Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BM9246

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
26-05-2010
Datum publicatie
24-06-2010
Zaaknummer
269986 / HA ZA 09-1564
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser vordert uitkering wegens gestolen personenauto onder een verkeersverzekering die deel uit maakt van een pakketverzekering. Verzekeraar beroept zich op verzwijging en heeft opgezegd op de voet van artikel 7:929 BW. Door zelfstandig tussenpersoon ingevulde aanvraag- en wijzingingsformulier waarop vragen naar strafrechtelijk verleden ontkennend beantwoord waren. In zaak tegen verzekeraar verordeningen afgewezen met uitzondering van verordening gebaseerd op inboedelverzekering. In zaak tegen tussenpersoon tussenvonnis voor uitlating deskundigenbericht voor onderzoek handtekening van eiser onder aanvraagformulier met ontkennende antwoorden over strafrechtelijk verleden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

269986 / HA ZA 09-156426 mei 2010

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 269986 / HA ZA 09-1564

Vonnis van 26 mei 2010

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. J. van Weerden,

tegen

1. de naamloze vennootschap

ASR SCHADEVERZEKERING N.V.,

rechtsopvolgster van Fortis ASR Schadeverzekering N.V.,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde,

advocaat mr. J.M. van Noort,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MORITZ ASSURANTIËN EN VASTGOED BV,

gevestigd te Spijkenisse,

gedaagde,

advocaat mr. K. Beumer.

Partijen zullen hierna [eiser], ASR en Moritz genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

• het tussenvonnis van 23 september 2009

• het proces-verbaal van comparitie van 1 maart 2010.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] heeft met ASR een tweetal verkeersverzekeringen afgesloten door tussenkomst van Moritz als tussenpersoon. De betrokken verzekeringen hadden als polisnummers [polisnummer 1] en [polisnummer 2]. Deze verkeersverzekeringen zijn op enig moment onderdeel gaan uitmaken van een pakketverzekering waartoe ook een tussen [eiser] en ASR afgesloten inboedelverzekering behoorde. Met ingang van 19 juni 2007 was onder één van deze verkeersverzekeringen een personenauto, merk Volkswagen en gekentekend [kenteken], verzekerd, onder meer tegen diefstal.

2.2. De hiervoor genoemde personenauto is door [eiser] als gestolen opgegeven in augustus 2008.

2.3. ASR heeft geweigerd de schade te vergoeden en heeft bij brief van 5 november 2008 de verkeersverzekering, waaronder de Volkswagen was verzekerd, opgezegd met ingang van 19 augustus 2008. Als reden voor deze opzegging heeft ASR aangevoerd dat [eiser] geen melding heeft gemaakt bij het aanvragen van de verzekering, en evenmin bij het doorvoeren van latere wijzigingen onder de polis, van het feit dat hij in de periode 2005-2006 meerdere malen met justitie in aanraking is geweest in verband met het besturen van een auto onder invloed van alcohol.

2.4. ASR heeft naast het opzeggen van de verzekering melding gemaakt bij de Stichting CIS van de in haar ogen gepleegde verzwijging, deze melding doorgegeven aan het College Bescherming Persoonsgegevens, een registratie in haar incidentenregister opgenomen en het bureau Justitiële Zaken van het Verbond van Verzekeraars daarvan op de hoogte gesteld.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert van ASR samengevat – dat de verzekeringen met terugwerkende kracht weer integraal hersteld worden en de aan derden gedane meldingen definitief en zonder voorbehoud geschrapt worden, veroordeling tot betaling van € 1.602,24 wegens in de gestolen auto aanwezige goederen die onder de inboedelverzekering van [eiser] vallen en verwijzing naar de schadestaatprocedure voor een nadere vaststelling van de door [eiser] geleden materiële en immateriële schade.

3.2. Daarnaast wordt hoofdelijke veroordeling gevorderd van ASR en Moritz tot betaling van € 17.180,00 zijnde de geclaimde schade als gevolg van de diefstal van de auto. Verder vordert [eiser] nog vergoeding van de schade welke hij heeft geleden als gevolg van het feit dat hij thans een hogere premie dient te betalen.

