Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN0015

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
25-06-2010
Datum publicatie
02-07-2010
Zaaknummer
16-600232-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Brandstichting in bedrijfspand. Gemeen gevaar voor goederen. Geen levensgevaar. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600232-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 25 juni 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1991] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in de P.I. Utrecht, Huis van Bewaring, locatie Nieuwegein.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2010. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. C.H. Dijkstra, advocaat te Amersfoort.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van de standpunten door de raadsman van verdachte en door verdachte zelf naar voren gebracht.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan brandstichting dan wel dat hij anderen daartoe heeft uitgelokt.

Voluit luidt de tenlastelegging tegen de verdachte, dat:

Primair

hij op of omstreeks 20 januari 2010 te Utrecht, althans in het arrondissement

Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk brand heeft gesticht in (een) (bedrijfs)pand [bedrijf 1],

gelegen op of aan de [adres] aldaar, immers heeft / hebben

verdachte en / of (een of meer van) zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk

- (een) emmer(s) en/of jerrycan(s) met benzine en/of diesel, althans (een)

brandbare stof(fen) over de vloer en/of interieur uitgegoten/gesprenkeld en/of

- een spuitbus met haarlak in de magnetron gelegd en/of

- (vervolgens) naar buiten gegaan en/of (vervolgens) een doek(je)

aangestoken, althans in contact gebracht met open vuur, en/of (vervolgens) dat

doek(je) door de geopende deur (van voornoemd pand) naar binnen gegooid,

in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met benzine en/of

diesel, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan voornoemd

(bedrijfs)pand, althans een deel van de inboedel van voornoemd (bedrijfs)pand

geheel of gedeeltelijk is / zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor voornoemd (bedrijfs)pand en/of naastgelegen

(bedrijfs)panden en/of de in dat (bedrijfs)pand en/of de naastgelegen

(bedrijfs)panden aanwezige goederen/inboedel, in elk geval gemeen gevaar voor

goederen en/of levensgevaar voor de aanwezige(n) in de aangrenzende

(bedrijfs)panden, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen, te

duchten was;

Subsidiair

[betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] en/of één of

meer perso(o)n(en) (van wie de identiteit nog onbekend is)

op of omstreeks 20 januari 2010 te Utrecht, althans in het arrondissement

Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk brand heeft gesticht in (een) (bedrijfs)pand [bedrijf 1],

gelegen op of aan de [adres] aldaar, immers heeft / hebben

verdachte en / of (een of meer van) zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk

- (een) emmer(s) en/of jerrycan(s) met benzine en/of diesel, althans (een)

brandbare stof(fen) over de vloer en/of interieur uitgegoten/gesprenkeld en/of

- een spuitbus met haarlak in de magnetron gelegd en/of

- (vervolgens) naar buiten gegaan en/of (vervolgens) een doek(je)

aangestoken, althans in contact gebracht met open vuur, en/of (vervolgens) dat

doek(je) door de geopende deur (van voornoemd pand) naar binnen gegooid,

in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met benzine, en/of

diesel, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan voornoemd

(bedrijfs)pand, althans een deel van de inboedel van voornoemde (bedrijfs)pand

geheel of gedeeltelijk is / zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan,

(bedrijfs)panden en/of de in die (bedrijfs)pand en/of de naastgelegen

(bedrijfs)panden aanwezige goederen/inboedel, in elk geval gemeen gevaar voor

goederen en/of levensgevaar voor de aanwezige(n) in de aangrenzende

(bedrijfs)panden, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen, te

duchten was;

welk feit hij, verdachte in of omstreeks de periode van 1 december 2009 tot en

met 20 januari 2010 te Utrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft uitgelokt

door voornoemd(e) perso(o)n(en)

- gevraagd brand te stichten en/of (een) ander(en) te benaderen brand te

stichten in voornoemd pand en/of

- geld te geven voor de aanschaf van benzine en/of diesel en/of andere voor de

brandstichting nodige goed(eren) en/of

- geld en/of een andere beloning in het vooruitzicht te stellen voor het

brandstichten in voornoemd pand en/of

- op andere wijze gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaft over het

pand en/of de wijze waarop de brandstichting zou kunnen/moeten plaatsvinden.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat geen sprake is geweest van medeplegen, nu de overtuiging ontbreekt dat verdachte bewust en opzettelijk heeft gehandeld in een nauwe samenwerking gericht op de brandstichting. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat van verdachtes goedheid en naïviteit gebruik is gemaakt door de medeverdachte, wiens bedrijf in grote financiële problemen verkeerde waarvoor hij geen andere uitweg wist dan brandstichting.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het onder primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 11 juni 2010;

- het onderzoek door de Forensische Opsporing;

- het onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut.

Medeplegen

Onder primair wordt verdachte verweten dat hij de brandstichting tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft gepleegd. Ter zitting heeft verdachte – onder meer – verklaard dat hij een medeverdachte heeft benaderd om de brandstichting uit te (laten) voeren, dat hij voorafgaande aan de brandstichting, samen met die medeverdachte (extra) brandstof heeft gekocht om daarmee de brand aan te steken, alsmede bivakmutsen en handschoenen, dat hij het alarm van het bedrijfspand heeft uitgeschakeld nadat twee medeverdachten zich daar ter uitvoering van de brandstichting hadden gemeld en dat de brand is aangestoken met zijn aansteker, die hij aan voornoemde medeverdachten heeft overhandigd en waarmee zij de in het bedrijfspand uitgesprenkelde brandstof hebben aangestoken. Naar het oordeel van de rechtbank is aldus sprake van een bewuste en nauwe samenwerking die was gericht op de brandstichting.

