Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BM8961

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
19-05-2010
Datum publicatie
24-06-2010
Zaaknummer
264658 / HA ZA 09-729
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schending relatie-/exclusiviteitsbeding gelet op uitleg term opdrachtgever, aanleiding tot matiging van de verschuldigde boete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2010/319
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 264658 / HA ZA 09-729

Vonnis van 19 mei 2010

in de zaak van

de vennootschap onder firma

[eiseres] V.O.F.,

gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats],

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat: mr. drs. D.G. Schouwman,

tegen

[gedaagde],

h.o.d.n. [gedaagde],

wonende en kantoorhoudende te [vestigingsplaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat: mr. J. Brouwer.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

• het tussenvonnis van 29 april 2009;

• het proces-verbaal van comparitie van 20 augustus 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiseres] houdt zich onder meer bezig met bemiddeling, werving en selectie van (tijdelijk) managementondersteunend personeel voor diensten van de rijksoverheid.

De heer [A] en mevrouw [B] (hierna: [B]) zijn vennoten.

2.2. [gedaagde] laat zich onder meer op tijdelijke basis inhuren als secretaresse / managementassistente.

2.3. Op 28 februari 2007 hebben partijen een schriftelijke overeenkomst gesloten betreffende de inzet van [gedaagde] voor 32 uur per week als ”interim secretaresse voor het Programma Wenkend Perspectief en het ROS-team ten behoeve van Vts Politie Nederland (hierna: vtsPN), onderdeel ISC te Odijk” met ingang van 1 maart 2007 (hierna: de overeenkomst van 28 februari 2007). Als vermoedelijke duur van de opdracht is opgenomen: ”tot 1 januari 2008, met een optie op verlenging”.

2.4. In de overeenkomst van 28 februari 2007, waarin vtsPN, onderdeel ISC is aangeduid als opdrachtgever en [gedaagde] als opdrachtnemer, is voorts onder meer het volgende opgenomen:

”(…)

• Deze overeenkomst eindigt van rechtswege zodra de opdracht op verzoek van Opdrachtgever ten einde komt. Daarnaast kan een moment worden overeengekomen met Opdrachtgever waarop de opdracht uiterlijk eindigt.

(…)

• Opdrachtnemer zal binnen een periode van 2 jaar, na het beëindigen van bovenstaande opdracht, niet rechtstreeks of via derden voor Opdrachtgever(s) werken zonder tussenkomst van [X]. Alle opdrachten die direct voortkomen uit de overeengekomen opdracht zullen ingevuld worden door [X].

Bij overtreding van bovengenoemde bepaling, is Opdrachtnemer aan [X] een direct opeisbare boete verschuldigd van € 1.500,- per overtreding te vermeerderen met € 500,- voor elke dag dat de overtreding duurt.

(…)”

2.5. Op 1 maart 2007 heeft [eiseres] met ”Politie Nederland, ICT-Service Centrum Politie, Justitie en Veiligheid” (hierna: ISC) een schriftelijke overeenkomst gesloten, aangeduid als inleenopdracht, betreffende de inzet van [gedaagde] als ”projectsecretaresse programma Wenkend Perspectief bij de vestiging Odijk” met ingang van 1 maart 2007 tot en met

1 januari 2008.

2.6. Op 8 maart 2007 is er een einde gekomen aan de werkzaamheden van [gedaagde] bij ISC, omdat het project waarbij zij was ingezet, is gestaakt.

2.7. Per e-mail van 20 maart 2007 heeft [eiseres] ISC erop gewezen dat de inleenopdracht in principe loopt tot 1 januari 2008. In reactie daarop heeft ISC per e-mail van 21 maart 2007 aan [eiseres] bericht dat getracht wordt [gedaagde] in te zetten bij het Nederlands Politie Instituut (hierna: NPI) te De Bilt.

