Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN0359

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
02-07-2010
Datum publicatie
06-07-2010
Zaaknummer
16.600244-10 en 16.600699-09 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van poging moord/doodslag en poging doodslag. De rechtbank veroordeelt verdachte voor de meer subsidiair ten laste gelegde gedraging: twee maal poging tot zware mishandeling. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 jaar en 6 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummers: 16.600244-10 en 16.600699-09 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 2 juli 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1984] te [geboorteplaats] (Ethiopië),

gedetineerd te Penitentiaire Inrichting Utrecht, Huis van Bewaring Nieuwegein,

raadsman mr. W. Hendrickx, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 18 juni 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: heeft geprobeerd [slachtoffer 1] te vermoorden/ doden, dan wel dat hij haar zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht of een poging daartoe heeft gedaan;

Feit 2: heeft geprobeerd [slachtoffer 2] te doden, dan wel dat hij haar zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht of een poging daartoe heeft gedaan.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft geprobeerd [slachtoffer 1] te vermoorden en heeft geprobeerd [slachtoffer 2] te doden. Voor de voorbedachten raad baseert zij zich op de getuigenverklaring van [getuige] waaruit blijkt dat verdachte ervan op de hoogte was dat [slachtoffer 1] bij hem verbleef. Verdachte moet haar daarna hebben opgewacht. Uit de getuigenverklaring van [slachtoffer 2] blijkt bovendien dat verdachte doorging met slaan tot zij er wat van zei en ook daarin zit een moment van kalm beraad en rustig overleg, aldus de officier van justitie. De officier van justitie acht ook bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] met een fietsketting heeft geslagen op grond van de verklaring van [slachtoffer 1] die inhoudt dat zij iets hoorde rinkelen, op grond van het bij haar geconstateerde letsel op het hoofd en op grond van de uitslag van het DNA-onderzoek op de fietsketting, waaruit blijkt dat er DNA-materiaal op de fietsketting zit dat matcht met het DNA-profiel van [slachtoffer 1]. De officier van justitie grondt haar bewezenverklaring van de poging doodslag op [slachtoffer 2] op de verklaring van [slachtoffer 2] dat zij meerdere malen met een fietsketting tegen haar hoofd is geslagen. Niet bewezen acht de officier van justitie dat met een kettingslot geslagen is en van dit onderdeel vordert zij vrijspraak.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van voorbedachten raad ten aanzien van de gedraging gericht tegen [slachtoffer 1]. De raadsman wijst daarbij op de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting, dat hij die avond sigaretten ging halen en dat hij op zijn weg daarnaar toe [slachtoffer 1] toevalligerwijs zag fietsen. Het dossier bevat geen concrete en objectieve gegevens op grond waarvan kan worden vastgesteld dat verdachte het plan had opgevat om [slachtoffer 1] te vermoorden en dat hij heeft geprobeerd dit plan te gaan uitvoeren. De raadsman is voorts van mening dat niet bewezen kan worden dat verdachte [slachtoffer 1] met een fietsketting heeft geslagen. Uit de verklaring van [slachtoffer 2] volgt dat verdachte pas op het moment dat [slachtoffer 2] hem benaderde de fietsketting pakte. Zij heeft ook niet gezien dat [slachtoffer 1] met een fietsketting is geslagen. Dat [slachtoffer 1] een hard voorwerp voelde tijdens het slaan van verdachte met zijn vuisten, past bij de verklaring van verdachte dat hij pijn kreeg aan de vinger waar zijn ring aan zat en dat hij daarna is gestopt met slaan. De uitslag van het DNA-onderzoek kan bovendien niet bijdragen aan bewijs voor het gegeven dat verdachte [slachtoffer 1] met de fietsketting heeft geslagen, nu de berekende frequentie zwak is en de DNA-sporen die matchen met het DNA-profiel van [slachtoffer 1] ook door overdracht op de fietsketting terecht kunnen zijn gekomen. De raadsman heeft voorts aangevoerd dat het enkele slaan met de vuisten geen poging tot doodslag kan opleveren. Ten aanzien van de gedraging van verdachte gericht tegen [slachtoffer 2] merkt de raadsman op grond van de verklaring van verdachte en de eerste verklaring van [slachtoffer 2] slechts één klap met de fietsketting bewezen kan worden. Eén klap met een fietsketting levert geen aanmerkelijke kans op de dood op. Gelet op de inhoud van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht (Sr.) kan ten aanzien van [slachtoffer 2] slechts een poging zware mishandeling bewezen worden verklaard.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 De vaststaande feiten