3.3. ASR en Moritz voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

De vordering van [eiser] tegen ASR uit hoofde van de verkeersverzekeringen

4.1. [eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat hem bij het aanvragen van de verzekeringen, danwel het wijzigen daarvan, geen vragen zijn gesteld door ASR, en evenmin door Moritz, met betrekking tot zijn strafrechtelijk verleden. Dat hij met politie en justitie in aanraking is geweest in 2005 en 2006 terzake van het meermalen rijden onder invloed is niet betwist. Het betreft hier informatie die naar ASR onweersproken heeft gesteld door de echtgenote van [eiser] verschaft is tijdens het onderzoek naar de door [eiser] gemelde diefstalschade. De juistheid van de informatie is door [eiser] in een nadere verklaring ten opzichte van het door ASR ingeschakelde onderzoeksbureau CED Forensic bevestigd. Als vaststaand in deze procedure heeft daarom te geleden dat [eiser] in de periode 2005-2006 boetes heeft gekregen voor het rijden onder invloed en dat hij ontzeggingen van de rijbevoegdheid opgelegd heeft gekregen.

4.2. Tegenover de stelling van [eiser] dat hem geen vragen naar zijn strafrechtelijke verleden zijn gesteld heeft ASR betoogd dat de onderhavige verzekeringen via één van haar geautomatiseerde systemen - met de naam Cockpit - tot stand zijn gekomen. Het aanvragen van een verzekering geschiedt door middel van dit systeem doordat de tussenpersoon, Moritz, langs electronische weg het aanvraagformulier invult. Onderdeel van het aanvraagformulier zijn vragen naar een eventueel strafrechtelijk verleden van de aspirant-verzekeringnemer. Een en ander wordt ook bevestigd door onderdelen van de als productie 6 bij dagvaarding door [eiser] in het geding gebrachte aanvraagformulieren. Daaruit blijkt dat Moritz op de vragen naar ontzeggingen van de rijbevoegdheid een ontkennend antwoord heeft gezonden naar ASR.

4.3. Door Moritz is de door ASR beschreven gang van zaken rond de totstandkoming van de verzekering en de nadien doorgevoerde wijzigingen tijdens de in deze zaak gehouden comparitie onderschreven. Verder heeft Moritz - evenals ASR - in het geding gebracht een “Aanvraag-/wijzigingsformulier Voordeelpakket” in verband met het onderbrengen van de verkeersverzekering met polisnummer [polisnummer 2] in de eerdergenoemde pakketverzekering. Dit formulier is gedateerd op 08-06-2007 en is volgens Moritz ondertekend door [eiser]. De op dit formulier opgenomen vragen naar een strafrechtelijk verleden van [eiser] in de laatste 8 jaar voorafgaand aan het invullen van het formulier zijn ontkennend beantwoord. Het formulier is volgens de stellingen van Moritz ingevuld tijdens een bezoek van één van haar medewerkers aan [eiser].

4.4. Door ASR is verder bij conclusie van antwoord gemotiveerd aangegeven dat Moritz als onafhankelijk tussenpersoon ten behoeve van [eiser] is opgetreden. Aangezien dit verder niet betwist is door [eiser] gaat de rechtbank daarvan uit. Eventuele fouten en/of verzuimen van Moritz begaan rond het invullen van aanvraag- en/of wijzigingsformulieren dienen in de relatie tussen [eiser] en ASR aan eerstgenoemde te worden toegerekend nu fouten van een zelfstandig tussenpersoon aan zijn opdrachtgever toegerekend dienen te worden en dat is in dit geval [eiser].

4.5. Nu er op grond van het voorafgaande van uitgegaan moet worden dat de aanvraagformulieren van ASR vragen naar het strafrechtelijk verleden, waaronder ontzeggingen van de rijbevoegdheid van de (aspirant) verzekeringnemer, bevatten, kan het onjuist beantwoord zijn van deze vragen, ongeacht of dat door toedoen van [eiser] of Moritz is geschied, niet in de weg staan aan een beroep op verzwijging door ASR.

