverbod, voel ik me bedreigd. Ik vrees haar volgende stap. Tot nu toe heeft de stalking plaatsgevonden via de post of e-mail. Maar dit heeft in mijn persoonlijke leefomgeving plaatsgevonden. In diezelfde periode, op vrijdag 12 juni 2009, heb ik van mijn zus gehoord, dat mevrouw [verdachte] haar een brief had gestuurd. Mijn zus heeft de brief aan de advocaat van mijn werk overhandigd, die de brief naar de Officier van Justitie heeft doorgestuurd. Inmiddels heeft deze situatie mijn leven weer op zijn kop gezet. Ik slaap slecht, mijn werk wordt er door beïnvloed en ik ben echt bang dat mevrouw [verdachte] mij iets wil aandoen. De kinderen van de hoofdbewoners zijn ook van de situatie bang geworden. Ik weet dat het weken heeft geduurd voordat de kinderen ’s avonds niet meer bang waren voor de man en [verdachte]. Iedere keer als er iets vreemds gebeurt dan denk ik vrijwel direct dat [verdachte] daar de hand in heeft. Ik wil dat dit ophoudt. Ik wil gewoon weer een normaal leven leiden zonder dat mijn leven wordt beïnvloed door [verdachte].

[slachtoffer] voornoemd doet op 3 september 2009 klacht en verklaart op 3 september 2009 nader – zakelijk weergegeven - :

In aanvulling op mijn aangifte van 30 juli 2009 over de stalking van mij op dinsdag, 16 juni 2009 op de [adres] te De Bilt, en het toesturen van kaarten/emailberichten in de maand augustus van 2009, door: [verdachte], [verdachte], geboren op [1955] te [geboorteplaats], wil ik het navolgende verklaren.

De relevante stukken zullen door mijn advocaat aan u worden verstrekt en deze kunt u bij deze verklaring voegen.

Ondanks de uitspraken van de Rechtbank Utrecht maakt zij inbreuk op mijn persoonlijke levenssfeer door mij stelselmatig lastig te vallen met kaarten gericht aan mijn adres op de [adres] te De Bilt en emailberichten op het adres aplekker@lievegoedzorggroep.nl.

Ik heb de navolgende kaarten en emailberichten van [verdachte] ontvangen:

1) 24 augustus 2009 kaart ontvangen van [verdachte] op adres te De Bilt;

2) 22 augustus 2009 emailbericht ontvangen van [verdachte];

3) 24 augustus 2009 emailbericht ontvangen [verdachte];

4) 28 augustus 2009 emailbericht ontvangen van [verdachte];

5) 2 september 2009 kaart ontvangen van [verdachte] op adres in De Bilt.

Medio juni 2009 werd door [verdachte] een brief verstuurd aan Groen Links die bedoeld was voor een familielid van mij.

Naar aanleiding van een en ander wordt verdachte op 3 september 2009 aangehouden als verdachte van overtreding van artikel 285B van het Wetboek van Strafrecht (stalking/belaging).

Verdachte verklaart op 3 september 2009 – zakelijk weergegeven - :

In de stukken van inverzekering staat dat ik mevrouw [slachtoffer] had gestalkt via e-mail. Jullie en zij noemen het stalken. Zo noem ik het niet. Ik heb op 22 augustus 2009 een mail gestuurd. Vanaf 22 augustus 2009 verwees ik u naar mijn gestuurde e-mails. Het kan goed kloppen dat ik haar e-mails had gestuurd op 22, 24 en 28 augustus 2009.

Op 3 september 2009 wordt [betrokkene 1] gehoord. Hij verklaart – zakelijk weergegeven - :

