Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BM8880

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
29-03-2010
Datum publicatie
23-06-2010
Zaaknummer
16/601276-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Reeks winkeldiefstallen in vereniging. Betrouwbare herkenning van verdachte en zijn medeverdachten door getuigen, onderbouwd met de camerabeelden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/601276-09, 21/004022-07 (tul) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 29 maart 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1978] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], [woonadres]

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichtingen Utrecht, vestiging Wolvenplein

raadsman mr. M.W.G.J. IJsseldijk, advocaat te Arnhem

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 15 maart 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

tezamen en in vereniging zes winkeldiefstallen heeft gepleegd.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht onvoldoende wettig bewijs aanwezig om tot een bewezenverklaring van het onder 4 ten laste gelegde feit te komen en vordert daarom vrijspraak van dat feit.

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan en baseert zich daarbij op:

feit 1: de verklaring van verdachte, de aangifte, de camerabeelden en de herkenning door verbalisanten;

feit 2: de verklaring van verdachte, de aangifte, de verklaring van getuige [getuige 1], de prints van de camerabeelden en de herkenning door een verbalisant;

feit 3: de verklaring van verdachte, de aangifte, de beelden en de herkenning door verbalisanten;

feit 5: de verklaring van verdachte, de aangifte, de camerabeelden en de herkenning door een verbalisant;

feit 6: de verklaring van verdachte, de aangifte, de verklaring van getuige [getuige 2], de camerabeelden en de herkenning door een verbalisant.

Ten aanzien van al deze feiten is de officier van justitie van mening dat de winkeldiefstallen telkens tezamen en in vereniging met twee medeverdachten zijn gepleegd. Uit de bewijsmiddelen blijkt volgens haar duidelijk de samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten. Dat verdachte en de medeverdachten elkaar kennen blijkt niet alleen uit de verklaring van verdachte dat hij een relatie heeft gehad met medeverdachte [medeverdachte 1], maar ook uit de door de officier van justitie voorafgaand aan de zitting overgelegde verklaringen in een eerdere strafzaak waaruit blijkt dat verdachte [medeverdachte 2] een relatie heeft gehad met de moeder van verdachte [verdachte]. Verdachten kennen elkaar en waren telkens gedrieën in de winkels op de tijdstippen van de ten laste gelegde feiten. Er is telkens gebruik gemaakt van dezelfde modus operandi. Alle aangiften en beelden in onderling verband en samenhang bezien is tevens de rol van verdachte [verdachte] duidelijk. Hij winkelt telkens samen met verdachte [medeverdachte 1] en schaduwt verdachte [medeverdachte 2] als die de winkel verlaat. Dit kan dan ook dienen als schakelbewijs.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de onder 1 tot en met 6 ten laste gelegde feiten en voert daartoe het volgende aan.

Ten aanzien van alle feiten dient telkens te worden vastgesteld of er die dag wat is gestolen in de betreffende winkel; of verdachte die dag in de winkel is geweest; en, zo ja, of hij tezamen en in vereniging een winkeldiefstal heeft gepleegd. Daarvoor moet worden aangetoond dat er telkens sprake was van een gezamenlijke uitvoering of een gezamenlijk plan.

Per feit voert de verdediging het volgende aan:

feit 1: Verdachte heeft bekend dat hij die dag in die winkel was, maar er is onvoldoende bewijs dat hij de diefstal heeft gepleegd. Op de beelden zijn geen wegnemingshandelingen te zien. Met een inventarisatielijst achteraf kan niet een diefstal door verdachte worden bewezen; de goederen kunnen ook door een ander zijn weggenomen.

feit 2: er kan niet worden vastgesteld dat verdachte in de winkel is geweest. De afdrukken van de camerabeelden zijn onduidelijk. Dat verbalisanten verdachte en zijn medeverdachten op de deze prints hebben herkend, zegt dan ook niets. Verder zijn ook hier geen wegnemingshandelingen te zien.

feit 3: Op de beelden is te zien dat verdachte iets stopt in de tas van een man die lijkt op de medeverdachte [medeverdachte 2]. Verdachte heeft verklaard dat hij zijn petje in die tas stopte. Verdachte heeft niet gemerkt dat een persoon, gelijkend op medeverdachte [medeverdachte 1], iets uit verdachte’s mandje heeft gepakt en in de tas heeft gedaan van de man die lijkt op de medeverdachte [medeverdachte 2].

feit 4: Er is onvoldoende wettig bewijs.

feit 5: Verdachte heeft bekend dat hij in de winkel is geweest, maar de bewijsmiddelen geven geen blijk van enige wegnemingshandelinghandeling van de verdachte.

feit 6: Met een inventarisatie achteraf kan niet worden vastgesteld dat verdachte of zijn medeverdachten drie onderbroeken hebben gestolen. Verder zijn er ook hier geen wegnemingshandelingen van verdachte waargenomen.