4.6. ASR heeft zich op het standpunt gesteld dat zij de onderhavige verzekering niet zou hebben afgesloten als zij op de hoogte was geweest van het strafrechtelijk verleden van [eiser]. Op de voet van artikel 7:929 lid 2 BW heeft zij de betrokken verkeersverzekering opgezegd binnen twee maanden na de ontdekking van het feit dat [eiser] niet aan zijn mededelingsplicht had voldaan en op de voet van artikel 7:930 lid 4 BW heeft zij uitkering terzake van de geclaimde diefstalschade geweigerd. Door [eiser] is niet betwist dat ASR bij een juiste kennis van zaken de onderhavige verkeersverzekering niet zou hebben afgesloten. [eiser] heeft nog betoogd dat de verzwijging geen verband houdt met de geclaimde diefstalschade maar dit betoog miskent dat ASR zich op het standpunt stelt geen verzekeringen als de onderhavige af te sluiten bij kennis van een strafrechtelijk verleden zoals dat van [eiser] en dat van de juistheid van dat standpunt moet worden uitgegaan in deze procedure. Dat strafrechtelijke veroordelingen wegens dronken rijden en informatie daarover voor een verzekeraar in het kader van het afsluiten van een verkeersverzekering van groot belang zijn en dat dit eens te meer geldt indien het recente veroordelingen betreft is reeds eerder beslist (vgl. LJN BA9389, Rb. Utrecht, 04-07-2007). De vordering tot uitkering van de diefstalschade onder de verkeersverzekering dient dan ook te worden afgewezen.

De vordering met betrekking tot de door ASR gedane meldingen

4.7. Met betrekking tot de vorderingen tot het ongedaan maken van de door ASR gedane meldingen zoals omschreven onder 2.5 van dit vonnis overweegt de rechtbank het volgende. Grondslag voor deze vordering is onrechtmatig handelen door ASR. Uit het onder 4.6 gegeven oordeel vloeit voort dat er sprake is geweest van verzwijging ten opzichte van ASR en dat door ASR terecht geweigerd is om tot uitkering onder de verkeersverzekering over te gaan. Onder die omstandigheden kan het door ASR doen van de betrokken meldingen niet als onrechtmatig worden gezien en de vorderingen van [eiser] ter zake zullen dan ook worden afgewezen. Indien en voorzover uit hetgeen overwogen en beslist gaat worden in het geding tussen [eiser] en Moritz voortvloeit dat aan [eiser] geen verwijt te maken zou zijn met betrekking tot de gepleegde verzwijging zal [eiser] zich opnieuw tot ASR kunnen wenden omdat onder die omstandigheden de redelijkheid en billijkheid met zich kunnen brengen dat het laten voortduren van de registraties ten opzichte van [eiser] niet gerechtvaardigd zou zijn.

De overige vorderingen verband houdende met de verkeersverzekering(en)

4.8. Ook de overige vorderingen van [eiser] die verband houden met de beëindiging door ASR van de verkeersverzekeringen dienen te worden afgewezen omdat de rechtbank vastgesteld heeft dat de beëindiging van de verkeersverzekeringen door ASR gerechtvaardigd wordt door de verzwijging van het strafrechtelijke verleden van [eiser]. Eventuele schade voor [eiser] als gevolg van zijn verzwijging kan niet aan ASR worden toegerekend of voor haar rekening gebracht worden.

4.9. De vorderingen van [eiser] zijn onderverdeeld in vorderingen tegen ASR en vorderingen tegen ASR en Moritz gezamenlijk. Op grond van het hiervoor overwogene zullen bij eindvonnis de vorderingen tegen ASR tot herstel van de verzekeringen (I), de vordering tot vergoeding van materiële en immateriële schade wegens inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [eiser] (III), de vordering tot vergoeding van de als gestolen opgegeven personenauto (I van de vorderingen tegen ASR en Moritz) en de vordering tot vergoeding van de hogere premie die [eiser] nu moet betalen (II van de vorderingen tegen ASR en Moritz) worden afgewezen.

De vordering uit hoofde van de inboedelverzekering

4.10. [eiser] vordert betaling van € 1.602,24 uit hoofde van de inboedelverzekering die onderdeel uitmaakte van de pakketverzekering bij ASR. De gevorderde schade bestaat uit zaken die in de als gestolen opgegeven personenauto aanwezig zouden zijn geweest op het moment van de diefstal.

4.11. ASR betwist dit deel van de vordering op de volgende gronden. Zij meent ten eerste dat uit het weigeren van uitkering onder de verkeersverzekering en het opzeggen daarvan ook zou voortvloeien dat geen uitkering onder de inboedelverzekering zou behoeven plaats te vinden. De rechtbank verwerpt dit betoog. De afwijzing van de schade door ASR onder de verkeersverzekering bij brief van 5 november 2008 is uitgebreid gemotiveerd. In deze brief worden de twee verkeersverzekeringen opgezegd, maar de inboedelverzekering wordt niet genoemd. Gesteld noch gebleken is dat ASR op enig moment binnen de in artikel 7:929 BW genoemde termijn van 2 maanden de inboedelverzekering van [eiser] heeft opgezegd.

