Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BM8876

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
21-05-2010
Datum publicatie
23-06-2010
Zaaknummer
16/510704-06 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling in megazaak DIAZ. Verdachte is veroordeeld tot 10 jaar gevangenisstraf ter zake van twee vrijheidsberovingen, meerdere keren invoer van cocaine in Nederland en vervoer in Belgie, en deelname aan criminele organisatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/510704-06 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 21 mei 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1981] te [geboorteplaats] (Sierra Leone)

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland

thans gedetineerd in de P.I. Utrecht, Huis van Bewaring, locatie Nieuwegein

raadsman mr. J.A. Schadd, advocaat te Arnhem

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 10 mei 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging, zoals deze na vordering nadere omschrijving ex artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering door de rechtbank van 10 februari 2010 is toegestaan, is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

(feit 1 en 2) samen met anderen tweemaal [slachtoffer] van zijn vrijheid heeft beroofd;

(feit 3, 4 en 5) samen met anderen meerdere keren cocaïne heeft ingevoerd in Nederland;

(feit 6 en 7) samen met anderen tweemaal cocaïne heeft vervoerd in België; en

(feit 8) heeft deelgenomen aan een criminele organisatie.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De raadsman heeft namens verdachte ten aanzien van de onder 6 en 7 ten laste gelegde feiten het verweer gevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu nergens uit blijkt dat België instemt of heeft ingestemd met overname van strafvervolging door Nederland.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat weliswaar niet uitdrukkelijk de instemming op papier is verwoord, maar dat de Belgische autoriteiten wel bij het Landelijk Parket in Nederland officieel aangifte hebben gedaan tegen verdachte met het oog op verder onderzoek en verdere vervolging . Bovendien hebben de Belgische autoriteiten op 31 maart 2010 bericht dat de thans ten laste gelegde feiten niet in België worden vervolgd. Overigens merkt de officier van justitie op dat verdachte de Nederlandse nationaliteit bezit en de rechtbank alleen op deze grond al rechtsmacht toekomt.

De rechtbank overweegt dat de onder 6 en 7 ten laste gelegde feiten zouden zijn begaan in het buitenland, namelijk in België. Gelet op de hiervoor door de officier van justitie genoemde stukken, kan worden vastgesteld dat tegen verdachte de strafvervolging door Nederland van België is overgenomen. Reeds op grond van artikel 4a van het Wetboek van Strafrecht is naar het oordeel van de rechtbank de Nederlandse strafwet toepasselijk. Ook overigens acht de rechtbank op grond van artikel 5 lid 1 sub 2 van het Wetboek van Strafrecht de Nederlandse strafwet toepasselijk, nu verdachte de Nederlandse nationaliteit bezit.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

Algemene overwegingen

De raadsman van verdachte heeft ten aanzien van de ten laste gelegde feiten die in Nederland zijn begaan het verweer gevoerd dat verdachte niet de ‘[naam]’ respectievelijk ‘[naam]’ was die in het dossier wordt genoemd. Ook verdachte heeft ter terechtzitting ontkend bij de ten laste gelegde feiten betrokken te zijn geweest.

De rechtbank overweegt daaromtrent het volgende.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij degene was die op 27 april 2006 op luchthaven Zaventem in België is aangehouden. Uit het proces-verbaal blijkt dat verdachte werd geïdentificeerd als de reisgenoot van [A]. Van verdachte zijn foto’s en vingerafdrukken genomen. Ook was verdachte in bezit van een mobiele telefoon Nokia met emei-nummer [imei-nummer 1] .

Op 31 augustus 2009 is verdachte in Zwitserland aangehouden en op 16 september 2009 in Nederland in verzekering gesteld. Op 16 september 2009 zijn bij verdachte eveneens vingerafdrukken afgenomen. Uit vergelijkend onderzoek tussen het dactyloscopisch onderzoek in België en Nederland is gebleken dat beide dactyloscopische signalementen identiek zijn.

De rechtbank stelt derhalve vast dat verdachte degene is geweest die in België is aangehouden en dat verdachte op 27 april 2006 derhalve in bezit is geweest van een mobiele telefoon met imei-nummer [imei-nummer 1].