Op 5 maart 2010 doen zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] aangifte van een gepleegd strafbaar feit. [slachtoffer 1] verklaart daarover als volgt. Op 4 maart 2010 fietste [slachtoffer 1] rond 22.45 uur over de Randenbroekerweg te Amersfoort, toen zij een vuistslag tegen haar rechterslaap voelde. Door de klap viel ze met haar fiets tegen de grond en toen ze op de grond lag, zag ze dat de persoon die haar geslagen had haar ex-vriend [verdachte] (=verdachte) was. Terwijl ze op de grond lag werd ze opnieuw door verdachte geslagen, met de vuisten tegen haar hoofd. Ze voelde veel pijn. Pas enige tijd nadat ze iemand hoorde schreeuwen tegen verdachte, stopte het slaan en is het haar gelukt te ontkomen. [slachtoffer 2] verklaart dat zij op 4 maart 2010 omstreeks 23.00 uur op de Randenbroekerweg te Amersfoort fietste. Ter hoogte van de kerk hoorde zij hulpgeroep en pijnkreten. Ze zag op het fietspad een meisje liggen en zag dat er een manspersoon voorover gebogen voor haar stond die met zijn tot vuist gebalde hand op haar aan het inslaan was. Ze zag dat de jongen haar met zijn vuist meerdere keren op het gezicht sloeg. [slachtoffer 2] verklaart dat zij naar de jongen is toegelopen en heeft gezegd dat hij op moest houden. Toen zag ze dat de jongen naar haar opkeek, een grote fietsketting met grove schakels pakte die bij een fiets lag, en dat hij haar opzettelijk en met kracht een klap met de fietsketting gaf tegen haar rechterslaap. Ze voelde een hevige pijn, ook aan haar rechterhand waarmee ze de klap had proberen af te weren. Ze zag dat het meisje opstond en hoorde dat zij tegen haar riep dat ze moest rennen en vervolgens is zij met het meisje van deze plek weggerend.

De medisch deskundige constateert die avond dat [slachtoffer 1] het volgende letsel heeft: een aantal schaafwondjes op het behaarde hoofd, een zwelling/hematoom op het voorhoofd van circa 4 centimeter, een zwelling van de neus en rechterhand met hematomen en schaafwonden op de vingers en zwellingen/hematoom op de linkerduim en hematomen en schaafwonden op de knieën. De medisch deskundige concludeert dat geen sprake is van bewustzijnsverlies en voorts dat sprake is van gering bloedverlies bij de schaafwonden en gering inwendig bloedverlies bij de hematomen. Met betrekking tot [slachtoffer 2]’ letsel constateert de medische deskundige het volgende: een forse zwelling en barstwond links temporaal tot op het schedelbot en een zwelling en hematoom op de rechterhand.

Ook ten aanzien van [slachtoffer 2] concludeert zij dat geen sprake is van bewustzijnsverlies en voorts dat sprake is van gering uitwendig bloedverlies en gering inwendig bloedverlies bij de hematomen.

Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij op genoemde avond [slachtoffer 1] meerdere malen met zijn vuisten heeft geslagen en dat hij [slachtoffer 2] een klap heeft gegeven met een fietsketting.

4.3.1.1 De voorbedachten raad

Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer 1] heeft geslagen in een uitbarsting van woede, terwijl hij aangeschoten was, toen hij haar bij toeval tegenkwam op weg naar de snackbar. Uit het dossier blijkt dat verdachte [slachtoffer 1] die avond al eerder had gezien, toen hij bij [getuige] langsging. Het dossier bevat voorts diverse getuigenverklaringen die inhouden dat verdachte (een deel van) die avond bij [A] is geweest. Nu uit deze verklaringen niet blijkt dat verdachte [slachtoffer 1] heeft opgewacht nadat hij bij [getuige] was vertrokken en andere gegevens op grond waarvan kan worden vastgesteld dat verdachte volgens een vooropgezet plan te werk is gegaan en andere feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat sprake is van kalm beraad en rustig overleg ontbreken, kan de rechtbank niet tot een bewezenverklaring komen van voorbedachten raad bij de verdachte. Anders dan de officier van justitie heeft aangevoerd, kan niet worden aangenomen dat uit het enkele feit dat verdachte bleef doorslaan totdat [slachtoffer 2] naar hem en het slachtoffer toekwam, voorbedachten raad blijkt.

