Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BM9151

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
12-05-2010
Datum publicatie
24-06-2010
Zaaknummer
263187 / HA ZA 09-501
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2012:BY3172, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser vordert hoofdelijke veroordeling van twee verzekeraars tot vergoeding van alle schade geleden bij twee seperate ongevallen. De voor het eerste ongeval aansprakelijke verzekeraar heeft aansprakelijkheid voor dat ongeval erkend en vordert in reconventie een verklaring voor recht dat als gevolg van de reeds verrichte betalingen deze verzekeraar finaal gekweten is ten opzicht van eiser. De tweede verzekeraar bewist aansprakelijkheid voor het tweede ongeval. Vaststelling aansprakelijkheid verzekeraar 2 na bewijswaardering en afwijzing reconventionele vordering in verband met het bestaan van mengschade, althans de mogelijkheid ervan.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 99
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2010/101
VR 2014/107
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

263187 / HA ZA 09-50112 mei 2010

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 263187 / HA ZA 09-501

Vonnis van 12 mei 2010

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. M. Bonarius,

tegen

1. de naamloze vennootschap

AMLIN CORPORATE INSURANCE N.V.,

voorheen: Fortis Corporate Insurance N.V.,

gevestigd te Amstelveen,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. E.H. de Jonge- Wiemans,

2. de naamloze vennootschap

LONDON VERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in conventie,

advocaat mr. M.F. Lameris.

Partijen zullen hierna [eiser], Amlin en London genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

• het tussenvonnis van 3 juni 2009

• de conclusie van antwoord in reconventie van 10 november 2009

• de akte houdende eisvermeerdering van 10 november 2009

• het proces-verbaal van comparitie van 10 november 2009

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] is betrokken geweest bij twee verkeersongevallen. Het eerste ongeval vond plaats op 26 september 2003. [eiser] is als bestuurder van een bromfiets op die dag aangereden door een rechtsafslaande personenauto die tegen wettelijke aansprakelijkheid verzekerd was bij (de rechtsvoorgangster van) Amlin. Door Amlin is aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval erkend.

2.2. Op dinsdag 3 februari 2004 is [eiser] opnieuw bij een verkeersongeval betrokken geraakt. Op die dag is hij als bestuurder van een bromfiets frontaal gebotst op een bromfiets die op de ongevalsdatum tegen wettelijke aansprakelijkheid verzekerd was bij London. London betwist aansprakelijk te zijn voor dit ongeval.

2.3. Het door [eiser] opgelopen letsel als gevolg van het eerste ongeval bestond uit fracturen van het rechteronder- en bovenbeen en kniebandletsel rechts, naast kleinere verwondingen.

2.4. Het als gevolg van het tweede ongeval door [eiser] opgelopen letsel bestond uit een linker bovenbeen fractuur, kniebandletsel links, plexus brachialis letsel aan de linkerarm, kaak- en jukbeenfractuur, een ribfractuur en diverse kleinere verwondingen.

2.5. Op 15 januari 2007 rapporteert de orthopedisch chirurg A.E.B. Kleipool over beide ongevallen. Hij concludeert dat het eerste ongeval, waarvoor Amlin aansprakelijk is, geen blijvende invaliditeit tot gevolg heeft gehad voor [eiser] terwijl het tweede ongeval een blijvende invaliditeit van 54% voor de mens als geheel met zich heeft gebracht. De medisch adviseurs van zowel [eiser] als Amlin zijn van oordeel dat een correcte toepassing van de gebruikte invaliditeitstabellen tot een invaliditeit van 55% van [eiser] dient te leiden.

3. Het geschil

in conventie en in reconventie

3.1. [eiser] vordert samengevat - na eisvermeerdering hoofdelijke veroordeling van Amlin en London tot betaling van € 111.254,09, vermeerderd met rente en kosten en overigens tot het betalen van schadevergoeding nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

3.2. [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat Amlin en London hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade voortvloeiend uit de ongevallen van 26 september 2003 en 3 februari 2004. Deze stelling is gebaseerd op uitleg van jurisprudentie van de Hoge Raad over de strekking van het schadevergoedingsrecht waaruit [eiser] afleidt dat in geval van onduidelijkheid over de vraag wie welke schade heeft veroorzaakt, deze onduidelijkheid niet ten nadele van de schadelijder mag werken maar als een kwestie van interne draagplicht tussen de aansprakelijke partijen dient te worden beschouwd.