Deze telefoon met voormeld imei-nummer is in Nederland in het onderzoek DIAZ naar voren gekomen uit het politie-onderzoek naar de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Door aangever [slachtoffer] is verklaard dat hij door [B] en ene [verdachte] wederrechtelijk van zijn vrijheid is beroofd. Uit tapgesprekken bleek [B] telefonisch contact te onderhouden met de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 1]. Het telefoonnummer [telefoonnummer 1] is ook getapt. De gebruiker bleek begin juni 2006 gebruik te maken van de mobiele telefoon met imei-nummer [imei-nummer 2] . Dit is – op het laatste teken na – het imei-nummer van de telefoon van verdachte die ook in België in beslag was genomen. Met betrekking tot het laatste teken verwijst de rechtbank naar het arrest van de Hoge Raad waarin bepaald is dat aan het laatste cijfer van een imei-nummer geen zelfstandige betekenis toekomt en slechts de eerste 14 tekens van het imei-nummer van belang zijn.

Daar komt bij dat in het onderzoek DIAZ bij een doorzoeking aan de [adres] te [plaats] een document van de Western Union is aangetroffen en in beslag genomen, inhoudende een money transfer op 8 juni 2006 met als afzender [verdachte] en telefoonnummer [telefoonnummer 1] .

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij zijn telefoon niet uitleent.

Uit de politiesystemen is gebleken dat [verdachte], geboren op [1981] te [geboorteplaats] (Sierra Leone) op 10 februari 2006 aangifte heeft gedaan bij de politie van diefstal van/uit een auto en daarbij als benadeelde is opgegeven [B]. Als telefoonnummer is daarbij genoemd het telefoonnummer [telefoonnummer 2]. Dit is het telefoonnummer van verdachte dat in eerste instantie op 24 mei 2006 bij de politie bekend was, maar niet actief bleek te zijn . Bij het verhoor door de rechter-commissaris op 18 januari 2007 heeft aangever [slachtoffer] op foto 8 uit de fotomap DIAZ 2006 ‘[verdachte]’ herkend met de woorden: “De man op foto 8 lijkt op [verdachte], ik denk dat hij het is.”

Ter terechtzitting heeft verdachte zichzelf herkend op dezelfde foto die aan [slachtoffer] getoond is. .

Tevens is op 30 maart 2006 in het politiesysteem een melding gemaakt van een verdachte situatie waarbij [verdachte], [C] en [B] betrokken waren .

De rechtbank is van oordeel dat uit voornoemde feiten en omstandigheden genoegzaam is gebleken dat verdachte degene is geweest die in het dossier met ‘[naam]’ en ‘[naam]’ wordt aangeduid en gebruik heeft gemaakt van de mobiele telefoon met imei-nummer [imei-nummer 2] en het telefoonnummer [telefoonnummer 1].

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, 2 primair, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

De raadsman heeft ten aanzien van de feiten 1, 2, 3, 4, 5 en 8 vrijspraak bepleit. Ten aanzien van de onder 6 en 7 ten laste gelegde feiten heeft de raadsman zich – meer subsidiair – gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank overweegt dat de door de raadsman namens verdachte gevoerde verweren strekkende tot vrijspraak worden weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze in dit vonnis zullen worden opgenomen.

Ten aanzien van feit 1 en 2 primair:

Door [slachtoffer] is op 26 mei 2006 aangifte gedaan van een tweetal wederrechtelijke vrijheidsberovingen. [slachtoffer] heeft verklaard dat hij op dinsdag 23 mei 2006 terug in Nederland is gekomen na een vakantie in Gambia . Hij werd die dag op Hoog Catharijne te Utrecht opgewacht door [B] en [verdachte], waarna hij zich rond 18.00 uur samen met hen naar de woning van [B] aan de [adres] te [plaats] heeft begeven . In de woning werd aangever vervolgens beschuldigd van het stelen van 10 kilo cocaïne van [B]. Hij mocht van [B] en [verdachte] de woning niet verlaten. Telkens als aangever de woning wilde verlaten, werd hij door [B] en [verdachte] tegengehouden. [slachtoffer] heeft vervolgens meermalen getracht vechtend uit de woning te komen, maar dit mislukte. [B] heeft hem bij die gelegenheden opzettelijk en met kracht tegen zijn onderlip gestompt en tevens met kracht tegen de muur gedrukt. Ook werd veelvuldig door [B] en [verdachte] gebeld en werd tegen aangever gezegd dat hij moest wachten tot die mensen kwamen. Uiteindelijk is aangever er rond 03.00- 04.00 uur ‘s nachts in geslaagd om de politie te bellen .

