Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BM9223

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
17-06-2010
Datum publicatie
24-06-2010
Zaaknummer
16-601341-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

12 maanden gevangenisstraf voor het vervoer van bijna 2 kilo cocaine.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/601341-09 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 17 juni 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1965] te [geboorteplaats],

gedetineerd in PI Breda – HvB De Boschpoort te Breda.

Raadsman mr. A.W.A.P. Doesburg, advocaat te Breda.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 18 maart 2010 en 3 juni 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: samen met een ander opzettelijk ongeveer 2 kilo cocaïne heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, in elk geval die cocaïne in zijn bezit heeft gehad;

Feit 2: een (dolk)mes heeft gedragen.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten. De officier van justitie heeft zich hierbij -kort gezegd- gebaseerd op de bevindingen van de politie, die in de kofferbak van de bij verdachte in gebruik zijnde auto ongeveer 2 kilogram cocaïne aantroffen. Verdachte heeft volgens de officier van justitie onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij niets van deze cocaïne wist. Gelet op de plaats waar het aangetroffen mes gedragen werd in combinatie met de aangetroffen drugs en overige goederen acht de officier van justitie het onder 2 ten laste gelegde eveneens bewezen. Naar de mening van de officier van justitie is het bewijs op rechtmatige wijze verkregen.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte vrijgesproken dient te worden van beide ten laste gelegde feiten. Het vragen naar de identiteit van verdachte, de controle bij de landelijke meldkamer, de ondervragingen zonder cautie, de fouillering en doorzoeking hebben volgens de raadsman onrechtmatig plaatsgevonden, zodat de daaruit voortgekomen informatie niet tot bewijs mag dienen. Ook het feit dat verdachte op geen enkele wijze weet heeft gehad van de aangetroffen cocaïne dient volgens de raadsman te leiden tot vrijspraak.

De raadsman heeft verzocht om, in het geval de rechtbank niet tot een gehele vrijspraak komt, de getuigen [verbalisant 3], [verbalisant 4], [betrokkene 1] (de rechtbank begrijpt de broer van verdachte) en [betrokkene 2] te horen. Tevens wenst de raadsman de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] te horen.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

De feitelijke gang van zaken

Op 17 december 2009 waren de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] belast met een controle op het tanken zonder betalen. Deze controle vond plaats bij het Shell tankstation, gelegen langs de rijksweg A2 in de gemeente Breukelen. Omstreeks 17.30 uur die dag zagen zij dat een auto voorzien van een Bulgaars kenteken naast hun voertuig parkeerde. Deze auto werd bestuurd door een man en op de passagierstoel zat een jonge vrouw. De man stapte uit en gooide een papieren zak in het gras. Voornoemde verbalisanten hebben de man even later aangesproken als verdachte van een overtreding van de Wet milieubeheer. Nadat verbalisant [verbalisant 3] zich had gelegitimeerd werd aan verdachte zijn identiteitsbewijs gevraagd. Vanwege haar buitenlandse uiterlijk en gebrekkige beheersing van de Nederlandse taal wilden de verbalisanten de verblijfstatus van de vrouw vaststellen en werd ook aan haar om een identiteitsbewijs gevraagd. Hierna werd door verbalisant [verbalisant 4] telefonisch contact opgenomen met de landelijke meldkamer [naam] en werd door een medewerker van deze meldkamer aan verbalisant doorgegeven dat verdachte voorkwam in de politiesystemen als verdachte van het in bezit hebben van een vuurwapen en voor overtreding van de Opiumwet. Hetzelfde gold eveneens voor de vrouw, mevrouw [betrokkene 3]. In verband met de veiligheid werd hierop besloten om de controle op een andere plaats voort te zetten. Ter controle op de juiste naleving van de in de Wegenverkeerswet gestelde bepalingen werd aan de verdachte gevraagd om de motorkap van de auto te openen. Verdachte openende hierop de motorkap en door zowel de verbalisanten als de verdachte werd gezocht naar het voertuig identificatienummer (hierna: VIN). Aan verdachte werd gevraagd of hij wist waarvoor hij bij de politie bekend was. Verdachte verklaarde dat het iets met wapens was, maar dat hij daarvoor al weer was vrijgelaten. Op de vraag of de verbalisanten op dat gebied vandaag ook wat konden verwachten antwoordde verdachte letterlijk: “nee natuurlijk niet, zoek maar, kijk maar je zal niks vinden”. Door verbalisant [verbalisant 3] werd verdachte op zijn uitnodiging onderworpen aan een fouillering. Verdachte verklaarde toen dat hij een mesje bij zich had en deze werd tijdens het fouilleren ook aangetroffen in een houder, welke aan de binnenkant van zijn broeksriem zat. In verband met het aantreffen van dit mes in combinatie met het feit dat verdachte recentelijk voorkwam als verdachte voor het in bezit hebben van een vuurwapen werd besloten om de auto te doorzoeken. Deze doorzoeking vond plaats op grond van de Wet wapens en munitie. In de kofferbak, die door verdachte zelf geopend was om een schroevendraaier te pakken, zag verbalisant [verbalisant 4] een plastic zak liggen waarvan verdachte meedeelde niet te weten wat de inhoud daarvan was. Vervolgens pakte verdachte de zak en door de beweging met de zak werden in deze zak twee, in transparant plastic verpakte, plakken waargenomen. Deze wijze van verpakken was verbalisant [verbalisant 4] ambtshalve bekend als de verpakking van drugs .