Gelet ook op het psychologisch onderzoek van verdachte is de rechtbank niet gebleken dat verdachte niet in staat is geweest om zijn wil in vrijheid te bepalen.

Levensgevaar

De rechtbank is, met de verdediging, van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat door de brandstichting gemeen gevaar voor anderen is ontstaan. Om het levensgevaar voor een ander of anderen als vaststaand te kunnen aannemen is vereist dat uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen volgt dat dat levensgevaar inderdaad te duchten was. Dit betekent dat het levensgevaar ten tijde van de brandstichting naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest (HR 17 februari 2009, LJN BG1653, NJ 2009, 120). Gelet hierop kan het primair tenlastegelegde, voor zover inhoudende dat van de brandstichting levensgevaar voor een ander of anderen te duchten was, niet zonder meer worden afgeleid uit de bewijsmiddelen. Die houden immers niet in dat zich ten tijde van de brandstichting in de (directe) omgeving van het bedrijfspand personen bevonden. Bovendien heeft de brand plaatsgevonden om omstreeks 22.00 uur ’s avonds op een bedrijventerrein, zodat naar het oordeel van de rechtbank de kans dat daar personen aanwezig waren dermate gering moet worden geacht, dat niet kan worden gezegd dat door de brandstichting naar algemene ervaringsregels voorzienbaar levensgevaar te duchten was.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

(onder primair)

op 20 januari 2010 te Utrecht, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk brand heeft gesticht in een bedrijfspand [bedrijf 1], gelegen aan de [adres] aldaar, immers hebben verdachte en een of meer van zijn mededaders toen aldaar opzettelijk

- emmers en jerrycans met benzine en/of diesel, over de vloer en/of interieur uitgegoten/gesprenkeld en

- vervolgens naar buiten gegaan en vervolgens een doekje aangestoken, en vervolgens dat

doekje door de geopende deur van voornoemd pand naar binnen gegooid,

ten gevolge waarvan voornoemd bedrijfspand gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor naastgelegen bedrijfspanden en de in de naastgelegen bedrijfspanden aanwezige goederen/inboedel te duchten was.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Over de persoon van verdachte is door R.J.A. van Helvoirt, GZ-psycholoog, een rapport gedateerd 27 mei 2010 opgemaakt. Als diagnostische beschouwing houdt dit rapport – onder meer – in dat verdachte zich wat heeft laten beïnvloeden en meeslepen door de situatie, maar dat dit geen pathologische vormen aanneemt, omdat er geen aanwijzingen zijn dat deze beïnvloedbaarheid op meerdere terreinen dan het tenlastegelegde speelt. Er zijn geen aanwijzingen om te spreken van psychopathologie in engere zin. Ook zijn er geen aanwijzingen voor een gedragsstoornis noch voor een persoonlijkheidsstoornis. Tevens is er geen sprake van een aandachtstekortstoornis of andersoortige problematiek. Verdachte dient te worden beschouwd als volledig toerekeningsvatbaar, aldus Van Helvoirt.

De rechtbank neemt de conclusies van de deskundige over en maakt deze tot de hare.

Verdachte is dus strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden waarvan zes voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat rekening dient te worden gehouden met de gezagsverhouding tussen verdachte en de medeverdachte, zijn werkgever. De verdediging heeft voorts aangevoerd dat de tijd die verdachte inmiddels in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht een meer dan afschrikwekkend effect heeft gehad, zodat, eendachtig het advies van de reclassering, met een werkstraf kan worden volstaan, nu ook het recidiverisico als laag wordt ingeschat.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Samen met anderen heeft verdachte brand gesticht in het bedrijfspand van zijn werkgever, zodat deze van zijn verzekeringsmaatschappij gelden uitgekeerd kon krijgen. De eigenaar van het bedrijfspand, heeft hierdoor aanzienlijke schade geleden. Mede door de nietsontziende wijze waarop de brand is gesticht geldt hetzelfde voor de naastliggende en achterliggende bedrijven, die van dezelfde aaneengesloten bebouwing deel uitmaken. Bovendien hebben andere goederen, die zich in de nabijheid van het bedrijfspand bevonden, gevaar gelopen.

Een dergelijk misdrijf rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Voor het opleggen van een werkstraf is geen plaats. De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmaat rekening gehouden met de nog jeugdige leeftijd van de verdachte, die er op openhartige wijze blijk van heeft gegeven inzicht te hebben in het laakbare van zijn handelingen en daarvan berouw te hebben. De rechtbank weegt voorts mee dat verdachte, anders dan zijn werkgever, niet het opzet heeft gehad om er financieel beter van te worden; voor zijn deelname is verdachte ook niet met geld beloond. De rechtbank zal ook rekening houden met de gezagsverhouding die er tussen verdachte en zijn werkgever bestond en de – weliswaar misplaatste – loyaliteit die verdachte ten opzicht van zijn werkgever heeft getoond.

De rechtbank is van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf, ondanks dat verdachte van een wezenlijk onderdeel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken, recht doet aan de ernst van het feit.

7. De benadeelde partij

De benadeelde partij [bedrijf 2]/ afd. [naam] vordert een schadevergoeding van € 8.451,55.

De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat de schade, te weten de kosten die zijn gemaakt voor taxatie van de schade, rechtstreeks verband houdt met het bewezen verklaarde feit. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Zij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 157 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het onder 5.1 genoemde strafbare feit oplevert;

- verklaart verdachte daarvoor strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- verklaart de benadeelde partij [bedrijf 2]/ afd. [naam] niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Krol, voorzitter, mr. M.A.A.T. Engbers en mr. M.H.L. Schoenmakers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.A. van Wageningen en M.L. Hajonides, griffiers, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 25 juni 2010.