De verklaring van aangever wordt ondersteund door de verklaring van [B] dat aangever [slachtoffer] inderdaad die avond in zijn woning is geweest . Tevens is gebleken dat de politie die nacht daadwerkelijk ter plaatse is geweest . Door de politie wordt ten tijde van de aangifte letsel geconstateerd dat [slachtoffer] zegt te hebben opgelopen tijdens deze eerste wederrechtelijke vrijheidsberoving.

Aangever [slachtoffer] heeft voorts verklaard dat hij op 24 mei 2006 omstreeks 22.30 uur in Utrecht samen met [getuige 3] en ene [D] op de [adres] te [plaats] liep en dat hij zag dat er twee auto’s uit de richting van zijn woning aan de [adres] kwamen rijden. [slachtoffer] herkende één van de auto’s als de auto van [B] en zag [B] en [verdachte] ook daadwerkelijk in de auto zitten. [verdachte] was de bestuurder en bracht de auto tot stilstand. [slachtoffer] heeft verklaard dat hij [B] tegen één van de mannen hoorde zeggen: “dit zijn de jongens”. Aangever en de twee personen met wie hij samen liep, zijn vervolgens gaan rennen, waarbij hij door twee onbekende mannen, waarvan één een pistool bij zich had, werd achtervolgd en door één van hen werd beetgepakt . Dit wordt bevestigd door de getuige [getuige 3], die heeft verklaard dat de aangever en hij op straat werden achtervolgd . De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat aangever door dader 1 werd beetgepakt en werd bedreigd met een vuurwapen . Toen zij bij de woning van aangever waren aangekomen, kwamen volgens aangever [B] en [verdachte] ook ter plaatse. [slachtoffer] heeft voorts verklaard dat [B] hierna tegen één van de mannen zei: “dat is hem”. Aangever kreeg door dader 1 een pistool in zijn nek gedrukt en er werd tegen hem gezegd: “als je gaat rennen, dan schiet ik” . Deze woorden worden ook bevestigd door de getuige [getuige 2] . Uit de verklaring van aangever blijkt voorts dat hij vervolgens rechts achter in een groene vierdeurs auto moest gaan zitten. Dader 1 ging achter het stuur zitten en dader 2 nam plaats naast aangever en hield daarbij het pistool tegen de buik van het slachtoffer. Aangever heeft gezien dat [B] en [verdachte] op dat moment de andere kant op liepen. Vervolgens zijn ze in de richting van Den Haag gereden en [slachtoffer] moest met zijn hoofd op zijn benen gaan liggen en zijn ogen dicht doen. De auto stopte uiteindelijk bij een woning, alwaar een derde man (dader 3) stond te wachten. Aangever werd de woning binnengebracht en zijn polsen en voeten werden met tape aan elkaar vastgebonden. De drie daders vroegen aan hem waar de cocaïne was. De badkamer in de woning werd vervolgens door één van de verdachten rondom afgeplakt met stroken zwart plastic. Twee van de drie verdachten trokken vervolgens een oranje overall aan. [slachtoffer] werd op de grond in de badkamer neergelegd en kreeg een pistool op zich gericht en meerdere malen tegen zijn hoofd gedrukt. Daarbij werd gezegd dat als hij niet zou vertellen waar de ‘stuf’ was, hij door zijn hoofd geschoten zou worden. Twee van de drie verdachten hadden een wapen. Na ongeveer een uur in de badkamer gezeten te hebben, werd aangever teruggedragen naar de woonkamer en moest daar met zijn gezicht naar de muur op de grond gaan zitten, waar hij vervolgens de rest van de nacht heeft gezeten. Pas de volgende dag werd [slachtoffer] naar het centrum van Utrecht teruggebracht en daar vrijgelaten. Aangever heeft verklaard dat hij van angst meermalen in zijn broek heeft geplast, zowel in de groene auto waarin hij werd vervoerd als in de woning waar hij had vastgezeten . De getuige [getuige 1] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij die dag [slachtoffer] tegen is gekomen en dat [slachtoffer] hem vertelde dat hij was meegenomen met de auto en de hele nacht in een hokje moest zitten. [getuige 1] zag daarbij dat aangever witte lijmresten van plakband op zijn polsen had . Ook de getuige [getuige 3] heeft verklaard dat [slachtoffer] hem de volgende dag heeft verteld dat hij tegen zijn wil was meegenomen . Op 25 mei 2006 werd het slachtoffer door een technisch rechercheur van de politie Utrecht onderzocht en daarbij werd geconstateerd dat op de polsen en de schoenen van het slachtoffer lijmrestanten zichtbaar waren van tape .