3.3. Ter verdere onderbouwing van de door [eiser] gestelde hoofdelijkheid heeft hij aangevoerd dat hij ten tijde van het plaatsvinden van het tweede ongeval nog aan het revalideren was van het eerste ongeval en dat er reeds daarom sprake is van zogeheten mengschade ten aanzien van een aantal schadeposten.

3.4. Het verweer van Amlin is gebaseerd op de stelling dat de door het ongeval op 26 september 2003 veroorzaakte schade onderscheiden kan worden van de schade die het gevolg is van het latere ongeval op 3 februari 2004 zodat er geen hoofdelijkheid tussen haar en London bestaat en zij in ieder geval niet gehouden kan zijn om schade te vergoeden die (uitsluitend) door het tweede ongeval is veroorzaakt. Amlin stelt dat zij de schade die door het ongeval van 26 september 2003 is veroorzaakt reeds heeft vergoed. Op basis van haar verweer in conventie vordert Amlin in reconventie een verklaring voor recht dat zij als gevolg van de door haar verrichte betaling aan [eiser] van € 10.573,11 alle schade heeft voldaan die [eiser] geleden heeft als gevolg van het ongeval van 26 september 2003.

3.5. London heeft zich verweerd met de stelling dat van hoofdelijkheid geen sprake kan zijn, deels op grond van dezelfde argumenten als Amlin dat gedaan heeft, behoudens voor zover het de naar het oordeel van London opgetreden mengschade betreft. Verder heeft London ter comparitie verklaard eerst een appellabel oordeel van de rechtbank te willen over haar eventuele aansprakelijkheid jegens [eiser]. Eveneens ter comparitie is door London verklaard dat - voor het geval zij aansprakelijk zou worden gehouden voor het tweede ongeval - zij bereid is om als regelend verzekeraar op te treden richting [eiser] met betrekking tot eventuele mengschade.

3.6. Om proces-economische redenen zal de rechtbank eerst beoordelen of London aansprakelijk is voor het ongeval van 3 februari 2004. Daarna zal de gevorderde hoofdelijke veroordeling beoordeeld worden.

4. De beoordeling

in conventie

aansprakelijkheid London

4.1. Over de toedracht van het ongeval op 3 februari 2004 is het volgende bekend. [eiser] reed als bestuurder van een Yamaha over het fietspad langs een weg, genaamd de Heeswijk, vanuit de richting Montfoort in de richting van de Meern. In de tegenovergestelde richting reed [A], hierna: [A], als bestuurder van een Puch Maxi met als passagier [B], hierna: [B]. Het fietspad is ter plaatse ongeveer 2.70 meter breed en is buiten de bebouwde kom gelegen.

4.2. [eiser] baseert de aansprakelijkheid van London op de stelling dat [A] in verband met het inhalen van een groepje fietsers op de voor [eiser] bestemde weghelft terecht is gekomen en frontaal op hem is gebotst.

4.3. [eiser] heeft over de toedracht van het ongeval een verklaring afgelegd ter gelegenheid van een voorlopig getuigenverhoor waarbij [eiser] verzoeker was en London belanghebbende. Hij heeft toen onder meer het volgende verklaard:

“ Toen ik op het fietspad reed kwam er een aantal fietsers mij tegemoet rijden vanuit de tegenovergestelde richting die ik wilde passeren. Het waren drie fietsers, die allen naast elkaar reden. Ik ben uiterst rechts op mijn weghelft gaan rijden zodat ik de fietsers kon passeren.

Net voor ik de fietsers passeerde kwam er een bromfiets achter de fietsers vandaan en haalde ze in. Op dat moment vond de botsing plaats. Ik had de brommer van tevoren achter de fietsers zien rijden. Ik had niet verwacht dat hij de fietsers in zou halen.”

Door [A] is ter gelegenheid van het voorlopig getuigenverhoor - voor zover relevant - het volgende verklaard:

“Ik weet nog dat mijn ex-vriendin die ochtend de bus had gemist en dat ik toen heb aangeboden haar op de brommer naar school te brengen. We reden op de brommer van Vianen via IJsselstein naar Montfoort. Op de weg van IJsselstein naar Montfoort is het ongeluk gebeurd. Ik heb geen enkele herinnering aan het ongeluk zelf. Het eerste wat ik mij weer kan herinneren na het ongeluk is dat ik wakker werd in het ziekenhuis. Dat zal drie, vier, vijf of zes dagen later geweest zijn.”