2.8. Met ingang van 23 maart 2007 heeft [gedaagde] werkzaamheden verricht als interim secretaresse bij NPI.

2.9. Op 25 juni 2007 heeft [eiseres] met ”Vts Politie Nederland/NPI” te De Bilt, aangeduid als opdrachtgever, een overeenkomst gesloten betreffende de inzet van [gedaagde], aangeduid als opdrachtnemer, als ”interim secretaresse ten behoeve van de directie en het KBB van het NPI” met ingang van 20 maart 2007. Als vermoedelijk duur van de opdracht is opgenomen: ”tot 1 september 2007, met een optie op verlenging”.

2.10. Per e-mail van 28 april 2008 heeft [gedaagde] aan [eiseres] onder meer bericht:

”Ik ben benaderd met het verzoek om een andere opdracht in te vullen binnen de vtsPN. M.i.v. 1 juni a.s. voor 2 dagen per week en na de vakantie voor 4 dagen per week (start 18 augustus) met einddatum 31 december 2008.

(…)

Binnenkort volgt een gesprek en weet ik meer. Ik zal dan wel vermelden dat contracten en tarieven via [eiseres] verlopen J.

Momenteel zit ik al bijna 1 1/2 jaar bij de vtsPN en ben ik niet in de gelegenheid geweest om mijn tarief (tussentijds) aan te passen. Dat wil ik nu graag wel doen, mocht deze opdracht doorgaan. M.i.v. 1 juni a.s. zal het tarief voor deze nieuwe opdracht EUR 48,00 per uur zijn, inclusief reiskosten, exclusief BTW. Voor de huidige opdracht binnen VG-Land blijft het tarief ongewijzigd.

Graag wil ik met jou overleggen hoe we deze verhoging richting vtsPN gaan communiceren.

(…)”

2.11. Vanaf half oktober 2008 heeft [gedaagde] werkzaamheden verricht als interim secretaresse bij vtsPN, afdeling VG-Land te Driebergen.

2.12. Begin december 2008 heeft [gedaagde] aan [eiseres] bericht dat het inhuren door vtsPN van externen, zoals [gedaagde], vanwege aanbestedingsregels per 1 januari 2009 alleen nog via mantelpartijen kan plaatsvinden.

2.13. Per e-mail van 17 december 2008 heeft [eiseres] aan [gedaagde] bericht dat indien [eiseres] de administratiekosten van een mantelpartij moet betalen, er weinig overblijft van haar bemiddelingsfee en zij genoodzaakt is de inzet van [gedaagde] bij vtsPN te beëindigen.

[eiseres] heeft vervolgens voorgesteld dat [gedaagde] haar tarief met deze kosten verlaagt of afstemt dat deze kosten worden doorbelast aan vtsPN.

2.14. Per e-mail van 17 december 2008 heeft [gedaagde] in reactie daarop aan [eiseres] bericht dat zij het jammer vindt dat [eiseres] haar inzet bij vtsPN beëindigt, dat zij niet bereid is de kosten van de mantelpartij voor haar rekening te nemen en dat zij het betreurt dat de relatie tussen haar en [eiseres] zo moet eindigen.

2.15. Bij brief van 20 december 2008 heeft [eiseres] aan [gedaagde] bericht dat haar inzet bij vtsPN kan worden voortgezet, omdat [eiseres] de facturatie voortaan via een mantelpartij zal laten verlopen. [eiseres] heeft daarbij aangegeven dat [gedaagde] hier qua facturatie en betaling niets van zal merken en dat de overeengekomen contractuele afspraken tussen [eiseres] en [gedaagde] onveranderd van kracht blijven.

2.16. [gedaagde] heeft op 31 december 2008 aan [eiseres] een factuur verzonden van

EUR 5.944,65, inclusief reiskosten en BTW, betreffende haar werkzaamheden over december 2008.

2.17. Met ingang van 1 januari 2009 heeft [gedaagde] haar werkzaamheden bij vtsPN, afdeling VG-Land zonder tussenkomst van [eiseres] via mantelpartij Bariton voortgezet.

2.18. Bij brief van 22 januari 2009 heeft mr. D.G. Schouwman namens [eiseres] [gedaagde] gesommeerd tot nakoming van de overeenkomst en (subsidiair) aanspraak gemaakt op de overeengekomen boete alsmede ter zake van de factuur van [gedaagde] van 31 december 2008 een beroep gedaan op verrekening met hetgeen [gedaagde] aan [eiseres] verschuldigd is.