Gebleken is dat er vlak voor, tijdens en na deze tweede wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer], veelvuldig contact is geweest tussen het telefoonnummer [telefoonnummer 3] van [B] en de telefoonnummers [telefoonnummer 4] en [telefoonnummer 5] . Voorts is gebleken dat het telefoonnummer [telefoonnummer 4] op 24 mei 2006 vanaf omstreeks 22.30 uur tot en met ongeveer 23.15 uur, rond het tijdstip waarop de wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer] begon, telefoonpalen heeft aangestraald in de omgeving van de wijk Kanaleneiland te Utrecht, de plek waar de wederrechtelijke vrijheidsberoving van aangever [slachtoffer] is begonnen . Uit onderzoek is gebleken dat de telefoonnummers toebehoren aan [E] en [F] . De telefoonnummers van [E] en [F] bellen tijdens de wederrechtelijke vrijheidsberoving meermalen naar het telefoonnummer dat toebehoort aan [G], wonende aan de [adres] te [plaats], zijnde de woning waar - zo is uit onderzoek gebleken - aangever [slachtoffer] is vastgehouden . De tatoeages van de derde dader, zoals omschreven door aangever [slachtoffer], komen overeen met de tatoeages van [G] . Tenslotte is gebleken dat de groene auto van [F] op 24 mei 2006 om 22.25 uur de camera, die op de parallelweg van de Europalaan te Utrecht staat, is gepasseerd en is door het Nederlands Forensisch Instituut op de plek waar [slachtoffer] in de auto zou hebben gezeten en alwaar hij in zijn broek zou hebben geplast, een sterke aanwijzing verkregen voor de aanwezigheid van urine .

Door de raadsman is ter terechtzitting aangevoerd dat de verklaringen van aangever [slachtoffer] tegenstrijdig en verschillend zijn en aldus niet kunnen worden gebezigd als bewijsmiddel. De rechtbank is echter van oordeel dat aan de verklaringen van aangever [slachtoffer] wel veel waarde kan worden gehecht, nu deze op essentiële onderdelen consistent zijn en ondersteund worden door genoemde getuigenverklaringen en overige bewijsmiddelen.

Zoals hiervoor is overwogen heeft aangever [slachtoffer] bij het verhoor door de rechter-commissaris op 18 januari 2007 op foto 8 uit de fotomap DIAZ 2006 ‘[verdachte]’ herkend met de woorden: “De man op foto 8 lijkt op [verdachte], ik denk dat hij het is.”

Ter terechtzitting heeft verdachte zichzelf herkend op dezelfde foto .

Ook [getuige 3] heeft bij de rechter-commissaris op 1 maart 2007 verklaard dat foto 8 volgens hem [verdachte] toont.

Voorts is uit de verkregen verkeersgegevens van het telefoonnummer van verdachte ([telefoonnummer 1]) gebleken dat op 23 mei 2006 tussen 16.10 uur en 18.59 uur door het desbetreffende toestel paallocaties van de luchthaven Schiphol werden gebruikt. Op 23 mei 2006 tussen 19.39 uur en 20.45 uur werden paallocaties in het centrum van Utrecht gebruikt. Vanaf 23 mei 2006 te 23.43 uur werden door voornoemd toestel paallocaties in Overvecht te Utrecht gebruikt.

Ook uit de verkregen verkeersgegevens van het telefoonnummer van [B] ([telefoonnummer 3]) zijn soortgelijke gegevens gebleken. Op 23 mei 2006 tussen 18.20 uur en 18.58 uur werden door het desbetreffende toestel paallocaties van de luchthaven Schiphol gebruikt. Op 23 mei 2006 tussen 19.54 uur en 21.12 uur werden door het toestel paallocaties in het Centrum van Utrecht gebruikt. Tussen 23 mei 2006 21.49 uur en 24 mei 2006 3.52 uur werden paallocaties in Overvecht te Utrecht gebruikt.