De verdediging concludeert dan ook dat verdachte dient te worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak.

De rechtbank spreekt de verdachte vrij van de onder 1 en 4 ten laste gelegde feiten.

Ten aanzien van feit 1 overweegt de rechtbank het volgende.

Er is onvoldoende bewijs aanwezig om wettig en overtuigend te kunnen bewijzen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan. Het enkele feit dat verdachte en de medeverdachten op de betreffende datum in de winkel zijn geweest en dat uit de inventarisatielijst achteraf blijkt dat die dag bepaalde goederen zijn weggenomen uit de winkel acht de rechtbank onvoldoende om tot een bewezenverklaring van feit 1 te komen. Immers, niet is uit te sluiten dat enig ander persoon die goederen op die dag heeft gestolen. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de verdachten zich volgens aangeefster weliswaar opvallend gedroegen, maar dat zij niet heeft gezien dat verdachte of zijn medeverdachten goederen uit de winkel hebben weggenomen. De rechtbank heeft ter terechtzitting van 15 maart 2010 op de getoonde camerabeelden geen duidelijke wegnemingshandelingen waargenomen.

Ten aanzien van feit 4 overweegt de rechtbank het volgende.

Nu er van dit feit enkel een aangifte is, is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende wettig bewijs aanwezig is om te kunnen bewijzen dat verdachte dit ten laste gelegde feit heeft begaan.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 2, 3, 5 en 6 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

Ten aanzien van feit 3 overweegt de rechtbank het volgende.

Aangeefster [aangever 1] heeft verklaard dat op 22 augustus 2010 verschillende producten, te weten een hoeveelheid make-up artikelen en een hoeveelheid zonnebrillen, uit de winkel [bedrijf 1] aan de [adres] te Bunnik zijn weggenomen.

Ter terechtzitting van 15 maart 2010 heeft de rechtbank de beelden van de beveiligingscamera’s bekeken. Op de beelden zijn twee mannen te zien in het gangpad met verzorgingsproducten. Een oudere man (met een donkere gestreepte trui) met drie tassen (een donkerkleurige, een oranje en een blauwe) en een jongere man met een winkelmandje. De jongere man pakt iets uit zijn mandje en brengt het in de richting van de tassen van de oudere man. Daarna komt er een vrouw aanlopen met een winkelmandje. Te zien is dat zij meermalen iets uit haar mandje pakt en dat in de richting van de tassen van de oudere man brengt. De oudere man loopt met de tassen de winkel uit. Na enige tijd komt de oudere man de winkel weer binnen. Te zien is dat de vrouw en de jongere man met een gevuld winkelmandje bij de cosmetica-artikelen staan. Kort daarop lopen zij weer naar het eerste gangpad, waar de vrouw iets uit het mandje van de jongere man haalt en dat bij de oudere man in een van zijn tassen stopt. Op dat moment staan zij gedrieën in hetzelfde gangpad. Vervolgens verlaat de oudere man met de tassen weer de winkel. Op dat moment loopt de jongere man met het mandje een stukje mee tot aan de uitgang. Even later komt de man met de tassen voor de derde keer terug in de winkel. De drie personen ontmoeten elkaar weer in het eerste gangpad. De vrouw haalt iets uit het mandje van de jongere man en stopt dat bij de oudere man in een van de tassen. Vervolgens verlaat de oudere man met de tassen opnieuw de winkel. De jongere man en de vrouw staan vlak bij de uitgang en praten met elkaar. De jongere man kijkt de oudere man bij het verlaten van de winkel na. Even later zet de jongere man een leeg winkelmandje terug op de stapel en lopen hij en de vrouw met lege handen de winkel uit.