Door [B] is onder meer het volgende verklaard:

“Ik zat achterop de brommer bij mijn ex-vriend [A]. We waren onderweg naar mijn school en reden in de richting van Montfoort. Voor ons reden fietsers. Ik weet niet hoeveel, het was een klein groepje, ik denk drie of vier fietsers. Ze reden in dezelfde richting als wij. Ik denk dat ze naast elkaar reden, maar heb dat zelf niet gezien omdat ik achterop de brommer zat.

Verder weet ik niets meer. Het eerste wat ik me weer kan herinneren is dat ik de volgende dag wakker werd in een uitslaapkamer van het ziekenhuis.

Ik heb na het ongeval met [A] over het ongeval gesproken. Hij zei dat wij fietsers hadden ingehaald via de andere weghelft en toen weer op onze eigen weghelft waren gaan rijden.

Ten tijde van het ongeluk hadden we haast. Ik had de bus gemist en wilde niet te laat op school komen, dan zou ik namelijk straf krijgen omdat dat al vaker was gebeurd. We reden daarom wat hard. Het brommertje van [A] ging ook weer niet zo hard, hij reed ongeveer 35 km per uur. Zo hard zullen we dus ongeveer gereden hebben.

[A] reed altijd wild op zijn brommer, Ik heb geen specifieke herinnering aan zijn rijstijl op die dag, maar omdat hij altijd wild reed, zal hij dat die dag ook gedaan hebben.

Ik heb het groepje fietsers zelf gezien. Ik kon ze zien langs [A] heen. Ik kan niet inschatten wat op dat moment de afstand tussen ons en het groepje fietsers was.”

4.4. Door de Regionale Verkeersdienst Utrecht is op 20 februari 2004 een procesverbaal Verkeersongevals Analyse opgesteld . Uit de bevindingen van de verbalisanten blijkt dat zij de oorzaak van het ongeval tussen [eiser] en [A] niet hebben kunnen vaststellen. Wel blijkt uit het procesverbaal dat er een getuige is geweest die verklaard heeft dat hij, rijdende in een personenauto in de richting van De Meern, tussen de plaats van het ongeval en de door hem afgelegde weg kort achter elkaar een groep fietsers en daarachter een bromfietser met passagier had zien rijden in de richting van Montfoort.

4.5. In opdracht van [eiser] is een rapport opgesteld door ing. B. Wartenbergh van Ongevallen Analyse Nederland. Op basis van een technische reconstructie van de aangetroffen sporen, vermoedelijke eindposities van de betrokken voertuigen, en aannames omtrent de door betrokkenen gereden snelheid wordt daarin geconcludeerd dat het zeer wel mogelijk is dat de botsing tussen [A] en [eiser] op de voor [eiser] bestemde weghelft heeft plaatsgevonden.

4.6. London heeft benadrukt dat, nu [eiser] als partijgetuige als bedoeld in artikel 164 Rv. aangemerkt moet worden, zijn verklaring niet voldoende bewijs kan opleveren voor zijn stellingen omdat geen van de overige getuigen een verklaring van dezelfde strekking heeft afgelegd en geen van de overige getuigen uit eigen waarneming heeft verklaard over de toedracht van het ongeval. Naar de mening van London kan geen van de verklaringen dienen als het voor een geslaagde bewijslevering noodzakelijke complement bij de verklaring van [eiser].

4.7. De rechtbank volgt London hierin niet. Op basis van de verklaring van [B], in samenhang bezien met de verklaring van [eiser], acht de rechtbank bewezen dat de aanrijding tussen de door [A] bestuurde bromfiets en de door [eiser] bestuurde bromfiets heeft plaatsgevonden in direct verband met het inhalen van een aantal fietsers door [A]. Dit oordeel baseert de rechtbank op het gedeelte van de verklaring van [B] dat handelt over haar eigen waarneming van een groepje fietsers dat in dezelfde rijrichting voor [A] reed en het door haar relateren van het feit dat [A] op enig tijdstip na het ongeval tegen haar gezegd heeft dat er sprake was geweest van het inhalen van een groepje fietsers. Het waarnemen door [B] van een groepje fietsers vóór de bromfiets van [A] kan naar het oordeel van de rechtbank niet op een ander tijdstip hebben plaatsgevonden dan kort tot zeer kort voordat het ongeval heeft plaatsgevonden en daarom moet er, mede gelet op de verklaring van [B] over de rijstijl van [A] en de snelheid waarmee hij reed, kort na de waarneming door [B] een inhaalmanoeuvre hebben plaatsgevonden, althans een begin daarmee gemaakt zijn. Bij haar oordeel heeft de rechtbank betrokken dat de verklaring van [B] op geen enkel onderdeel in strijd is met de verklaring van [eiser] en dat er geen technische sporen of andere indicaties zijn die afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van de verklaring van [eiser].