Het verweer van de raadsman dat de zendmastgegevens ontlastend voor verdachte zouden zijn, volgt de rechtbank niet. Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat hij op 24 mei 2006 tussen 3.00 uur en 4.00 uur de politie heeft gebeld. Dit komt overeen met het proces-verbaal van bevindingen dat de politie op 24 mei 2006 te 3.42 uur ter plaatse was. Temeer nu de verkeersgegevens van de telefoons van verdachte en [B] grotendeels overeenkomen, acht de rechtbank bewezen dat verdachte samen met [B] is geweest. [B] heeft bij de politie verklaard dat hij [verdachte] wel kent en dat [verdachte] twee of drie keer met zijn auto gereden heeft .

Met betrekking tot de periode waarin het onder 2 tenlastegelegde is begaan, zijn eveneens de historische printgegevens van de telefoonnummers van [B] ([telefoonnummer 3]) en verdachte ([telefoonnummer 1]) geanalyseerd . Op 24 mei 2006 om 16.37 uur en 16.48 uur maakte het toestel van [B] gebruik van een paallocatie te Breda. Zijn toestel heeft op dat moment contact met het toestel van [E], die eveneens in Breda is. Op 24 mei 2006 te 17.02 uur maakt de telefoon van verdachte gebruik van dezelfde paallocatie als [E] aan de [adres] te [plaats].

Op 24 mei 2006 om 18.41 uur respectievelijk 18.42 uur maken de telefoons van [B] en verdachte weer gebruik van paallocaties in Utrecht. Ook de telefoon van [E] maakt op dat moment van dezelfde paallocaties in Utrecht gebruik. Er is sprake van veelvuldig telefonisch contact tussen de telefoons van [E] en [B] en de telefoons van [B] en verdachte. Volgens aangever [slachtoffer] heeft de tweede vrijheidsberoving op 24 mei 2006 omstreeks 23.30 uur plaatsgevonden. De telefoon van [E] maakt vanaf dat tijdstip gebruik van paallocaties buiten Utrecht en op 25 mei 2006 te 0.00 uur maakt de telefoon van [E] gebruik van paallocaties in ’s-Gravenhage. De telefoons van verdachte en [B] blijven gebruik maken van paallocaties in Utrecht.

Voorgaande analyse van de historische printgegevens ondersteunt naar het oordeel van de rechtbank de verklaring van aangever [slachtoffer] en rechtvaardigt de conclusie dat verdachte en [B] die dag telkens in elkaars omgeving zijn geweest en ook ten tijde van het onder 2 tenlastegelegde in de omgeving zijn geweest. Daar komt bij dat ook één van de feitelijke uitvoerders van de wederrechtelijke vrijheidsberoving, [E], in hun nabijheid is geweest.

Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich, tezamen en in vereniging, schuldig heeft gemaakt aan de wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer] op 23 mei 2006 in de woning van [B] en aan het op 24 mei 2006 opzettelijk en het onder bedreiging van een vuurwapen in een auto naar een woning vervoeren van diezelfde [slachtoffer], waarna deze [slachtoffer] gedurende een nacht in die woning tegen zijn zin werd vastgehouden en daarbij ook meermalen met een vuurwapen werd bedreigd. Uit het dossier volgt dat beide wederrechtelijke vrijheidsberovingen verband hielden met het feit dat [slachtoffer] werd beschuldigd van het stelen van cocaïne van [B]. Voor wat betreft de bewezenverklaring is de rechtbank van oordeel dat de samenwerking van verdachte met zijn mededaders zodanig volledig en nauw is geweest, dat ten aanzien van zowel het onder feit 1 als feit 2 primair tenlastegelegde sprake is geweest van medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving. Dat verdachte niet fysiek aanwezig is geweest in de woning in [plaats] (feit 2 primair) doet daar niet aan af.

Ten aanzien van feit 3:

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 4 juli 2006 te Schiphol samen met anderen opzettelijk ongeveer 3.471,43 gram cocaïne in Nederland heeft ingevoerd. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Op 3 juli 2006 vindt een telefoongesprek tussen verdachte in Gambia en [C] plaats, waarin verdachte tegen [C] zegt dat er vandaag iemand vertrekt vanuit Gambia en dat [C] deze persoon moet ophalen. [C] zegt vervolgens dat het geen probleem is en dat hij deze persoon morgenochtend gaat ophalen . [S] wordt dan in de nacht van 03 op 04 juli 2006 door [A] gebeld. [A] deelt [S] mede dat [C] (de rechtbank begrijpt: [C]) iemand moet ophalen en dat hij bij [S] moet slapen . Twintig minuten later wordt [S] door [C] gebeld en deze zegt dat hij onderweg is naar het huis van [S] .