3. Het geschil

in conventie

3.1. [eiseres] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

I voor recht verklaart dat de overeenkomst van 28 februari 2007 tussen [eiseres] en [gedaagde] is voortgezet, althans dat de afspraken neergelegd in deze overeenkomst ook van de daarop volgende mondelinge overeenkomsten deel hebben uitgemaakt;

II [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de overeengekomen boete van EUR 1.500,00, te vermeerderen met EUR 500,00 per dag voor elke dag dat [gedaagde] het overeengekomen relatiebeding heeft overtreden c.q. overtreedt, welk bedrag [eiseres] tot aan de datum van het opstellen van deze dagvaarding begroot op EUR 20.000,00;

Subsidiair:

I [gedaagde] veroordeelt om aan [eiseres] te voldoen een bedrag van EUR 5,55 (exclusief BTW) per uur voor elk uur dat [gedaagde] op basis van een overeenkomst van opdracht met vtsPN werkzaamheden verricht, te betalen uiterlijk binnen tien dagen na afloop van elke maand, in eerste instantie door middel van verrekening met het onder punt 12 van de dagvaarding genoemde bedrag, zijnde EUR 4.995,50 (exclusief BTW);

II [gedaagde] veroordeelt om aan [eiseres] te overleggen de door vtsPN afgetekende urenstaten en afschriften van de door [gedaagde] aan vtsPN dan wel aan een derde gezonden facturen met betrekking tot haar werkzaamheden bij vtsPN, een en ander uiterlijk binnen tien dagen na afloop van elke maand, onder verbeurte van een dwangsom van EUR 100,00 per dag voor iedere dag dat [gedaagde] in gebreke blijft hieraan te voldoen;

Primair en subsidiair:

I althans te beslissen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.

3.2. [gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] in haar vorderingen, althans tot afwijzing daarvan. [gedaagde] vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [eiseres] te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4. [gedaagde] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [eiseres] veroordeelt tot betaling tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [gedaagde] van een bedrag van EUR 10.890,70, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a van het Burgerlijk Wetboek (BW), althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.

3.5. [eiseres] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde] in haar vordering, althans tot afwijzing daarvan. [eiseres] vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1. Gelet op de samenhang tussen de vorderingen en verweren in conventie en reconventie worden deze gezamenlijk behandeld.

Voortzetting van de overeenkomst van 28 februari 2007?

4.2. [eiseres] heeft aan haar vorderingen de overeenkomst van 28 februari 2007 ten grondslag gelegd. Tussen partijen is niet in geschil dat zij die overeenkomst destijds hebben gesloten. [gedaagde] heeft zich echter op het standpunt gesteld dat deze overeenkomst van rechtswege ten einde is gekomen, doordat opdrachtgever ISC de opdracht binnen één week heeft beëindigd. Volgens [gedaagde] is zij daarna zelf op zoek gegaan naar andere werkzaamheden. Zij heeft toen de opdracht bij het NPI verworven en deze bij [eiseres] aangebracht, uitsluitend om de facturatie via [eiseres] te laten verlopen. Partijen hebben in dat verband geen nadere (mondelinge) afspraken gemaakt, aldus [gedaagde].

4.3. [eiseres] heeft deze stellingen van [gedaagde] gemotiveerd betwist, stellende dat partijen na het door ISC staken van het project waarbij [gedaagde] was ingezet, de overeenkomst van 28 februari 2007 onder dezelfde voorwaarden hebben voortgezet. Zij heeft daartoe, onder verwijzing naar de door haar overgelegde producties, aangevoerd dat zij zowel met [gedaagde] als met mevrouw [C], werkzaam bij opdrachtgever vtsPN (hierna: [C]), mondeling is overeengekomen dat de opdracht door het staken van het project niet ten einde zou komen, maar dat door [C] zo snel mogelijk naar een alternatieve invulling van de opdracht zou worden gezocht. Dit heeft geresulteerd in de inzet van [gedaagde] per 20 maart 2007 bij een ander project binnen vtsPN, te weten als interim secretaresse bij het NPI. Volgens [eiseres] zijn partijen mondeling overeengekomen dat de overeenkomst van

28 februari 2007 met ingang van 20 maart 2007 ongewijzigd tussen hen is voortgezet.