4.8. Steun voor haar oordeel ziet de rechtbank in de in het door de politie opgemaakte procesverbaal opgenomen weergave van een getuigenverklaring die erop duidt dat [A] kort voor het ongeval achter een groepje fietsers reed met zijn bromfiets. Verder wijst de rechtbank op de getuigenverklaring van [getuige], contactfunctionaris op de school waar [B] op het moment van het ongeval op weg naar toe was. [getuige] heeft als getuige verklaard dat zij op de ochtend van het ongeval van leerlingen op school te horen had gekregen dat er een ernstig ongeval was gebeurd. Bij die gelegenheid hoorde zij ook dat er sprake was geweest van een inhaalmanoeuvre en een daarop gevolgde frontale botsing. Deze mededelingen waren volgens haar afkomstig van leerlingen die het ongeval zelf niet gezien hadden. Uit de stukken blijkt verder dat [A], [B] en [eiser] zelf kort na het ongeval naar het ziekenhuis zijn vervoerd en daarom niet met medeleerlingen van [B] gecommuniceerd kunnen hebben. Dat medeleerlingen van [B] desondanks op de ochtend van het ongeval wisten te vertellen dat er van een inhaalmanoeuvre sprake was geweest duidt erop dat zij daarover door anderen, mogelijkerwijs de door [A] ingehaalde fietsers, of andere getuigen, zijn geïnformeerd.

4.9. Op basis van het voorafgaande oordeel over de inhaalmanoeuvre neemt de rechtbank ook als vaststaand aan, gelet op de breedte van het fietspad waarop betrokkenen reden en het feit dat de fietsers volgens vrijwel alle daarover beschikbare informatie niet achter elkaar maar naast elkaar fietsten, dat [A] bij het uitvoeren van deze inhaalmanoeuvre op het voor [eiser] bestemde weggedeelte terecht is gekomen en daar frontaal op [eiser] is gebotst.

4.10. London heeft zich subsidiair beroepen op eigen schuld van [eiser] en stelt daartoe primair dat als de rechtbank haar oordeel over de aansprakelijkheidsvraag mede zou baseren op het rapport van Wartenbergh dat daarmee vast zou staan dat [eiser] 50 km/u zou hebben gereden voorafgaand aan de aanrijding.

4.11. De rechtbank heeft zich voor wat betreft haar oordeel over de aansprakelijkheid van London niet gebaseerd op het rapport van Wartenbergh en kan daarom strikt genomen het beroep op eigen schuld onbesproken laten. In verband met de hierna te geven beslissing over de appellabiliteit van dit vonnis acht de rechtbank het om proces-economische redenen toch gewenst het beroep op eigen schuld te bespreken.

4.12. London stelt in de verdere toelichting op haar beroep op eigen schuld van [eiser] dat deze zelf ter gelegenheid van het voorlopig getuigenverhoor verklaard heeft 50 km/u te hebben gereden ten tijde van het ongeval.

4.13. Hierin kan de rechtbank London niet volgen. [eiser] heeft het volgende over zijn snelheid ten tijde van het ongeval verklaard:

“Ik weet niet hoe hard ik precies reed ten tijde van de botsing. Ik weet wel dat ik rustig reed om de fietsers te kunnen passeren. Er was namelijk weinig ruimte. Als ik moet schatten denk ik dat ik tussen de 30 en 40 kilometer per uur reed.”

4.14. Na het ongeval is vastgesteld dat de bromfiets van [eiser] opgevoerd was. London verbindt daaraan de gevolgtrekking dat [eiser] zich wel vaker schuldig gemaakt zal hebben aan snelheidsovertredingen en zich daarom ook ten tijde van het ongeval niet aan de ter plaatse geldende maximumsnelheid heeft gehouden. De rechtbank kan hierin geen serieuze betwisting lezen van de door [eiser] afgelegde verklaring en gaat er daarom aan voorbij.