Naar het oordeel van de rechtbank is uit het voorgaande af te leiden dat de beschreven personen, tezamen en in vereniging artikelen uit de winkel hebben weggenomen.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 15 maart 2010 verklaard dat hij zichzelf op de beelden herkent als zijnde de jongere man. Daarnaast heeft verdachte ter zitting verklaard dat de oudere man medeverdachte [medeverdachte 2] is. Tot slot heeft verdachte tegenover de politie verklaard dat hij de vrouw herkent als [medeverdachte 1]. Ter zitting heeft verdachte op de vraag wie de vrouw op de filmbeelden is geantwoord dat hij uitsluitend voor zichzelf spreekt. De rechtbank zal daarom uitgaan van hetgeen verdachte tegenover de politie heeft verklaard.

Verdachte heeft ter zitting voorts verklaard dat hij een petje stopte in de tas van de hem bekende [medeverdachte 2] en dat hij niet heeft gemerkt dat de vrouw spullen uit zijn mandje haalde. De rechtbank acht deze verklaring volstrekt ongeloofwaardig en gaat daaraan dan ook voorbij.

De rechtbank acht gelet op het bovenstaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan tezamen en in vereniging met de verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2].

Uit het voorgaande leidt de rechtbank de volgende modus operandi af. [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte 1] verzamelen in de winkel producten in hun winkelmandje. Medeverdachte [medeverdachte 2] komt later de winkel binnen met een donkerkleurige boodschappentas en twee plastic tassen (oranje en blauw). Hij pakt geen mandje. Vervolgens worden spullen vanuit de mandjes van [verdachte] en [medeverdachte 1] overgeladen in de tassen van [medeverdachte 2]. Daarna loopt [medeverdachte 2] de winkel uit zonder te betalen, waarbij [verdachte] zijn vertrek in de gaten houdt. Deze handelwijze herhaalt zich enkele malen.

Ten aanzien van feit 5 overweegt de rechtbank het volgende.

Aangeefster [aangever 2] verklaart dat zij op 15 september 2009 drie personen – twee mannen en een vrouw – in de winkel [bedrijf 2] aan het [adres] te Maarsen zag die zij herkende van een eerdere winkeldiefstal. Toen aangeefster in de richting liep van een van de mannen zag zij dat hij in een vaart de winkel uitliep, met achterlating van een volle winkelmand met diverse gezichtscrèmes. Nadat ook de andere twee personen de winkel hadden verlaten, heeft aangeefster de schappen gecontroleerd. Ze stelde vast dat er diverse toiletartikelen waren weggenomen. Vervolgens is aangeefster de beelden van de beveiligingscamera gaan uitkijken en zag zij daarop bovengenoemde drie personen.

Ter terechtzitting van 15 maart 2010 heeft de rechtbank de beelden van de beveiligingscamera bekeken. De rechtbank stelt vast dat een man en een vrouw een mandje pakken en de winkel inlopen. Vervolgens komt een oudere man (met een donkere gestreepte trui) met drie tassen (een donkerkleurige, een oranje en een blauwe) de winkel binnen. De man met de tassen verlaat even later de winkel en wordt tot de uitgang gevolgd door de jongere man met het mandje. Even later komt de oudere man met de tassen weer terug. Hij verlaat na enige tijd opnieuw de winkel. De jongere man met het mandje loopt wederom mee tot aan de uitgang. Enkele minuten later komt de oudere man met de tassen weer de winkel in. Even later loopt hij de winkel weer uit.

De drie personen op de beelden zijn door verbalisant [verbalisant 1] herkend als [verdachte], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1]. [verdachte] is daarnaast ook door verbalisant [verbalisant 2] herkend. Ter terechtzitting van 15 maart 2010 heeft verdachte verklaard dat hij de persoon met het mandje zou kunnen zijn.

De aangifte en de beelden in onderling verband en samenhang bezien met de eerder door de rechtbank vastgestelde modus operandi acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 5 ten laste gelegde feit heeft begaan tezamen en in vereniging met de verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2].

Ten aanzien van feit 6 overweegt de rechtbank het volgende.

Aangeefster [aangever 3] verklaart dat haar op 15 september 2009 drie personen – twee mannen en een vrouw – opvielen in de [bedrijf 3] aan de [adres] te Utrecht. Op een gegeven moment hoorde aangeefster het alarm bij het poortje afgaan (merkartikelen zijn met diefstalbeveiliging gelabeld ). Aangeefster zag dat de oudere man van het drietal op dat moment de winkel verliet. Aangeefster is direct achter deze man aangerend. Aangeefster vroeg de oudere man of ze even in zijn tas mocht kijken. Dat mocht niet. Aangeefster zag dat de jongere man van het drietal bij haar en de oudere man kwam staan. Zij zag dat deze jongere man ging bellen. Hierop is aangeefster terug naar de winkel gerend en heeft zij aan haar collega gevraagd 112 te bellen.