De alternatieve inzet van [gedaagde] is tussen [eiseres] en het NPI later nog schriftelijk bevestigd bij overeenkomst van 25 juni 2007. [eiseres] heeft naar haar zeggen met [gedaagde] geen nieuwe schriftelijke overeenkomst gesloten.

4.4. Ter beoordeling ligt allereerst voor of de overeenkomst van 28 februari 2007 al dan niet van rechtswege ten einde is gekomen. In de overeenkomst is bepaald dat deze van rechtswege eindigt, zodra de opdracht op verzoek van ”Opdrachtgever” ten einde komt.

Van belang is hoe de term opdrachtgever in dit verband moet worden uitgelegd. [gedaagde] is van mening dat daaronder uitsluitend ISC moet worden verstaan. Volgens [gedaagde] was ISC ten tijde van de aanvang van de werkzaamheden van [gedaagde] aldaar een zelfstandige rechtspersoon en dient ISC evenals NPI en VG-Land binnen het huidige samenwerkingsverband vtsPN ook als zelfstandige onderdeel te worden beschouwd. [gedaagde] heeft ter onderbouwing daarvan ook gewezen op de omstandigheid dat [eiseres] op 25 juni 2007 een aparte overeenkomst met NPI is aangegaan (zie nummer 2.9.). [eiseres] daarentegen is van mening dat onder de term opdrachtgever vtsPN als geheel moet worden verstaan. [eiseres] heeft verder naar voren gebracht dat de overeenkomst van 25 juni 2007 op verzoek van NPI uitsluitend om administratieve redenen is opgesteld.

4.5. Bij de uitleg van de term opdrachtgever komt het aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs daaraan mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. In de overeenkomst van 28 februari 2007 is opgenomen dat deze betrekking heeft op de inzet van [gedaagde] ten behoeve van “vtsPN, onderdeel ISC”. In de overeenkomst van 25 juni 2007 tussen [eiseres] en het NPI is bij opdrachtgever “Vts Politie Nederland/NPI” opgenomen. Uit het als productie 12 bij dagvaarding overgelegde e-mailbericht van 28 april 2008 van [gedaagde] aan [B] blijkt echter dat [gedaagde], die op dat moment werkzaamheden verrichtte bij VG-Land, zelf spreekt over het mogelijk vervullen van een andere opdracht binnen vtsPN met ingang van 1 juni 2008 tot 31 december 2008, over het feit dat zij in totaal al bijna anderhalf jaar werkzaam is bij vtsPN en over het willen doorvoeren van een tariefsverhoging richting vtsPN. Ook uit de als producties 14 en 15 bij dagvaarding overgelegde e-mailwisseling van 17 december 2008 blijkt dat [gedaagde] alsmede [B] spreken over (de beëindiging van) de al jaren via [eiseres] lopende inzet van [gedaagde] bij vtsPN. Een en ander volgt eveneens uit hun verklaringen ter comparitie. Hieruit leidt de rechtbank af dat beide partijen ISC, NPI en

VG-Land niet als zelfstandige onderdelen hebben gezien, maar als onderdelen behorend tot vtsPN. Zij zijn er steeds vanuit gegaan dat [gedaagde] al haar werkzaamheden in 2007 en 2008 ten behoeve van vtsPN heeft verricht. Beide partijen hebben dus kennelijk begrepen en bedoeld dat de term opdrachtgever niet alleen ziet op ISC, maar op alle tot vtsPN behorende onderdelen.