Ik wist van de problematiek af tussen [verdachte] en [slachtoffer]. Ik heb het allemaal van [verdachte] gehoord. Ik ben ook naar een rechtzitting geweest in Utrecht. Dat kan begin juni 2009 zijn geweest. Ik begreep van de rechter dat [verdachte] op geen enkele wijze contact mocht zoeken met de kliniek in Bilthoven of met mevrouw [slachtoffer]. Ik wist van [verdachte] waar [slachtoffer] woonachtig was. Dat was in [adres] met een huisnummer 90. Op eigen initiatief ben ik naar dat adres gegaan. Ik wilde met mevrouw [slachtoffer] praten. Ik wilde haar vragen waarom zij niet eens samen zouden gaan praten. Ik ben daar toen in juni 2009 heen gereden in mijn auto. Daar heb ik gesproken met een jongen en een meisje. Ik heb vragen gesteld over [slachtoffer]. Ik heb gevraagd of zij thuis was. Dat was niet het geval. Ik heb enkele woorden op papier gezet. Waaronder mijn telefoonnummer. Ik verzocht haar mij te bellen. Ik heb dat briefje in de bus gegooid. Korte tijd later werd ik door [slachtoffer] gebeld. In eerste instantie nam [verdachte] de telefoon aan. Deze gaf vervolgens de telefoon aan mij. Ik hoorde een vrouwenstem zeggen dat zij helemaal niets met [verdachte] te maken wilde hebben. De verbinding werd verbroken. Het was mij via een mail bekend geworden wat [verdachte] wilde gaan doen. Zij wilde naar de kliniek in Bilthoven om opgepakt te worden. Op verzoek van [verdachte] heb ik haar vandaag, 3 september 2009 gebracht richting Bilthoven en wel de kliniek. Onderweg gaf zij aan dat zij nog even langs het adres te [adres] wilde rijden. Ik begreep wel dat zij langs de woning van [slachtoffer] wilde. Ter plaatse is zij uitgestapt en naar de woning gelopen met nummer 90. Volgens mij heeft zij alleen even op het erf gestaan bij de ingang. Zij heeft staan bellen daar en heeft daar ook met een vrouw gesproken. Vervolgens zijn wij naar de [bedrijf 1] gereden. Dat was op verzoek van [verdachte]. Wij hebben haar spullen toen naar binnen gebracht en wel in de hal van de kliniek. Daar heeft [verdachte] zich aangemeld. Wij konden op een bank plaats nemen. Vervolgens kwam de politie ter plaatse en werd na overleg [verdachte] aangehouden. Ondanks mijn wetenschap dat zij daar niet mocht komen ben ik toch op haar verzoek ingegaan. Ik weet heel goed dat ik het eigenlijk niet mocht doen.

Op 4 september 2009 is verdachte door de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, gehoord. Dan verklaart zij - zakelijk weergegeven - :

U houdt mij voor dat ik verdacht word van het stalken van [slachtoffer] in de periode 9 juni 2009 tot 2 september 2009. Ik hoor dat dit ook een overtreding is van de voorwaarden van een eerder vonnis. Ik hoor dat er e-mails en 2 kaarten in het dossier zitten waaruit stalking zou kunnen blijken. Ik probeer al vanaf 22 augustus [slachtoffer] te overtuigen om een beslissing te nemen te goede of ten kwade. Ik hoor dat er meerdere procedures zijn geweest waaruit duidelijk blijkt dat ik iedere vorm van contact met mevrouw [slachtoffer], de Stichting en iedereen om haar heen, moet mijden. Mijn klachten zijn aangemerkt als stalk activiteiten. Het is voor mij geen vaststaand feit dat ik haar niet mag benaderen. Ik heb mijn rechten. Ik blijf mijn waarheid trouw. Ik wil rechtvaardigheid. Dat is bereikt als een ander mens is aan te spreken op zijn of haar fouten of gedrag. Dat heb ik gedaan maar is aangemerkt als stalken. Ik hoor dat mevrouw [slachtoffer] heeft aangegeven dat ze bang voor me is. Het is prima als [slachtoffer] bang is, dat kan ze aan mij laten weten. Ik ervaar [slachtoffer] als mijn tweede ziel. Ik heb [slachtoffer] lief, ondanks wat ze mij heeft aangedaan.

4.3. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft gepleegd hetgeen haar is ten laste gelegd, met dien verstande, dat

1.

zij op meerdere tijdstippen in de periode van 9 juni 2009 tot en met 3 september 2009

- te Bilthoven, gemeente De Bilt en/of Groenekan, gemeente De Bilt, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer] (werkzaam als psychotherapeute bij de [bedrijf 1]), met het oogmerk die [slachtoffer] te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft zij, verdachte, terwijl zij bij een op tegenspraak gewezen vonnis d.d. 9 juni 2009 van de Meervoudige strafkamer van de Rechtbank in het arrondissement Utrecht is veroordeeld terzake belaging van die [slachtoffer] en/of terwijl d.d. 24 juni 2009 het vonnis van voornoemde strafkamer onherroepelijk is geworden en ondanks een of meerdere (schriftelijke) contactverbod(en) bij voortduring aan die [slachtoffer] en aan een of meer familieleden en

collega's van die [slachtoffer], e-mailberichten en/of brieven en/of kaarten gestuurd en/of verzonden (al dan niet dreigend en/of intimiderend van aard) en met die [slachtoffer] (al dan niet via een ander) telefonisch contact opgenomen en/of gezocht en die [slachtoffer] op haar werkadres bezocht, althans aldaar naar haar gevraagd;

2.

zij op of omstreeks 03 september 2009 te Bilthoven, gemeente De Bilt, wederrechtelijk is binnengedrongen in een besloten lokaal gelegen aan de [adres] en in gebruik bij [bedrijf 1] van de [bedrijf 1].

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

Belaging.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

In het besloten lokaal, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen.

De strafbaarheid van verdachte

Omtrent de geestestoestand van verdachte is op 24 maart 2010 gerapporteerd door

J. Heerschop, psycholoog en S. Went, psychiater, beiden verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum ter Utrecht.