4.15. Overigens merkt de rechtbank op dat, ook al zou [eiser] (in beperkte mate) harder hebben gereden dan ter plaatse toegestaan, dit in verhouding tot de door [A] gemaakte verkeersfout in het niet valt en niet kan leiden tot het toerekenen van eigen schuld aan [eiser]. Het beroep op eigen schuld van [eiser] wegens te hard rijden wordt derhalve verworpen.

4.16. Het betoog van London dat [eiser] eigen schuld treft omdat hij zijn snelheid niet verder had gematigd zodat [A] zijn inhaalmanoeuvre had kunnen voltooien danwel had kunnen remmen of wegsturen, verwerpt de rechtbank om dezelfde reden. [eiser] heeft daarnaast zelf verklaard [A] gezien te hebben achter een groep fietsers. Uitgaande van de juistheid daarvan heeft [A] [eiser] ook kunnen zien en kan niet ingezien worden waarom [eiser] zou hebben moeten anticiperen op een ernstige verkeersfout van [A].

4.17. Daarmee staat de volledige aansprakelijkheid van London vast voor het ongeval van 3 februari 2004. De rechtbank zal dit voor recht verklaren en tussentijds hoger beroep van dit vonnis toestaan.

4.18. Voor het geval London berust in dit vonnis, geeft de rechtbank partijen in overweging, mede met het oog op hetgeen hierna in reconventie zal worden beslist, met elkaar in overleg te treden over de (verdere) regeling van de schade van [eiser]. In geval van berusting door London dienen Amlin en London onderling vast te stellen wie van hen de schaderegeling verder ter hand neemt omdat in die situatie de Bedrijfsregeling Schuldloze Derde naar het oordeel van de rechtbank toepasselijk is.

Hoofdelijkheid Amlin en London

4.19. De vordering van [eiser] is gebaseerd op hoofdelijkheid in de zin van artikel 6:99 BW. Hij beroept zich in dit kader - onder meer – op een arrest van de Hoge Raad van 7 december 2001, NJ 2002, 576, en verbindt daaraan de conclusie dat Amlin, nog ongeacht of London aansprakelijk is te achten voor het tweede ongeval, aansprakelijk is voor de volledige schade. Deze redenering verwerpt de rechtbank. In deze zaak kan goed onderscheiden worden - in hoofdlijnen en met de hierna bij de beoordeling in reconventie aan te brengen nuanceringen - tussen de schade die uitsluitend door het eerste ongeval is veroorzaakt en de schade die uitsluitend als gevolg van het tweede ongeval kan worden aangemerkt. Er is in deze zaak ook geen sprake van dat als het tweede ongeval wordt weggedacht, het eerste ongeval de gehele schade kan hebben veroorzaakt. In algemene zin vloeit dat al voort uit het onder 2.5 genoemde expertiserapport van Kleipool en de daarin vervatte conclusies. Als deze rapportage als uitgangspunt genomen zou moeten worden, dan is er geen blijvende invaliditeit toe te rekenen aan het eerste ongeval en moet de vastgestelde, aanzienlijke, blijvende invaliditeit aan het tweede ongeval toegerekend worden. Daarbij is het ook zo dat de beperkingen die voor [eiser] uit het tweede ongeval voortvloeien in ieder geval niet veroorzaakt kunnen zijn door het eerste ongeval, waarbij de rechtbank met name doelt op de gevolgen van het (zenuw- en spier)letsel aan de linkerarm van [eiser].

4.20. Onderscheiden kan - en moet daarom - worden tussen drie soorten schade. Ten eerste de schade die uitsluitend door het eerste ongeval veroorzaakt is, ten tweede de schade die uitsluitend door het tweede ongeval veroorzaakt is en ten derde de schade waarvan niet, althans niet zonder meer, vastgesteld kan worden in welke mate die door welk ongeval is veroorzaakt of waarvan duidelijk is dat het mengschade betreft. Op dit onderdeel sluit de rechtbank zich aan bij de stellingen die London bij conclusie van antwoord hierover heeft aangedragen. De vordering tot hoofdelijke veroordeling van Amlin en London voor de gehele door [eiser] geleden schade zal derhalve bij eindvonnis worden afgewezen.

