Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN0061

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
15-06-2010
Datum publicatie
02-07-2010
Zaaknummer
16-710754-08
Rechtsgebieden
Civiel recht
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verkrachting doormiddel van het geven van een tongzoen. Verklaring aangeefster betrouwbaar, nu zij consistent heeft verklaard. Dit geld ook voor haar verklaringen tegenover getuigen. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 7 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/710754-08 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 15 juni 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1981] te [geboorteplaats]

zonder bekende woon- of verblijfplaats

thans gedetineerd in PI Nieuwegein

raadsman mr. J.J. van de Beek, advocaat te Enschede

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 1 juni 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

een vrouw heeft verkracht, dan wel aangerand door haar te betasten en een tongzoen te geven.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en baseert zich daarbij op de consistente verklaringen van aangeefster, het DNA-onderzoek, de fotoconfrontatie en de kennelijk leugenachtige verklaring van verdachte.

Verdachte heeft het slachtoffer een tongzoen gegeven. Dit kan worden aangemerkt als het seksueel binnendringen van het lichaam. De officier van justitie verwijst hierbij naar het arrest van de Hoge Raad van 21 april 1998 (NJ 1998, 781) waarin de Hoge Raad dat heeft bepaald.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen, omdat de verklaringen van aangeefster onbetrouwbaar zijn. Haar verklaringen zijn op essentiële punten inconsistent.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en overweegt daartoe het volgende.

Aangeefster [slachtoffer] heeft verklaard dat zij op 25 februari 2008 te Driebergen-Rijsenburg zag dat in het trappenhuis van de flat waarin zij woont een man op de grond lag te slapen. Toen de man wakker was knoopte hij een gesprek aan. Aangeefster gaf hem in het trappenhuis een kop koffie. De man begon vervolgens aan haar te zitten. Voorts heeft aangeefster verklaard dat de man haar klemzette tegen de muur en haar handen vastpakte. Vervolgens gaf de man haar onverhoeds een kus op haar mond. Aangeefster draaide van de man af en zei hem dat hij dat niet moest doen. Vervolgens kuste hij haar opnieuw op haar mond. Aangeefster probeerde zich nogmaals van hem af te draaien, maar kwam met haar rug tegen de muur, waarna de man met zijn buik tegen haar aan kwam staan en haar wederom begon te zoenen. Nu duwde hij ook zijn tong in haar mond. Gelijktijdig begon hij haar met zijn handen te strelen: eerst over haar armen en daarna over haar rug en haar billen. Aangeefster verklaarde verder dat zij daarna voelde dat hij haar trui aan de achterkant omhoog wilde trekken. Enkele seconden is de man met zijn handen onder haar trui geweest. Ondertussen bleef de man haar zoenen. Aangeefster kon daardoor geen kant meer op. Voorts heeft aangeefster verklaard dat de man tevens op een stotende manier met zijn onderlichaam tegen haar bewoog. Aangeefster probeerde steeds weg te komen hetgeen haar uiteindelijk is gelukt.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 1 juni 2010 ontkend dat hij op de plaats van het delict is geweest. De rechtbank acht deze verklaring niet aannemelijk en neemt daarbij mede in overweging dat aangeefster verdachte bij een foto-confrontatie heeft aangewezen als de man die haar had aangerand en gezoend. Voorts wordt de verklaring van aangeefster onderbouwd door het feit dat uit DNA-onderzoek is gebleken dat op het kopje met koffie dat door aangeefster is aangeboden DNA is aangetroffen dat overeenkomt met het DNA van verdachte. Daarbij wordt de rechtbank in haar overtuiging, dat verdachte er wel is geweest, gesterkt door meldingen die zijn gevonden in het Bedrijfs Processen Systeem BPS. Uit de geregistreerde meldingen blijkt dat in februari 2008 door diverse bewoners meerdere meldingen zijn gemaakt van een in de flat slapende zwerver, te weten verdachte.