4.3.1.2 Het slaan met de fietsketting

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij in eerste instantie alleen met de vuist werd geslagen, maar dat zij later voelde dat zij met een hard voorwerp werd geslagen, waarvan zij aan het geluid te horen dacht dat het een fietsketting betrof. Verdachte heeft ontkend dat hij [slachtoffer 1] met een fietsketting heeft geslagen. [slachtoffer 2] is als enige getuige geweest van het slaan door verdachte. Zij verklaart, zoals hiervoor ook aangehaald, gezien te hebben dat verdachte [slachtoffer 1] met de vuist sloeg en voorts dat verdachte op het moment dat hij haar, [slachtoffer 2], zag een fietsketting pakte die bij de fiets of een van de fietsen lag. Naar het oordeel van de rechtbank spreekt de verklaring van [slachtoffer 2] op dit punt de verklaring van [slachtoffer 1] tegen. Aangezien[slachtoffer 1] bovendien heeft verklaard dat het slaan is gestopt, nadat ze iemand hoorde roepen dat verdachte normaal moest doen en zij vervolgens is weggerend, kan verdachte haar ook niet met de fietsketting hebben geslagen, nadat hij [slachtoffer 2] daarmee een klap gegeven had. Ook de uitslag van het DNA-onderzoek naar biologische contactsporen op de fietsketting kan naar het oordeel van de rechtbank op dit punt niet voldoende bijdragen aan het bewijs. Verdachte heeft verklaard dat de aangetroffen biologische sporen op de fietsketting waarvan het DNA-profiel matcht met het DNA-profiel van [slachtoffer 1], mogelijk door overdracht via zijn vuisten op de ketting terecht zijn gekomen. De rechtbank kan deze mogelijkheid niet geheel uitsluiten. Dit maakt dat de rechtbank niet kan bewijzen dat verdachte ook [slachtoffer 1] met een fietsketting heeft geslagen.

4.3.2 De opzet van verdachte

Op grond van het voorgaande, acht de rechtbank bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] meerdere malen met de vuisten tegen het hoofd heeft geslagen en dat verdachte [slachtoffer 2] een klap met een fietsketting heeft gegeven tegen haar hoofd en lichaam. Dit brengt de vraag met zich mee waar de opzet van verdachte op was gericht toen hij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] sloeg.

De rechtbank is van oordeel dat de opzet van verdachte met betrekking tot [slachtoffer 1] niet gericht was op doodslag. De algemene ervaring leert dat de menselijke schedel hard is en niet gemakkelijk beschadigd wordt en dat de meer kwetsbare onderdelen in het hoofd daardoor worden beschermd. Er bestaat weliswaar een kans dat iemand overlijdt na vuistslagen tegen het hoofd te hebben gekregen, maar deze kans is niet zo groot dat deze aanmerkelijk moet worden genoemd. Om te komen tot een bewezenverklaring van poging doodslag is zo’n aanmerkelijke kans wel vereist. Ook met betrekking tot [slachtoffer 2] is de rechtbank van oordeel dat de handelwijze van verdachte richting haar niet gericht was op haar dood. Een slag met een fietsketting tegen het hoofd en lichaam kan ernstig letsel veroorzaken en in heel bijzondere gevallen kan zelfs één enkele slag tegen het hoofd met een hard voorwerp tot de dood leiden, maar ook hier is de rechtbank van oordeel dat dit geen zodanige kans is dat deze dient te worden aangemerkt als de vereiste aanmerkelijke kans.