4.6. Uit het voorgaande volgt dat het staken door ISC van het project waarbij [gedaagde] was ingezet, niet per definitie met zich brengt dat er sprake is van beëindiging van de opdracht door opdrachtgever vtsPN en daarmee van het van rechtswege eindigen van de overeenkomst van 28 februari 2007. Daarbij heeft [eiseres] in dit kader aangevoerd dat er door vtsPN naar een alternatieve invulling van de opdracht is gezocht en dat deze ook is gevonden. Dit standpunt vindt steun in de overgelegde stukken. Uit de als productie 8 bij dagvaarding overgelegde e-mailwisseling tussen [B] en [C] van 20 en

21 maart 2007 blijkt namelijk dat [B] erop heeft gewezen dat de inleenopdracht in principe loopt tot 1 januari 2008 alsmede van de inspanningen van [C] om [gedaagde] bij het NPI dan wel elders binnen vtsPN te plaatsen. Zoals hiervoor onder nummer 4.5. reeds is vermeld, blijkt uit de overgelegde e-mailcorrespondentie tussen [B] en [gedaagde] en uit hun verklaringen ter comparitie dat [gedaagde] vanaf 2007 gedurende bijna twee jaar werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van vtsPN, waarbij de contracten en tarieven steeds via [eiseres] verliepen. Voorts blijkt uit de als productie 11 bij dagvaarding overgelegde facturen over 2007 en 2008 dat [gedaagde] in die periode aan [eiseres] heeft gefactureerd voor door haar verrichte werkzaamheden bij ISC, NPI en VG-Land, locatie Driebergen, en dat [eiseres] ter zake aan vtsPN/ISC, vtsPN/VG-Land, vtsPN/NPI en vtsPN heeft gefactureerd. Daarbij heeft [gedaagde] ter comparitie erkend dat [B] en [C] tegen haar hebben gezegd dat zij er alles aan zouden doen om iets te vinden en dat [C] aan haar heeft voorgesteld om bij het NPI te gaan praten. [gedaagde] heeft tevens verklaard dat zij er na aanvaarding van de opdracht bij het NPI zelf voor heeft gekozen deze opdracht via [eiseres] te laten verlopen. Volgens [gedaagde] is er tussen haar en [B] toen niet over voorwaarden gesproken. In het licht van voorgaande omstandigheden heeft [gedaagde] haar stelling dat vtsPN de opdracht op 8 maart 2007 heeft beëindigd en dat zij zelf de opdracht bij NPI heeft verworven, onvoldoende onderbouwd. [gedaagde] zal daarom niet tot bewijslevering worden toegelaten. Het verweer van [gedaagde] slaagt dan ook niet.

4.7. Uit het voorgaande volgt dat niet is komen vast te staan dat de overeenkomst van 28 februari 2007 van rechtswege ten einde is gekomen, zoals door [gedaagde] is gesteld.

De rechtbank zal de gevorderde verklaring van recht inhoudende dat de overeenkomst van 28 februari 2007 tussen [eiseres] en [gedaagde] is voortgezet, dan ook toewijzen.

Boete verschuldigd?

4.8. Ter beoordeling ligt thans voor of er sprake is van schending door [gedaagde] van het in de overeenkomst van 28 februari 2007 opgenomen beding inhoudende dat opdrachtnemer niet binnen een periode van twee jaar na het beëindigen van de opdracht rechtstreeks of via derden voor ”Opdrachtgever(s)” zal werken zonder tussenkomst van [eiseres], welk beding door [eiseres] en [gedaagde] wordt aangeduid als relatie- respectievelijk exclusiviteitsbeding.

4.9. [eiseres] heeft zich op het standpunt gesteld dat [gedaagde] in strijd heeft gehandeld met het beding, nu zij haar werkzaamheden bij vtsPN met ingang van 1 januari 2009, dus direct na het eindigen van de opdracht per 31 december 2008, zonder tussenkomst van [eiseres] heeft voortgezet.