Getuige [getuige 2] zag dat de vrouw van het drietal Björn Borg onderbroeken in haar winkelmandje had gelegd. Hierna zag zij dat de drie personen, de vrouw en die twee mannen, bij elkaar bij de actiebak stonden. Even later hoorde zij het alarm. Uit de voorraadlijst van de winkel blijkt dat er drie Björn Borg onderbroeken (ter waarde van 117 Euro) misten, welke niet waren afgerekend.

Ter terechtzitting van 15 maart 2010 heeft de rechtbank de beelden van de beveiligingscamera bekeken. Op de beelden is te zien dat een man en een vrouw de winkel binnen lopen en dat zij beiden een mandje pakken. Even later komt een oudere man met drie tassen (een donkerkleurige, een oranje en een blauwe) de winkel in, die na enige tijd de winkel weer verlaat met de tassen. Een personeelslid loopt achter de man met de tassen aan. De jongere man met het mandje loopt daar achteraan en blijft bij de deuropening staan. Op een volgend beeld is te zien dat ook de vrouw naar buiten loopt en haar lege mandje terug op de stapel zet.

De jongere man is door verbalisant [verbalisant 2] op deze beelden herkend als de verdachte [verdachte]. Verdachte heeft ter terechtzitting van 15 maart 2010 verklaard dat hij de man met het mandje zou kunnen zijn.

Het voorgaande in onderling verband en nauwe samenhang met de onder feit 3 beschreven modus operandi, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 6 ten laste gelegde feit heeft begaan tezamen en in vereniging met de verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2].

Ten aanzien van feit 2 overweegt de rechtbank het volgende.

Aangeefster [aangever 4] ziet op 24 juli 2009 een oudere man met twee plastic tassen [bedrijf 1] aan het [adres] te Nieuwegein binnenkomen. Op een gegeven moment hoort zij van een collega dat die man de winkel verliet zonder daarbij langs de kassa te lopen.

Getuige [getuige 1] zag dat een man met twee volle plastic tassen naar de uitgang liep zonder de kassa te passeren.

Aangeefster en getuige hebben vervolgens de beelden van de beveiligingscamera bekeken. Op de beelden zien zij dat eerst een man en een vrouw de winkel binnenkomen en daarna de oudere man met de tassen. Zij zien dat de man en de vrouw artikelen in hun mandjes doen. Vervolgens ontmoeten beide personen de oudere man met de tassen. Zij zien op de beelden dat de man en de vrouw de inhoud van hun mandjes in de tassen van de derde man doen. Vervolgens verlaat de man met de tassen de winkel zonder iets af te rekenen. Daarna verlaten ook de vrouw en de andere man de winkel. Deze verklaring wordt ondersteund door de prints van de camerabeelden, waar telkens drie personen op staan: een jongere man, een oudere man en een vrouw.

De jongere man is door verbalisant [verbalisant 2] op deze beelden herkend als de verdachte [verdachte]. Verdachte heeft ter terechtzitting van 15 maart 2010 verklaard dat hij zichzelf niet herkent op de prints. De rechtbank gaat echter af op de herkenning door de verbalisant, gelet op de beelden van alle (hiervoor beschreven) feiten waarbij sprake is van een combinatie van een jongere man met een oudere man en een vrouw met dezelfde modus operandi.

Gelet op het voorgaande in onderling verband en nauwe samenhang met de onder feit 3 beschreven modus operandi, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan tezamen en in vereniging met de verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2].

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

2.

op 24 juli 2009 te Nieuwegein ([adres]) tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen verzorgingsproducten geheel toebehorende aan winkelbedrijf [bedrijf 1];

3.

op 22 augustus 2009 te Bunnik ([adres]) tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid make-up artikelen en een hoeveelheid zonnebrillen geheel toebehorende aan winkelbedrijf [bedrijf 1];

5.

op 15 september 2009 te Maarssen ([adres]) tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen toiletartikelen geheel toebehorende aan winkelbedrijf [bedrijf 2];

6.

op 15 september 2009 te Utrecht ([adres]) tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid ondergoed (merk Björn Borg, 3 stuks), ter waarde van 117 euro, geheel toebehorende aan winkelbedrijf [bedrijf 3].