[verbalisant 4] heeft in een later proces-verbaal van bevindingen gerelateerd dat de betreffende plastic zak niet aan het zicht was onttrokken en dat hij deze zak zag liggen zonder dat hij daar wat voor heeft moeten verplaatsen of aanraken .

Verdachte werd na ter plaatse te zijn aangehouden in een onopvallend politievoertuig geplaatst. Nadat verdachte enige tijd later werd overgeplaatst in een ander voertuig werd de zitplaats van verdachte in het onopvallende politievoertuig gecontroleerd. Bij deze controle werd een rietje, een pijpje en een buisje met een witte substantie aangetroffen, welke de verbalisant [verbalisant 5] ambtshalve bekend voorkwam als vermoedelijk verdovende middelen .

Dezelfde dag nog werd een kleine hoeveelheid wit poeder, afkomstig van de hiervoor genoemde witte plakken, positief getest op de aanwezigheid van drugs . Later werden monsters van dit aangetroffen witte poeder onderzocht door het Nederlands Forensisch Instituut en werd geconcludeerd dat er daadwerkelijk sprake was van cocaïne . De aangetroffen cocaïne had een netto gewicht van in totaal 1.971,2 gram .

Een dag na de aanhouding van verdachte werd de door hem bestuurde auto onderzocht en werden onder meer een kogelwerend vest, 2 bivakmutsen en 2 metalen buizen, welke volgens de politie geschikt waren als slagwapens, aangetroffen. In de jas -waarvan verdachte ter terechtzitting van 3 juni 2010 heeft bekend dat het zijn jas is- werd een glazen pijpje c.q. rietje aangetroffen. De binnenzijde van dit pijpje/rietje was voorzien van wit poeder .

Overwegingen met betrekking tot het verkregen bewijs

Op het moment dat verdachte het zakje naast de prullenbak deponeerde werd hij verdachte op grond van de Wet milieubeheer en ontstond er dus de bevoegdheid om hem staande te houden en hem naar zijn identiteitsgegevens te vragen. Dat verdachte het zakje niet in maar naast de prullenbak deponeerde wordt overigens bevestigd door de verklaring van mevrouw [betrokkene 3] .

Door tussenkomst van de meldkamer werden de gegevens gecontroleerd en bleek dat zowel verdachte als mevrouw [betrokkene 3] in de politiesystemen voorkwam in verband met feiten uit de Opiumwet en de Wet wapens en munitie. Op basis van het proces-verbaal blijft weliswaar onduidelijk aan welke exacte data deze eerdere feiten gekoppeld kunnen worden. Duidelijk is echter wel dat beide personen geregistreerd stonden in verband met eerder genoemde feiten. De rechtbank stelt voorts vast dat deze eerdere geregistreerde feiten ook blijken uit het in het dossier aanwezige strafblad van verdachte. Zo maakt het strafblad melding van diverse openstaande feiten op grond van de Opiumwet en de Wet wapens en munitie, welke zouden zijn gepleegd in mei 2009. Dat deze gegevens achteraf gezien gedeeltelijk onjuist waren en derhalve onjuist op papier zijn terechtgekomen of onjuist zijn doorgegeven door de meldkamer doet aan de waarde hiervan niets af.