4.10. [gedaagde] heeft de stellingen van [eiseres] gemotiveerd bestreden, stellende dat alle werkzaamheden die [gedaagde] na 8 maart 2007 heeft verricht niet vallen onder de bepalingen van de overeenkomst van 28 februari 2007. Zij heeft daartoe onder meer betoogd dat het beding uitsluitend ziet op opdrachtgever ISC en dat ISC de opdracht binnen één week heeft beëindigd, zodat de overeenkomst van 28 februari 2007 toen van rechtswege is geëindigd. [gedaagde] is van mening dat er gezien die onvoorziene omstandigheid voldoende grond is om de gevolgen van de overeenkomst op de door haar voorgestane wijze ex artikel 6:258 BW te wijzigen. [gedaagde] heeft voorts aangevoerd dat partijen nadien geen nieuw exclusiviteitsbeding zijn overeengekomen.

4.11. Gelet op hetgeen hiervoor onder nummers 4.5. tot en met 4.7. is overwogen, volgt de rechtbank [gedaagde] niet in haar betoog dat onder de term ”Opdrachtgever(s)” uitsluitend ISC moet worden verstaan en dat de overeenkomst van 28 februari 2007 door het staken van het project door ISC is geëindigd. Het verweer van [gedaagde] faalt derhalve.

4.12. Tussen partijen staat vast dat de inzet van [gedaagde] via [eiseres] bij VG-Land (onderdeel van vtsPN) op 31 december 2008 is geëindigd. De rechtbank is met [eiseres] van oordeel dat het [gedaagde] ingevolge het beding derhalve vanaf 1 januari 2009 gedurende een periode van twee jaar niet is toegestaan zonder tussenkomst van [eiseres] rechtstreeks of via derden voor vtsPN te werken. Ter comparitie heeft [gedaagde] verklaard dat zij in de periode van 1 januari 2009 tot 30 juni 2009 zonder tussenkomst van [eiseres] werkzaamheden heeft verricht voor VG-land. De rechtbank concludeert dat [gedaagde] aldus in strijd heeft gehandeld met het beding.

Matiging boete?

4.13. In de overeenkomst van 28 februari 2007 is opgenomen dat [gedaagde] bij overtreding van het beding aan [eiseres] een direct opeisbare boete verschuldigd is van

EUR 1.500,00 per overtreding, te vermeerderen met EUR 500,00 voor elke dag dat de overtreding duurt. [eiseres] heeft primair gevorderd dat de rechtbank [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de overeengekomen boete.

4.14. [gedaagde] heeft een beroep gedaan op matiging van de boete, stellende dat het geldelijk belang van [eiseres] bij handhaving van het beding in geen verhouding staat tot het gevorderde boetebedrag. [gedaagde] heeft daartoe aangevoerd dat zij haar werkzaamheden heeft verricht tegen een uurtarief van EUR 48,50 (inclusief reiskosten) en dat het belang van [eiseres] EUR 4,55 per uur bedroeg. [gedaagde] verzoekt de rechtbank dan ook het totale boetebedrag proportioneel te bepalen en daaraan een plafond te verbinden.

4.15. Ingevolge het bepaalde in artikel 6:94 lid 1 BW is matiging van een tussen partijen bedongen boete alleen mogelijk indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. De rechter dient zijn bevoegdheid tot matiging terughoudend te hanteren. Dit brengt met zich dat de rechter pas van zijn bevoegdheid gebruik mag maken als toepassing van het boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarmee onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarbij moet niet alleen worden gelet op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