4.12. Daar komt nog bij dat blijkens de door ASR ingeroepen clausule “Electronische aanvraag” er in het kader van het afsluiten van een inboedelverzekering - kennelijk - geen belang wordt gehecht aan rijden onder invloed. De clausule luidt voor zover van belang als volgt:

“Artikel 16

Elektronische aanvraag

Onderstaande voorwaarden zijn alleen van toepassing bij een elektronisch gesloten verzekering.

De verzekering(en) in dit voordeelpakket is/zijn gesloten op de voorwaarden dat het hierna volgende geldt voor u en andere verzekerden op deze verzekering(en).

In de laatste 8 jaar voor het sluiten van de verzekering:

1. is een verzekering als deze of een andere niet opgezegd;

2. is een verzekering als deze, een andere verzekering of een wijziging van een verzekering niet geweigerd;

3. zijn bij een verzekering als deze of een andere verzekering geen beperkende of verzwarende bepalingen dan wel een hogere premie, toegepast of voorgesteld;

4. bent u of is een andere verzekerde niet als verdachte of ter uitvoering van een opgelegde (straf)maatregel in aanraking geweest met politie of justitie in verband met:

a. wederrechtelijk verkregen of te verkrijgen voordeel, zoals diefstal, verduistering, bedrog, oplichting, valsheid in geschrifte of poging(en) daartoe;

b. wederrechtelijke benadeling van anderen, zoals vernieling of beschadiging, mishandeling, afpersing en afdreiging of enig misdrijf gericht tegen de persoonlijke vrijheid of tegen het leven of poging(en) daartoe;

c. overtreding van de Wet wapens en munitie, de Opiumwet of de Wet economische delicten.

Als de verzekering voor een motorrijtuig is gesloten, dan geldt ook dat deze is gesloten op de voorwaarde dat voor u, de regelmatige bestuurder en de houder van het kentekenbewijs:

1. In de laatste acht jaar voor het sluiten van deze verzekering geen sprake is geweest

2. van een veroordeling in verband met een verkeersdelict dan wel bij vonnis de rijbevoegdheid is ontzegd (al dan niet voorwaardelijk); de rijvaardigheid niet wordt beïnvloed door ene handicap, ziekte of gebruik van medicijnen.

Als de verzekering voor rechtsbijstand is gesloten……”

4.13. De clausule bevat, voor andere verzekeringen dan verkeersverzekeringen, een opsomming van overtredingen en misdrijven, die de verzekerde geacht wordt niet te hebben begaan (de clausule beoogt blijkens het niet opgenomen gedeelte daarvan een soort verklaring van de verzekerde in te houden die gecorrigeerd zou moeten worden na ontvangst van het polisblad als daartoe aanleiding zou bestaan) in de 8 jaar voor het sluiten van de verzekering. Rijden onder invloed wordt blijkens deze clausule alleen relevant geacht voor verzekeringen met betrekking tot een motorrijtuig. Dit blijkt uit de formulering “Als de verzekering voor een motorrijtuig is gesloten dan geldt ook [onderstreping toegevoegd; rb.] dat deze is gesloten….etc.”. De stellingen van ASR - zoals opgenomen in randnummer 68 van de conclusie van antwoord - die erop neerkomen dat opzegging van de verkeersverzekering(en) ook het weigeren van uitkering onder de inboedelverzekering rechtvaardigt worden daarom verworpen.

4.14. Door ASR is verder de omvang van de geclaimde schade onder de inboedelverzekering betwist. Naar aan te nemen valt heeft nog geen vaststelling van de schade overeenkomstig de polis plaatsgevonden omdat ASR van oordeel was dat er toch geen uitkering zou plaatsvinden. Gelet op het hiervoor overwogene gaat de rechtbank ervan uit dat partijen met elkaar in overleg treden over de schadevaststelling. Mocht dat niet tot een oplossing leiden dan kunnen partijen het nog resterende geschil weer voorleggen aan de rechtbank. In verband daarmee zal de zaak verwezen worden naar de parkeerrol voor doorhaling of hervatting van de procedure.