Uit de medische verklaring met betrekking tot [slachtoffer 1] heeft de deskundige op 17 maart 2010, bijna twee weken na het geweldsincident, als prognose gegeven dat de fysieke letsels bij [slachtoffer 1] waarschijnlijk restloos zullen genezen. Met betrekking tot het letsel van [slachtoffer 2] komt de deskundige op dezelfde datum tot een prognose van waarschijnlijk volledig herstel, afgezien van het litteken. Gelet op deze prognose met een niet nader genoemde herstelduur en gelet op het hiervoor onder 4.3.1 omschreven letsel van beide slachtoffers acht de rechtbank bewezen dat verdachte heeft geprobeerd zowel [slachtoffer 1], als [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Feit 1 Meer subsidiair:

op 04 maart 2010 te Amersfoort ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen opzettelijk toen en daar met gebalde vuisten met grote kracht op/tegen het hoofd van vorenbedoelde persoon heeft geslagen, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

Feit 2 Meer subsidiair:

op 04 maart 2010 te Amersfoort ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een fietsketting tegen het hoofd en tegen één ander lichaamsdeel van die persoon heeft geslagen, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1 en 2 meer subsidiair, telkens: poging tot zware mishandeling

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid geheel uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaar.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de eis van de officier van justitie te hoog is en dat een klinische behandeling van verdachte in het kader van een deels voorwaardelijke straf past bij de strafbare feiten die hij heeft gepleegd.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat de door verdachte gepleegde feiten buitengewoon ernstig zijn. Uit de slachtofferverklaringen die ter terechtzitting zijn voorgelezen, komt duidelijk naar voren hoe groot de impact van het door verdachte toegepaste geweld op de levens van beide slachtoffers is geweest en nog steeds is.

Bij het eerste feit is van belang dat het slachtoffer een ex-vriendin is van verdachte. Dat zij zo gewelddadig behandeld wordt door iemand die zij in het verleden heeft vertrouwd en waarmee zij een affectieve relatie heeft gehad, maakt die impact alleen maar groter. Bovendien weegt mee dat het niet de eerste keer is dat verdachte een geweldsdelict tegen haar heeft gepleegd. Uit de verklaringen van het slachtoffer blijkt dat zij na het eerste incident al op haar hoede was voor verdachte. Dat zij verdachte bij dit incident in het geheel niet heeft zien aankomen, waardoor zijn aanval voor haar onverhoeds was en uit het niets leek te komen, heeft haar angst nog meer aangewakkerd. Voor verdachte geldt voorts dat hij niet alleen de vrijheidsstraf -die hem in het kader van het vorige geweldsincident was opgelegd- nog maar net had uitgezeten, maar ook dat hem een straatverbod was opgelegd dat er juist toe strekte een nieuw treffen met het slachtoffer te voorkomen. Dat verdachte onder deze omstandigheden het heeft gewaagd om opnieuw gewelddadig tegen [slachtoffer 1] op te treden neemt de rechtbank hoog op. Verdachte heeft met deze handelwijze niet alleen laten zien dat hij totaal geen boodschap had aan de gevoelens van het slachtoffer, maar ook dat hij lak had aan nota bene twee uitspraken van de rechtbank die er (mede) op gericht waren gewelddadig gedrag van verdachte te voorkomen. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan. Ten aanzien van het tweede feit overweegt de rechtbank het volgende. Slachtoffer , die ’s avonds laat en zeer onverwacht werd geconfronteerd met het gewelddadige optreden van verdachte tegen een voor haar onbekend persoon, heeft daar op een zeer moedige en onbaatzuchtige wijze op gereageerd. De reactie van verdachte op het signaal dat zij als toevallige voorbijganger afgaf, is dan ook zeer schokkend te noemen. In plaats van tot bezinning te komen, maakt hij van haar zijn tweede slachtoffer door met een fietsketting tegen haar hoofd te slaan. Dat deze klap voor haar grote fysieke, psychische en maatschappelijke gevolgen heeft gehad door het letsel dat daardoor is ontstaan met als gevolg dat zij haar werk en opleiding lange tijd niet (goed) heeft kunnen verrichten, maakt dat de prijzenswaardige handelwijze van [slachtoffer 2] haar duur is komen te staan. Verdachte is daar verantwoordelijk voor. Dat verdachte op de terechtzitting doet voorkomen alsof hij zelf al was gestopt met het in elkaar slaan van [slachtoffer 1] en zich slechts verdedigde tegen een op hem afkomende [slachtoffer 2], geeft de rechtbank niet bepaald de indruk dat verdachte deze verantwoordelijkheid ook neemt en daadwerkelijk doordrongen is van het ingrijpende karakter van het door hem toegepaste geweld op beide vrouwen. Dit neemt niet weg dat de rechtbank verdachte hiervoor verantwoordelijk houdt en dit verdisconteert in de straf die zij verdachte zal opleggen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de conclusie uit het psychologisch rapport d.d. 20 mei 2010 met betrekking tot de persoon van verdachte, die inhoudt dat verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. De rechtbank neemt deze conclusie over. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op de inhoud van het reclasseringsrapport d.d. 28 mei 2010 waarin wordt geadviseerd verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen, om verdachte te verplichten zich te laten behandelen. Gelet op de aard en ernst van beide feiten en gelet op het strafblad van de verdachte zoals dat blijkt uit het uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 8 juni 2010, acht de rechtbank een deels voorwaardelijke vrijheidsstraf niet meer aan de orde. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar en 6 maanden noodzakelijk is.