4.16. De overeenkomst van 28 februari 2007 ziet op de inzet van [gedaagde] als interim secretaresse bij een opdrachtgever door tussenkomst van [eiseres] en het beding betreft een relatie-/exclusiviteitsbeding. Uit de aard van de overeenkomst en het beding volgt dat de strekking daarvan is te voorkomen dat een via [eiseres] ingezette interim medewerker binnen een periode van twee jaar wederom voor dezelfde opdrachtgever gaat werken zonder dat [eiseres] daar een vergoeding voor ontvangt. Juist dit ongewenste resultaat heeft zich in deze voorgedaan doordat [gedaagde] met ingang van 1 januari 2009 haar werkzaamheden bij vtsPN zonder tussenkomst van [eiseres] heeft voortgezet. Met betrekking tot de omstandigheden waaronder het beding is ingeroepen blijkt uit de e-mailwisseling van 17 december 2008 tussen [eiseres] en [gedaagde] en de door partijen ter comparitie gegeven toelichting daarop dat [eiseres] heeft getracht de inzet van [gedaagde] bij vtsPN via [eiseres] ook na 1 januari 2009 voort te zetten, door aan [gedaagde] voor te stellen een mantelpartij in te schakelen. Daarbij heeft [eiseres] [gedaagde] gewezen op het overeengekomen beding en de consequentie daarvan in de gegeven situatie. [gedaagde] is niet op dit voorstel ingegaan. Uit de als productie 16 bij dagvaarding overgelegde correspondentie blijkt dat [eiseres] in de dagen daarna aan [gedaagde] en aan vtsPN heeft laten weten dat de inzet van [gedaagde] bij vtsPN via [eiseres] voortgezet kon worden door dit voortaan via een mantelpartij te laten verlopen. Daarbij heeft [eiseres] aan [gedaagde] aangegeven dat zij daar qua facturatie en betaling niets van zal merken en dat de overeengekomen contractuele afspraken tussen haar en [eiseres] onveranderd van kracht blijven. [eiseres] heeft bovendien bij brief van haar advocaat van 22 januari 2009 [gedaagde] gesommeerd tot nakoming van de overeenkomst en (subsidiair) aanspraak gemaakt op de overeengekomen boete. Desondanks heeft [gedaagde] haar werkzaamheden bij vtsPN nadien zonder tussenkomst van [eiseres] voortgezet.

4.17. Hier staat evenwel tegenover dat [gedaagde] ter comparitie heeft verklaard dat de heer [A] tegen haar heeft gezegd dat hij niet van plan was via een mantelpartij te gaan werken, waarop [gedaagde] aan hem heeft aangegeven dat zij haar inzet via [eiseres] wilde voortzetten. [gedaagde] heeft naar haar zeggen het e-mailbericht van [eiseres] van 18 december 2008 vervolgens aldus begrepen dat [eiseres] haar inzet bij vtsPN beëindigde en niet meer met haar wilde samenwerken. [gedaagde] heeft bovendien ter comparitie verklaard dat zij in een gesprek op 15 januari 2009 tegen [B] heeft gezegd dat zij haar werkzaamheden tot 1 maart 2009 via Bariton zou verrichten en dat zij aan haar heeft voorgesteld om in het geval de opdracht zou worden voortgezet, na 1 maart 2009 samen verder te gaan via de mantelpartij. Volgens [gedaagde] zou [B] over dit voorstel nadenken. Zijdens [eiseres] is dit niet gemotiveerd weersproken. Hieruit volgt dat (ook) [gedaagde] meerdere malen aan [eiseres] heeft aangegeven dat zij na 1 januari 2009 haar inzet bij vtsPN met tussenkomst van [eiseres] via een mantelpartij wilde laten verlopen. Uit deze omstandigheden leidt de rechtbank af dat het grotendeels aan misverstanden in de communicatie tussen partijen te wijten is dat dit uiteindelijk niet is gebeurd.

4.18. [eiseres] heeft geen uitlatingen gedaan over haar werkelijke schade. [eiseres] heeft zich op het standpunt gesteld dat zij recht heeft op een bedrag van EUR 5,55 (exclusief BTW) per uur voor elk uur dat [gedaagde] in strijd met het beding werkzaamheden verricht voor vtsPN. Indien de rechtbank veronderstellenderwijs uitgaat van de juistheid van dit bedrag in plaats van het door [gedaagde] gestelde bedrag van EUR 4,55 (exclusief BTW) per uur dan kan de ten hoogste door [eiseres] geleden schade als volgt worden geschat. [gedaagde] heeft onweersproken gesteld dat zij vanaf 1 januari 2009 tot 30 juni 2009 werkzaamheden heeft verricht bij VG-Land, met uitzondering van week 5 en 6 en de helft van week 7. Het gaat derhalve om circa 22,5 weken x 32 uur per week x EUR 5,55 per uur, hetgeen neerkomt op een bedrag van EUR 4.000,00. De boete daarentegen komt neer op EUR 1.500,00, vermeerderd met 22,5 weken x 4 dagen per week x EUR 500,00 per dag, en bedraagt daarmee in totaal ongeveer EUR 46.500,00.