Door de verbalisanten werd verdachte vervolgens gevraagd om de motorkap van de auto te openen ter controle op de juiste naleving van de in de Wegenverkeerswet 1994 gestelde bepalingen. Verdachte voldeed hieraan en opende de motorkap van de auto.

De verdachte gaf, na naar zijn antecedenten te zijn gevraagd, toestemming om hem te fouilleren. In de binnenkant van zijn broeksriem werd een mes in een houder aangetroffen. Gelet op de plaats waar verdachte dit mes bij zich droeg kon redelijkerwijs worden aangenomen dat het een voorwerp betrof dat voor geen ander doel bestemd was dan voor het aanwenden van of dreigen met geweld. Naar aanleiding van dit aangetroffen mes in combinatie met de op dat moment bekend zijnde antecedenten van verdachte werd op grond van de in de in artikel 51 van de Wet wapens en munitie neergelegde bevoegdheid besloten om de auto te doorzoeken en werd in de door verdachte geopende kofferbak de zak met de plakken cocaïne aangetroffen.

De rechtbank heeft geen enkele aanleiding te twijfelen aan de juistheid van het proces-verbaal en de toestemming die verdachte meermalen gegeven heeft. Het proces-verbaal is immers door twee verbalisanten op ambtseed en kort na de aanhouding van verdachte opgemaakt. Daarbij komt dat verdachte ten tijde van zijn verhoren bij de politie en zijn verhoor bij de rechter-commissaris d.d. 21 december 2009 niets heeft verklaard over enige onrechtmatigheid met betrekking tot de fouillering of de doorzoeking van de auto.

De rechtbank is gelet op het vorenstaande van oordeel dat de doorzoeking van de auto op juiste gronden heeft plaatsvonden en dat de vruchten daarvan gebezigd kunnen worden voor het bewijs.

Overwegingen met betrekking tot het opzettelijke vervoer

De rechtbank is van oordeel dat verdachte weet heeft gehad van de aangetroffen cocaïne in de kofferbak en dat er derhalve sprake is van opzettelijk vervoer als bedoeld in artikel 2 onder B van de Opiumwet.

De rechtbank heeft hierbij overwogen dat op één telefoon na (deze was van mw. [betrokkene 3]) alle in de auto aangetroffen goederen aan verdachte toe behoren. Tussen de aangetroffen goederen in de auto bevinden zich onder andere een gebruikersartikel (in de jas van verdachte), 2 bivakmutsen, een kogelwerend vest en een viertal telefoons (incl. carkitt), hetgeen erop lijkt te duiden dat verdachte zich in het criminele circuit ophoudt en ook zelf drugs gebruikt. Bovendien heeft verdachte in het politievoertuig waar hij na zijn aanhouding in moest plaatsnemen gebruikersartikelen achtergelaten. In de kofferbak van de auto bevonden zich naast het hiervoor genoemde kogelwerend vest ook dekens en een reistas met inhoud, waarvan verdachte heeft verklaard dat deze goederen ook aan hem toebehoren. De rechtbank acht het onaannemelijk dat verdachte van alle spullen in de kofferbak weet heeft gehad, hierover specifieke en meermalen wisselende verklaringen heeft afgelegd, maar dat hij van de in het zicht staande plastic zak, met ongeveer 2 kilogram cocaïne, niets wist.

Dat een andere derde of de door de verdediging genoemde [betrokkene 2] een dergelijke grote hoeveelheid cocaïne in een kofferbak van een auto laat liggen acht de rechtbank eveneens onaannemelijk geworden, gelet op de grote waarde van deze hoeveelheid cocaïne. De rechtbank merkt in dit kader overigens op dat niet bewezen hoeft te worden dat de aangetroffen cocaïne ook daadwerkelijk van verdachte is. Van belang is of verdachte zich bewust is geweest van het vervoer van deze cocaïne. Deze laatste vraag kan naar het oordeel van de rechtbank bevestigend worden beantwoord.