De rechtbank ziet echter wel de noodzaak in van een behandeling van verdachte ten aanzien van zijn persoonlijkheids- en agressieproblematiek en geeft daarom in overweging verdachte in het kader van een eventuele voorwaardelijke invrijheidstelling een behandeling te laten ondergaan.

7 De benadeelde partij

7.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van oordeel dat de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] moet worden gematigd tot € 2.000,-- , tot dit bedrag toewijsbaar is en voor het overige niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Met betrekking tot de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2] is de officier van justitie van oordeel dat het bedrag dat gevorderd wordt voor eigen bijdrage ziektekosten niet rechtstreeks tot het bewezenverklaarde feit te herleiden schade betreft en dat dit deel van de vordering moet worden afgewezen. Het immateriële deel van de vordering dient te worden gematigd tot € 1.000,-- en in zoverre is de vordering toewijsbaar, aldus de officier van justitie.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman voert aan dat verdachte geen geld heeft en dat toewijzing van de vordering zal leiden tot vervangende hechtenis voor de verdachte, welk gevolg strijdig is met het niet punitieve karakter van de maatregel. Voor het overige refereert de raadsman zich aan hiervoor onder 7.1 genoemde standpunt van de officier van justitie.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 2.500,-- voor feit 1.

De rechtbank is van oordeel dat de immateriële schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Gelet op de inhoud van de bij de vordering gevoegde stukken waaruit blijkt dat de benadeelde partij lijdt aan het posttraumatisch stresssyndroom en gelet op het feit dat de benadeelde partij voor de tweede keer slachtoffer is geworden van geweldshandelingen van de verdachte, is de rechtbank van oordeel dat de hoogte van de gevorderde immateriële schade voldoende aannemelijk is gemaakt zodat de vordering –bij wijze van voorschot- zal worden toegewezen.

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding van € 1.931,91 voor feit 2.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 1.828,71 een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, waarvan € 330,71 ter zake van materiële schade en € 1.498,-- ter zake van immateriële schade, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in haar vordering. Dit overige deel betreft de door benadeelde partij gevorderde eigen bijdrage ziektekosten, waarvan de rechtbank niet kan vaststellen dat dit rechtstreekse, uit het bewezenverklaarde feit voortkomende schade betreft. De benadeelde partij kan voor dit deel haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

8 De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke straf van 4 maanden gevangenisstraf die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van 6 oktober 2009 door de meervoudige strafkamer van de rechtbank te Utrecht ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit tegen hetzelfde slachtoffer en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14g, 27, 36f, 45, 57 en 302 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 1. en 2. primair en subsidiair tenlastegelegde;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1. en 2. meer subsidiair tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5.1 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1 en 2 meer subsidiair, telkens: poging tot zware mishandeling

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 jaar en 6 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis d.d. 6 oktober 2009 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 16/600699-09 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een gevangenisstraf van 4 maanden;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van € 2.500,-- bij wijze van voorschot ter zake van immateriële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van € 1.828,71, waarvan € 330,71 ter zake van materiële schade en € 1.498,-- ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 4 maart 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de hierna te noemen slachtoffers de daarbij vermelde bedragen te betalen, bij niet betaling te vervangen door het daarbij vermelde aantal dagen hechtenis:

- benadeelde partij [slachtoffer 1], € 2.500,--, 35 dagen hechtenis,

- benadeelde partij [slachtoffer 2], € 1.828,71, 28 dagen hechtenis,

met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert, voorzitter, mr. P. Wagenmakers en mr. A.G. van Doorn, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Scheffer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 2 juli 2010.