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van de feiten 2, 3, 5 en 6: telkens, diefstal door twee of meer verenigde personen.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen: een gevangenisstraf voor de duur van 20 weken (te weten 4 weken gevangenisstraf per feit), waarvan 3 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair aangevoerd dat, indien de rechtbank tot een veroordeling komt, kan worden volstaan met een gevangenisstraf van ten hoogste 2 weken per feit. Verdachte heeft weliswaar een strafblad, maar hij is de afgelopen tien jaar slechts vijfmaal veroordeeld voor diefstallen. Voorts is de verdediging van mening dat de aan verdachte op te leggen straf niet hoger dient te zijn dan de tot nu toe door hem ondergane voorlopige hechtenis.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich samen met anderen in een relatief korte periode viermaal schuldig gemaakt aan winkeldiefstal. Winkeldiefstallen zijn ergerlijke feiten, die naast schade vaak veel hinder veroorzaken voor de gedupeerde bedrijven en/of personen. Deze diefstallen zijn in georganiseerd verband begaan. Verdachte maakte deel uit van een groep van twee mannen en een vrouw die telkens op dezelfde, berekende, wijze te werk gingen op tijdstippen dat de winkels open waren voor publiek. Verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan ernstige en brutale feiten. Per diefstal is bovendien een relatief grote hoeveelheid goederen meegenomen uit het duurdere assortiment.

De rechtbank houdt rekening met het strafblad van de verdachte waarop eerdere soortgelijke vermogensdelicten staan. Verder heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in vergelijkbare gevallen door de rechtbank worden opgelegd.

De rechtbank acht alles overwegende een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur 4 maanden (te weten 1 maand per feit) passend en geboden.

Nu de rechtbank minder feiten bewezen acht dan de officier van justitie, zal zij in totaal een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

De rechtbank ziet geen aanleiding om een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen, gezien de eerdere veroordelingen voor winkeldiefstallen.

7. De benadeelde partij

7.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond hetgeen zij bewezen heeft geacht verzocht om de vordering van de benadeelde partij [bedrijf 1] ten aanzien van de feiten 1, 3 en 5 toe te wijzen en daarbij, hoofdelijk, de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Voorts verzoekt de officier van justitie het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.

7.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij, [benadeelde], vordert namens [bedrijf 1] een schadevergoeding van € 636,20 voor feit 1, € 1.359,51 voor feit 3 en €300,83 voor feit 5.

Nu verdachte wordt vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde feit waaruit de schade zou zijn ontstaan, zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering ten aanzien van dit feit.

De rechtbank acht de vordering ten aanzien van feit 3 niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in dit strafgeding. De rechtbank overweegt daartoe dat het gevorderde bedrag niet overeenkomt met het bedrag dat is vermeld in de tenlastelegging, nu niet de verkoopwaarde, maar de inkoopprijs is gevorderd. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering ten aanzien van feit 3. Zij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank acht het gevorderde bedrag ten aanzien van feit 5 onvoldoende onderbouwd. De rechtbank overweegt daartoe dat het gevorderde bedrag hoger is dan het bedrag dat is vermeld in de tenlastelegging, terwijl [benadeelde] ter terechtzitting heeft aangegeven dat hij niet de verkoopwaarde maar de (lagere) inkoopprijs heeft gevorderd. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering ten aanzien van feit 5. Zij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8. De vordering tot tenuitvoerlegging

8.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van drie weken die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van 23 januari 2009 door het gerechtshof Arnhem ten uitvoer zal worden gelegd.

8.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat de vordering ten uitvoerlegging dient te worden afgewezen, omdat de voorwaardelijke gevangenisstraf voor een andersoortig feit is opgelegd dan de feiten die in de onderhavige zaak aan de orde zijn.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Naar het oordeel van rechtbank zijn de feiten die verdachte in de proeftijd heeft gepleegd dermate ernstig dat het er niet toe doet dat het om andersoortige feiten gaat dan waarvoor de voorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

9. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14g, 57, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1 en 4 tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 2, 3, 5 en 6: telkens, diefstal door twee of meer verenigde personen;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 4 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van de opgelegde straf;

Benadeelde partijen

- verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vorderingen en bepaalt dat die vorderingen bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis d.d. 23 januari 2009 door het gerechtshof Arnhem is opgelegd in de zaak onder parketnummer 21/004022-07 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een gevangenisstraf van drie weken.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Schukking, voorzitter, mr. L.M.G. de Weerd en mr. C.H.M. Pastoors, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.C. de Vries, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 29 maart 2010.