Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BM9249

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
31-05-2010
Datum publicatie
24-06-2010
Zaaknummer
16-604161-09
Rechtsgebieden
Civiel recht
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek Bliksem. Vrijspraak. Bestanden stonden in de Temporary Internet Files.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/604161-09 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 31 mei 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1973] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [woonadres].

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 17 mei 2010, waarbij de officier van justitie en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

kinderpornografische afbeeldingen heeft verspreid, vervaardigd, ingevoerd, uitgevoerd en/of in zijn bezit heeft gehad en dat hij van dit misdrijf een gewoonte heeft gemaakt.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van de zaak

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde kinderpornografische afbeeldingen in zijn bezit heeft gehad, alsmede dat verdachte van dat misdrijf een gewoonte heeft gemaakt. De officier van justitie heeft zich hierbij gebaseerd op de bevindingen van de politie met betrekking tot de aangetroffen kinderpornografische afbeeldingen in de Temporary Internet Files op de laptop van verdachte. Het feit dat dergelijke bestanden voor de gemiddelde computergebruiker over het algemeen eenvoudig zijn terug te halen maakt volgens de officier van justitie dat er gesproken kan worden van het in bezit hebben van kinderpornografische afbeeldingen. Verdachte had aldus de officier van justitie de beschikkingsmacht over voornoemde afbeeldingen.

De officier van justitie acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het verspreiden, vervaardigen, invoeren of uitvoeren van kinderpornografische afbeeldingen.

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd om aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 6 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk. De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd om de in beslag genomen laptop te onttrekken aan het verkeer.

4.2. Het standpunt van de verdachte

De verdachte heeft ter terechtzitting en eerder tegenover de politie verklaard dat hij sites heeft bezocht waarop kinderpornografische afbeeldingen te zien waren, maar dat hij dergelijke afbeeldingen niet heeft gedownload en er zich er niet bewust van is geweest dat deze afbeeldingen op zijn laptop zouden kunnen worden aangetroffen.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Medio september 2006 heeft het KLPD een rapport van Interpol Wenen ontvangen. Uit dit rapport bleek dat een gebruiker met een bepaald IP-adres had geprobeerd om kinderpornografische afbeeldingen te downloaden. Uit onderzoek bleek dat het in het rapport genoemde IP-adres was geregistreerd op naam van verdachte. Deze informatie is aanleiding geweest voor een doorzoeking op 3 maart 2009 in de woning van verdachte. Op een bij verdachte in bezit zijnde laptop zijn 40 kinderpornografische afbeeldingen aangetroffen. Deze afbeelden werden alle aangetroffen in de zogenaamde Temporary Internet Files.

Verdachte is zoals hiervoor is weergegeven gedagvaard en aan hem is -kort gezegd- ten laste gelegd dat hij de voornoemde 40 afbeeldingen in zijn bezit heeft gehad en hiervan een gewoonte heeft gemaakt.

De rechtbank stelt voorop dat het enkele bekijken van een afbeelding van kinderpornografische aard niet als het bezit daarvan in de zin van artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht kan gelden, ook niet wanneer deze afbeelding doelbewust vanaf het internet op het computerscherm wordt opgeroepen. Van bezit kan pas sprake zijn als de afbeelding vervolgens ook op enigerlei wijze wordt opgeslagen. Voor bewezenverklaring van het in bezit hebben van de betreffende afbeelding moet voorts vast komen te staan dat de verdachte zich in meer of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van deze afbeelding op zijn computer.

In dit geval zijn alle afbeeldingen aangetroffen in de eerder genoemde Temporary Internet Files. In dit tijdelijke internetbestand worden gegevens, waaronder afbeeldingen van websites die zijn geopend, door Windows bewaard, zodat ze later, wanneer de desbetreffende internetpagina opnieuw wordt bezocht sneller geladen kunnen worden. Een bijzondere handeling van de gebruiker is voor deze opslag niet vereist. Deze Temporary Internet Files zijn middels bijvoorbeeld de verkenner toegankelijk voor de gebruiker.

Verdachte heeft zoals hiervoor is weergegeven erkend websites te hebben bezocht waarop kinderpornografische afbeeldingen te zien waren. Verdachte was zich er echter niet van bewust dat de bekeken afbeeldingen zouden worden opgeslagen in de Temporary Internet Files.

Van verdachte is niet gebleken dat hij beschikte over bijzondere kennis van de softwaretechnische aspecten van internetprogramma’s in het algemeen en van de toepassing van Temporary Internet Files in het bijzonder. Ondanks het feit dat computergebruik tegenwoordig volledig is geïntegreerd in de samenleving en het onderwijs, kan naar het oordeel van de rechtbank naar de stand van heden niet worden aangenomen dat deze technische kennis bij internetgebruikers als verdachte in het algemeen bekend is. Op dit punt kan nog niet worden gesproken worden van een feit van algemene bekendheid. De rechtbank is van oordeel dat op grond daarvan niet vast is komen te staan dat verdachte zich indertijd in meer of mindere mate bewust is geweest van de opslag en de aanwezigheid van de betreffende afbeeldingen in de Temporary Internet Files. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat verdachte de aangetroffen en in de tenlastelegging genoemde kinderpornografische afbeeldingen (voorwaardelijk) opzettelijk in zijn bezit heeft gehad in de zin van artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht. Dat verdachte wel wist dat op zijn computer was te zien dat hij websites met kinderpornografische afbeeldingen had bezocht en hij deze websites naar eigen zeggen had toegevoegd aan zijn favorieten, maakt dit niet anders.

De rechtbank heeft hierbij aangesloten bij hetgeen eerder door het Gerechtshof Leeuwarden d.d. 22 maart 2005 (AT 6636), rechtbank Middelburg d.d. 16 december 2009 (BL 6580), rechtbank Utrecht d.d. 12 mei 2010 (16/604162-09) en de Hoge Raad d.d. 28 februari 2006 (AU 9104) omtrent het bezit in de zin van artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht is overwogen.

De rechtbank acht -gelet op het voorgaande- niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en zal hem dan ook vrijspreken.

5. De overwegingen omtrent het beslag.

Tijdens de doorzoeking in de woning van verdachte is de laptop van verdachte in beslaggenomen en vervolgens onderzocht op de aanwezigheid van kinderpornografisch materiaal. Kinderpornografisch materiaal is vervolgens aangetroffen in de zogenaamde Temporary Internet Files. Verdachte heeft naar aanleiding van deze aangetroffen afbeeldingen op 22 september 2009 tegenover de politie verklaard dat hij de laptop niet terug hoeft te hebben, daar hij al een nieuwe laptop had gekocht. Ook ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij de laptop niet terug hoeft te hebben. De rechtbank verstaat deze verklaringen van verdachte, tegenover zowel de rechtbank als de politie, als een zogenaamde afstandsverklaring. Gelet op deze afstandsverklaring staat er geen beslag meer open en is het aan de officier van justitie om hierover een beslissing te nemen.

6. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.P. Gerrits-Janssens, voorzitter, mr. A.J.P. Schotman en mr. A. van Maanen, rechters, in tegenwoordigheid van J.J. Veldhuizen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 31 mei 2010.