De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaringen van aangeefster, dat verdachte haar heeft aangerand en een tongzoen heeft gegeven, onbetrouwbaar zijn, omdat de verklaringen op essentiële punten inconsistent zijn. De rechtbank acht de verklaringen van aangeefster echter wel betrouwbaar en overweegt daartoe dat haar verklaringen juist uiterst consistent zijn en naadloos op elkaar aansluiten. Dit geldt ook voor haar verklaring tegenover meerdere getuigen. Aangeefster heeft zowel aan getuige [getuige 1] als aan getuige [getuige 2] een gelijkluidend verhaal verteld. Daarbij komt dat getuige [getuige 2], de psychiater van aangeefster, heeft verklaard dat aangeefster géén psychiatrisch ziektebeeld heeft waarbij zij de realiteit niet meer onder ogen kan zien. Voor [getuige 2] was het verhaal van aangeefster consistent. Ze kon alles goed vanuit het hier en nu vertellen en had naar de mening van [getuige 2] het bewustzijn om te weten wat wanneer was gebeurd.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op 25 februari 2008 te Driebergen-Rijsenburg door feitelijkheden [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer],

immers heeft/is hij, verdachte, toen en aldaar meermalen, althans eenmaal,

- zijn tong in de mond van die [slachtoffer] geduwd en die [slachtoffer] op de mond gekust/gezoend en

- de billen en de rug van die [slachtoffer] betast en

- met zijn, verdachtes, onderlichaam tegen het lichaam van die [slachtoffer] gaan bewegen/stoten,

en bestaande die feitelijkheden hierin dat hij, verdachte, toen en aldaar

- die [slachtoffer] onverhoeds heeft gekust en benaderd en

- die [slachtoffer] tegen de muur heeft gedrukt en klem gezet en haar hand(en) heeft vastgepakt en met zijn, verdachtes, lichaam dicht tegen die [slachtoffer] aan is gaan staan en

- de trui van die [slachtoffer] gedeeltelijk omhoog heeft getrokken en

- is doorgegaan met bovengenoemde seksuele handelingen terwijl die [slachtoffer] aangaf dat hij, verdachte, dat niet moest doen en die [slachtoffer] zich wegdraaide en

- aldus een bedreigende situatie voor die [slachtoffer] heeft gecreëerd.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Verkrachting.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 8 maanden.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank primair om verdachte onmiddellijk in vrijheid te stellen, daar verdachte naar het oordeel van de verdediging dient te worden vrijgesproken. Subsidiair verzoekt de verdediging de rechtbank rekening te houden met artikel 67a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verkrachting middels het geven van een tongzoen. Hij heeft hiermee op ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Daarbij heeft hij het slachtoffer in de directe woonomgeving van haar flat in een zodanige positie gemanoeuvreerd dat zij geen kant meer op kon en ondanks dat zij te gaf dit alles niet te willen, haar betast. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit langdurige en ernstige schade kan toebrengen aan de geestelijke gezondheid van het slachtoffer. Verdachte heeft bij dit alles kennelijk nimmer stilgestaan en heeft zijn eigen bevrediging vooropgesteld. De rechtbank neemt het verdachte bovendien bijzonder kwalijk dat hij op geen enkele manier berouw heeft getoond. Daarbij heeft verdachte aangegeven voor hulpverlening of begeleiding, bijvoorbeeld van de zijde van de reclassering, niet open te staan.

De rechtbank houdt verder rekening met het strafblad van de verdachte waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld. Verder heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in vergelijkbare gevallen door de rechtbank worden opgelegd.

Voorts heeft de rechtbank bij de bepaling van de hierna te noemen straf overeenkomstig het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, rekening gehouden met de omstandigheid, dat verdachte op 1 augustus 2008 is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 maanden in verband met overtreding van de artikelen 246, 285, 310, 311 en 321 van het Wetboek van Strafrecht en nu opnieuw wordt schuldig verklaard aan een misdrijf voor de hierboven genoemde datum gepleegd. De rechtbank acht de door de officier van justitie geëiste 8 maanden gevangenisstraf niet passend, nu die straf onvoldoende recht doet aan het eerdergenoemde artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden passend en noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Een gedeelte van deze straf, te weten 2 maanden, zal zij voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 63 en 242 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

verkrachting;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 7 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan het onvoorwaardelijk opgelegde gedeelte van die straf.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.P. Killian, voorzitter, mr. A. Wassing en mr. A. van Maanen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.C. de Vries, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 15 juni 2010.