4.21. Met het oog op het hiervoor overwogene over de aansprakelijkheid van London ten opzichte van [eiser] en het ontbreken van hoofdelijkheid tussen Amlin en London voor een, naar het zich laat aanzien, groot gedeelte van de schade, zal de rechtbank iedere verdere beslissing aanhouden, ook die ten aanzien van de proceskosten, en de zaak verwijzen naar de rol voor uitlating voortprocederen. Indien partijen er onderling niet uitkomen lijkt het aangewezen om opnieuw een comparitie te bepalen. Partijen zullen zich dan van te voren moeten uitlaten over de dan nog resterende geschilpunten.

in reconventie

4.22. De primaire vordering van Amlin tot het uitspreken van een verklaring voor recht dat zij aan [eiser] door betaling van € 10.573,11 alle schade heeft vergoed die toe te rekenen is aan het eerste ongeval en waarvoor zij aansprakelijk is, wijst de rechtbank af op grond van het navolgende.

4.23. Het standpunt van Amlin dat de gevolgen van het eerste ongeval los staan van de gevolgen van het tweede ongeval, miskent dat ten aanzien van ten minste twee schadeposten sprake is, althans kan zijn, van mengschade. De eerste post betreft het smartengeld. Vast staat dat [eiser] nog volop aan het revalideren was van het eerste ongeval toen het tweede ongeval plaatsvond en daarnaast staat vast dat osteo-synthetisch materiaal in het rechterbeen van [eiser] verwijderd is in 2005, dat wil zeggen ruim na het tweede ongeval. Van een medische eindtoestand was nog geen sprake toen het tweede ongeval plaatsvond en bovendien valt niet uit te sluiten dat de vordering wegens smartengeld uit hoofde van het eerste ongeval anders bezien moet worden, gelet op de gevolgen van het tweede ongeval, dan als er geen tweede ongeval zou hebben plaatsgevonden. Het smartengeld van [eiser] dient, mede gelet op het in conventie gegeven oordeel over de aansprakelijkheid van London, op basis van het totale letsel van [eiser] te worden vastgesteld en ten aanzien van deze schadepost, althans in ieder geval het gedeelte waarover de gevolgen van de twee ongevallen deze schadepost tegelijkertijd hebben beïnvloed, zijn zowel Amlin als London hoofdelijk aansprakelijk.

4.24. Tot een vergelijkbaar oordeel komt de rechtbank ten aanzien van de schade wegens studievertraging. Naar het voorlopig oordeel van de rechtbank staat voldoende vast dat [eiser] als gevolg van het eerste ongeval geen stage kon lopen in het studiejaar 2003/2004 en daarom aanspraak kan maken op schadevergoeding wegens studievertraging. Dat [eiser] als het eerste ongeval niet had plaatsgevonden, uitsluitend als gevolg van het tweede ongeval, ook geen stage zou hebben kunnen lopen brengt daar geen verandering in. Dat regardeert de onderlinge draagplicht van Amlin en London, mede omdat de vordering van [eiser] zich na eisvermeerdering ook uitstrekt over studievertraging die opgelopen zou zijn in het studiejaar 2004/2005. In ieder geval dient de primaire vordering te worden afgewezen op grond van het hiervoor overwogene.

4.25. De subsidiaire vordering, het in goede justitie bepalen door de rechtbank van het bedrag waarvoor Amlin jegens [eiser] aansprakelijk is te achten, kan op grond van het hiervoor overwogene over de primaire vordering niet toegewezen worden en moet ook afgewezen worden, omdat daarmee een oordeel wordt gevraagd over de verhouding waarin Amlin en London dienen bij te dragen aan de schadevergoeding voor [eiser]. Een dergelijke vordering kan niet in een geding tussen [eiser] en Amlin aan de orde komen maar dient tussen Amlin en London beslecht te worden.

4.26. Amlin zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- salaris advocaat € 226,00 (1,0 punt × factor 0,5 × tarief € 452,00)

Totaal € 226,00

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. verklaart voor recht dat London aansprakelijk is voor de schade die [eiser] heeft geleden als gevolg van het ongeval op 3 februari 2004,

5.2. bepaalt dat van dit vonnis hoger beroep kan worden ingesteld voordat het eindvonnis is gewezen,

5.3. houdt iedere verdere beslissing aan,

5.4. verwijst de zaak naar de rol van 11 augustus 2010 voor uitlating voortprocederen.

in reconventie

5.5. wijst de vorderingen af,

5.6. veroordeelt Amlin in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 226,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. D. Wachter, mr. P. Dondorp en mr. M.E. Heinemann en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2010.