Overwegingen met betrekking tot het aangetroffen mes

De rechtbank is met betrekking tot het aangetroffen mes met de raadsman van oordeel dat het enkele bezit hiervan niet strafbaar is gesteld in de Wet wapens en munitie. De rechtbank is echter van oordeel dat in dit geval sprake is van een situatie waarbij gelet op de aard van het voorwerp alsmede de omstandigheden waaronder dit werd aangetroffen, in een houder aan de binnenkant van de broeksriem van verdachte in combinatie met de in de auto aangetroffen cocaïne, de bivakmutsen en het kogelwerend vest, dat dit mes voor geen ander doel bestemd was dan om letstel toe te brengen of te dreigen. Dit mes is derhalve in dit geval een wapen als bedoeld in van artikel 2 lid 1, categorie IV onder 7 van de Wet wapens en Munitie. De rechtbank zich heeft hierbij mede gebaseerd op hetgeen omschreven staat omtrent het mes in het proces-verbaal, alsmede op de aanwezige foto’s van het mes .

De rechtbank acht gelet op het vorenstaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

Het verzoek van de raadsman om een zestal getuigen te horen wordt afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat het verzoek dient te worden beoordeeld aan de hand van het noodzakelijkheidscriterium. Het horen van de getuigen acht de rechtbank niet noodzakelijk voor enige in deze strafzaak te nemen beslissing. Zoals hiervoor is overwogen heeft de rechtbank geen enkele twijfel omtrent de feitelijke gang van zaken en de rechtmatigheid van het onderzoek. Hetgeen zich heeft afgespeeld rond de woning van verdachte in [plaats] maakt dit niet anders. Dat zoals de verdediging stelt personen op zoek zijn geweest naar verdachte en/of de cocaïne doet immers aan het feit dat verdachte weet heeft gehad van de cocaïne in de kofferbak niets af.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 17 december 2009 te Breukelen, opzettelijk heeft vervoerd ongeveer 1971 gram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de

Opiumwet behorende lijst I.

2.

op 17 december 2009 te Breukelen een mes, waarvan gelet op de aard of de omstandigheden waaronder dat voorwerp werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat deze voor geen ander doel was bestemd dan om letsel aan personen toe te brengen, dan wel te dreigen, heeft gedragen.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

feit 1: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B van de Opiumwet gegeven verbod,

feit 2: handelen in strijd met artikel 27, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen:

t.a.v feit 1:

- een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van het voorarrest;

t.a.v feit 2:

- een geldboete van € 250,- subsidiair 5 dagen hechtenis.

De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd om de inbeslaggenomen auto en de vier telefoons (merk Nokia) terug te geven aan verdachte. Van de overige inbeslaggenomen goederen heeft de officier van justitie onttrekking aan het verkeer gevorderd.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zoals hiervoor weergegeven bepleit om verdachte vrij te spreken wegens een gebrek aan bewijs.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het vervoeren van bijna 2 kilogram cocaïne. Cocaïne is een voor de gezondheid schadelijke en een zeer verslavende stof. Omdat het gebruik van cocaïne kostbaar is en verslaving leidt tot een toenemend gebruik, nemen verslaafden vaak hun toevlucht tot vermogensdelicten om in hun behoefte aan cocaïne te voorzien. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid, dat het gebruik van cocaïne drempelverlagend kan werken bij het overgaan tot geweld. Cocaïnegebruik, maar natuurlijk ook het vervoer hiervan, leidt dan ook tot gevoelens van onveiligheid en onrust in de maatschappij.

Verdachte heeft daarnaast een wapen gedragen wat op grond van de Wet Wapens en munitie verboden is.

De persoon van verdachte

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op de inhoud van een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 23 april 2010, waaruit blijkt dat verdachte in februari 2007 en maart 2004 veroordeeld is tot gevangenisstraffen voor soortgelijke delicten.

De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf zoals door de officier van justitie gevorderd passend en geboden.

7. Het beslag

7.1. De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet in aanmerking komen voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

7.2. De onttrekking aan het verkeer

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

Gebleken is dat deze voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan

in strijd is met de wet en/of het algemeen belang.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 23, 24, 24c, 36d, 62 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 10 van de Opiumwet en artikel 54 van de Wet wapens en munitie.

9. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 2: handelen in strijd met artikel 27, eerste lid van de Wet wapens en munitie;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

t.a.v. feit 1:

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

t.a.v. feit 2:

- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 250,-;

- beveelt dat bij niet betaling van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 5 dagen;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd: 1 en 2 ;

- verklaart onttrokken aan het verkeer de op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst genoemde inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd: 3, 6, 7 en 8;

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.P. Schotman, voorzitter, mr. A.G. van Doorn en mr. Y.A.T. Kruijer, rechters, in tegenwoordigheid van J.J. Veldhuizen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 17 juni 2010.