4.15. Iedere verdere beslissing tussen partijen, ook die ten aanzien van de proceskosten, zal worden aangehouden.

De vordering tegen Moritz

4.16. Moritz meest verstrekkende verweer is dat [eiser] niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard omdat zij haar assurantieportefeuille met ingang van 1 januari 2008 heeft overgedragen aan Moritz & Partners B.V. en dat de geclaimde schade daarna is ontstaan. Moritz heeft niet nader onderbouwd dat door de overdracht van de portefeuille de aansprakelijkheden verbonden aan het beheer van de assurantieportefeuille vóór 1 januari 2008 zijn overgegaan op Moritz & Partners BV. Dat de door [eiser] geclaimde schade na 1 januari 2008 is opgetreden kan niet afdoen aan de omstandigheid dat een eventuele tekortkoming van Moritz in 2006 en/of 2007 jegens [eiser] in beginsel voor haar rekening blijft. Gelet op de omstandigheid dat er geen begin van bewijs voorligt dat Moritz & Partners de aansprakelijkheid voor tekortkomingen en/of fouten van Moritz begaan voor het tijdstip van de overname van de portefeuille op zich genomen heeft passeert de rechtbank het niet-ontvankelijkheidsverweer. Indien Moritz van mening zou zijn dat de gevolgen van een eventuele tekortkoming voor rekening van Moritz & Partners zou moeten komen dan had zij laatstgenoemde in vrijwaring kunnen oproepen. Terzijde merkt de rechtbank op dat de stukken die de raadsman van [eiser] over dit aspect van de zaak bij brief van 12 maart 2010 aan de rechtbank heeft gezonden buiten beschouwing zijn gelaten nu de zaak na de comparitie van partijen op 1 maart 2010 verwezen is voor vonnis.

De kwestie van de handtekening

4.17. [eiser] heeft betwist dat de handtekening onder het aanvraagformulier zoals vermeld in punt 4.3 door hem gezet is. In deze zaak geldt dat, als aangenomen moet worden dat de desbetreffende handtekening met een voldoende mate van waarschijnlijkheid door [eiser] is gezet, zijn vorderingen jegens Moritz moeten worden afgewezen. In dat geval staat immers vast dat [eiser] zijn strafrechtelijk verleden verzwegen heeft. Door de betwisting van de echtheid van de handtekening heeft [eiser] ook niet meer de mogelijkheid om de stelling te betrekken dat Moritz op de hoogte was van zijn strafrechtelijk verleden en hem geadviseerd zou hebben om dat verleden desalniettemin te verzwijgen. Mede op basis van de zich bij de processtukken bevindende handtekeningen van [eiser], met betrekking tot welke hij niet aangevoerd heeft dat het niet zijn handtekening betreft, acht de rechtbank het aangewezen om zich door een deskundige te laten voorlichten over de vraag met welke mate van waarschijnlijkheid de handtekening onder het formulier van [eiser] afkomstig is.

4.18. Voordat daartoe wordt overgegaan, zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over het aantal te benoemen deskundigen en over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen. Indien partijen zich wensen uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige(n), dienen zij daarbij aan te geven over welke deskundige(n) zij het eens zijn, dan wel tegen wie zij gemotiveerd bezwaar hebben. De rechtbank zal de zaak hiertoe naar de rol verwijzen.

4.19. De rechtbank is voorlopig van oordeel dat kan worden volstaan met de benoeming van één deskundige op het gebied van handschriftvergelijking en dat de navolgende vragen dienen te worden voorgelegd:

1. Kunt U vaststellen of, en zo ja met welke mate van waarschijnlijkheid, de handtekening onder het “Aanvraag-/wijzigingsformulier Voordeelpakket” met de datum 8 juni 2007 van [eiser] afkomstig is ?

2. Heeft U nog overige opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang zouden kunnen zijn ?

4.20. Ter comparitie is gebleken dat Moritz het in 4.18 bedoelde aanvraagformulier uit het dossier van Moritz & Partners heeft verkregen. Moritz wordt verzocht na te gaan of zij het originele aanvraagformulier kan verkrijgen en indien dat mogelijk is dit formulier te deponeren ter griffie van de rechtbank ten behoeve van de te benoemen deskundige(n).

4.21. Iedere verdere beslissing, ook die ten aanzien van de proceskosten, zal worden aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank

In de zaak tussen [eiser] en ASR

5.1. verwijst de zaak naar de rol van 6 oktober 2010 voor uitlating doorhaling of hervatting van de procedure met betrekking tot de vordering van [eiser] die ziet op de tussen partijen bestaande inboedelverzekering,

5.2. houdt iedere verdere beslissing aan,

In de zaak tussen [eiser] en Moritz

5.3. verwijst de zaak naar de rol van 23 juni 2010 voor uitlating door beide partijen over de punten genoemd in overweging 4.18 van dit vonnis,

5.4. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. D. Wachter en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2010.

DW/JvdB