Dit rapport houdt - zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang - in - zakelijk weergegeven - :

Betrokkene is een 54-jarige vrouw, bij wie sprake is van een chronisch psychotisch beeld in het kader van een schizo-affectieve stoornis. De genoemde stoornis was ook aanwezig te tijde van het ten laste gelegde.

Het onderzoekend team is van mening dat de genoemde stoornis in die mate van invloed was op het functioneren van betrokkene dat zij haar volledig ontoerekeningsvatbaar acht.

Het herhalingsrisico van vergelijkbare feiten wordt door het onderzoekend team als groot ingeschat. Betrokkene is als gevolg van haar psychose onvoorspelbaar in haar gedrag.

Omdat betrokkenes manische psychose de belangrijkste factor is in het risico op herhaling van vergelijkbare feiten is behandeling daarvan geïndiceerd om de kans op herhaling te verkleinen. Ons inziens kan dit met een gedwongen opname van een jaar in een psychiatrisch ziekenhuis, in het kader van artikel 37 Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank neemt de conclusie van de deskundigen over en maakt die tot de hare.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte met betrekking tot het bewezenverklaarde niet strafbaar is en derhalve zal dienen te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

6. De oplegging van de maatregel

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis, als omschreven in artikel 37, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouwe van verdachte heeft betoogd dat in het geval van verdachte onvoldoende is gebleken voor de aanwezigheid van direct fysiek gevaar voor het slachtoffer, nu dat gevaar slechts bestaat uit het sturen van brieven en emails aan het slachtoffer. Zij vraagt zich af of

dit afdoende gevaar oplevert om tot plaatsing van verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis in het kader van de maatregel van artikel 37, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht te komen.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft in de eerste plaats rekening gehouden met de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan.

Verdachte heeft twee strafbare feiten begaan. De rechtbank merkt met name met betrekking tot het onder 1 bewezenverklaarde feit op dat dit een hoogst ernstig feit betreft. Verdachte heeft gedurende een lange periode wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer [slachtoffer] - die voordien de therapeute van verdachte was - door vooral haar, en in mindere mate haar familie en haar collega’s bij voortduring lastig te vallen door haar emails en brieven en kaarten te sturen, hoewel haar bij rechterlijk vonnis uitdrukkelijk was verboden zulks te doen. Voorts heeft zij zich in de woonomgeving van [slachtoffer] opgehouden en is zij wederrechtelijk binnengedrongen in de werkomgeving van [slachtoffer].

Uit het onderzoek is gebleken dat het handelen van verdachte ernstige gevoelens van schrik en angst bij het slachtoffer te weeg heeft gebracht, waar het slachtoffer ook nu nog steeds de nare gevolgen van ondervindt.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank met name acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 7 oktober 2009 en de hiervoor vermelde rapportage van voormele deskundigen.

Met betrekking tot het hiervoorvermelde verweer van de raadsvrouwe van verdachte overweegt de rechtbank als volgt.

In artikel 37, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt aan de maatregel tot plaatsing als aldaar omschreven als voorwaarde gesteld dat sprake moet zijn van gevaar voor zichzelf, voor anderen of voor de algemene veiligheid van personen of goederen.

Naar het oordeel van de rechtbank is met betrekking tot de geestestoestand van verdachte sprake van een situatie dat het zeer waarschijnlijk is dat zij de rechtmatige belangen van anderen, de algemene belangen van anderen en de algemene veiligheid van personen zal schaden.

Onder die omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank met betrekking tot verdachte voldaan aan de zojuist omschreven eis en zal zij tot plaatsing van verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis overgaan.

De raadsvrouwe heeft voorts betoogd dat de rechtbank - zo zij zou twijfelen met betrekking tot het voldoen aan de eis als hiervoor omschreven - het onderzoek zou moeten schorsen om de in deze zaak de omtrent de geestestoestand van verdachte rapporterende deskundigen ter terechtzitting te horen.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de rechtbank hiertoe niet overgaan.

De vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling met parketnummer 16/441434-09:

Gelet op hetgeen de rechtbank in de hoofdzaak tegen verdachte heeft overwogen en de maatregel die zij aldaar zal opleggen acht de rechtbank termen aanwezig de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 37, 57, 138 en 285b van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor onder 4.3 vermeld, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven onder 5.1 vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte voor het bewezenverklaarde niet strafbaar.

Ontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging te dier zake.

Gelast dat de verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis zal worden geplaatst voor een termijn van één jaar.

Ten aanzien van parketnummer 16/441434-09 :

Wijst de vordering van de officier van justitie af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert-van Beek, voorzitter, N.E.M. Kranenbroek en Y.A.T. Kruyer, rechters, in tegenwoordigheid van F.P.L. van der Lee, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 9 juni 2010.

Mr. Kruyer voornoemd is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.