4.19. Gezien voornoemde omstandigheden, tezamen en in onderlinge samenhang bezien, ziet de rechtbank aanleiding om de overeengekomen boete te matigen tot een bedrag van in totaal EUR 10.000,00. De gevorderde boete komt in beginsel tot dat bedrag voor toewijzing in aanmerking.

4.20. De rechtbank komt niet toe aan beoordeling van het door [eiseres] subsidiair gevorderde.

De vorderingen van [gedaagde]

4.21. [gedaagde] heeft onder meer gevorderd dat de rechtbank [eiseres] veroordeelt tot betaling van de factuur van [gedaagde] over december 2008 ad EUR 5.944,65. [eiseres] heeft de verschuldigdheid van dit bedrag niet betwist. Zij heeft echter aangevoerd dat zij dit bedrag reeds heeft voldaan op 22 januari 2009 door middel van verrekening met hetgeen [gedaagde] aan haar verschuldigd is (zie nummer 2.18.). Dit heeft [gedaagde] niet betwist, zodat de rechtbank daarvan uitgaat. Gelet hierop dient de vordering van [gedaagde] op dit punt afgewezen te worden. De gevorderde incassokosten dienen eveneens afgewezen te worden. Uit het vorenstaande volgt dat de door [eiseres] gevorderde boete slechts toewijsbaar is voor zover dit het bedrag van de factuur te boven gaat.

4.22. [gedaagde] heeft voorts gevorderd dat de rechtbank [eiseres] veroordeelt tot betaling van schadevergoeding, te weten een bedrag van EUR 2.500,00 voor geleden omzetverlies en een bedrag van EUR 2.402,02 voor gemaakte kosten voor juridische bijstand. [gedaagde] heeft aangevoerd dat zij zich als gevolg van de sommatie van [eiseres] bij brief van haar advocaat van 22 januari 2009 genoodzaakt heeft gezien haar werkzaamheden gedurende tweeënhalve week te staken en juridische bijstand in te roepen. [gedaagde] is van mening dat de sommatie onrechtmatig is jegens haar, zodat [eiseres] gehouden is de dientengevolge door haar geleden schade te vergoeden. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank het gevorderde afwijzen. De rechtbank heeft hiervoor onder nummer 4.12. onder meer geconcludeerd dat [gedaagde] in de periode 1 januari 2009 tot 30 juni 2009 in strijd heeft gehandeld met het in de overeenkomst van 28 februari 2007 opgenomen relatie- / exclusiviteitsbeding. Hieruit volgt reeds dat de betreffende sommatie zijdens [eiseres] niet onrechtmatig is.

Slotsom en kosten

4.23. Na matiging van de door [eiseres] gevorderde boete tot een bedrag van in totaal

EUR 10.000,00 en na aftrek van het bedrag van de factuur van [gedaagde] van 31 januari 2008 ad EUR 5.944,65 komt het ter zake toewijsbare bedrag op EUR 4.055,35.

4.24. [gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in conventie en reconventie worden veroordeeld.

De kosten aan de zijde van [eiseres] in conventie worden begroot op:

- dagvaarding EUR 85,98

- vast recht 262,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.251,98

De kosten aan de zijde van [eiseres] in reconventie worden begroot op:

- salaris advocaat EUR 452,00 (2,0 punten × factor 0,5 × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 452,00

De totale proceskosten aan de zijde van [eiseres] worden derhalve begroot op EUR 1.703,98.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie

5.1. verklaart voor recht dat de overeenkomst van 28 februari 2007 tussen [eiseres] en [gedaagde] is voortgezet,

5.2. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van EUR 4.055,35 (vierduizend vijfenvijftig euro en vijfendertig eurocent),

5.3. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op EUR 1.703,98,

5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, behoudens ten aanzien van de verklaring van recht,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.H.M. van der Heiden en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2010.

ID