Op 4 juli 2006 omstreeks 10:42 uur wordt [H], die in het bezit is van een grote zwarte tas, door [C] van Schiphol opgehaald . Hierna belt [C] met verdachte in Gambia en deelt mede dat “die vent veilig is aangekomen”. [C] vraagt of ze naar de vrouw van [A] moeten gaan. Verdachte zegt dat zij daar naar toe moeten gaan en dat zij moeten terugbellen .

[H] en [C] zijn vervolgens samen per trein naar Utrecht gereisd alwaar zij beiden zijn aangehouden . Bij [H]s aanhouding werd geconstateerd dat zich onder de binnenzolen van de schoenen die [H] droeg, een in plastic verpakt poeder bevond. Bovendien werden in zijn tas twee paar schoenen en drie receptieboeken, waarvan duidelijk te zien was dat de kaften opgevuld waren, aangetroffen. De schoenen bleken op dezelfde wijze geprepareerd als de schoenen die [H] aanhad . Uit onderzoek is gebleken dat in de schoenen en receptieboeken cocaïne was gestopt . Voorts is uit onderzoek gebleken dat in de schoenen en de receptieboeken ongeveer 3.471,43 gram cocaïne is aangetroffen .

[H] heeft bij de politie verklaard dat hij in Gambia drie paar schoenen en drie boeken heeft gekregen van een man die [I] heet. Hij moest die schoenen en boeken aan iemand geven in Nederland. Bij de rechter-commissaris d.d. 11 oktober 2007 heeft [H] verklaard dat de man op pagina 1998 van het toenmalige DIAZ 2006-dossier [I] is. De rechtbank heeft geconstateerd dat voornoemde pagina van het dossier overeenkomt met pagina 706 , inhoudende foto 8 van de fotomap DIAZ 2006 en tevens de foto waarvan verdachte zichzelf ter terechtzitting heeft herkend.

Het verweer van de raadsman dat zich in het dossier geen proces-verbaal bevindt aangaande de stemherkenning door de tolk met betrekking tot [verdachte], verwerpt de rechtbank. Er is niet gebleken van feiten of omstandigheden die aan de betrouwbaarheid van de stemherkenning door de tolk zouden kunnen doen twijfelen, temeer nu koerier [H] [I] die aan hem in Gambia de goederen heeft gegeven herkende in de foto die hem is getoond. Het verweer mist derhalve feitelijke grondslag.

Ten aanzien van feit 4:

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 6 juni 2006 te Schiphol samen met anderen opzettelijk ongeveer 5.760 gram cocaïne in Nederland heeft ingevoerd.

Op 5 juni 2006 belt [B] met ene [J] in Gambia en vraagt wie er morgen komt . [J] antwoordt dat niet [K], maar [L] komt. Dan komt [L] aan de telefoon en zegt tegen [B] dat hij [L] heet en om 8.00 uur op Schiphol zal aankomen, in Rotterdam woont en een broertje heeft die [M] heet. Op 5 juni 2006 om 18.03 uur belt [B] met [J], die zich op dat moment in Gambia bevindt, en zegt tegen hem dat hij hem naar het vliegveld moet brengen en dat hij later zal bellen om te vragen wat voor kleding hij draagt . Eén minuut later belt [B] met ene [N] en vraagt hem of hij die broer van die andere jongen die morgenochtend op Schiphol aankomt, kent en of [N] morgen met hem, [B], wil meegaan om die jongen op te halen van Schiphol . Ruim tien minuten later belt [B] naar verdachte en vertelt dat die vent hier om een uur of 6, 7 of 8 zal aankomen. Verdachte reageert hierop met: “Houd me op de hoogte” . Op 5 juni 2006 om 19.34 uur belt verdachte (telefoonnummer [telefoonnummer 1]) naar [B] en vraagt of [B] [N] heeft gesproken en zegt dat hij [N] zal ophalen en naar [B] zal toekomen . Dezelfde avond belt [A] vanuit Sierra Leone naar [B] en zegt tegen [B], dat als die man komt, hij moet proberen dat ding te nemen en hem niets te geven. [B] moet zeggen dat zijn broertje dat wel zal geven. Verder vraagt [A]: “Je gaat daar toch naar toe met [verdachte]”, waarop [B] zegt: “En met [N].” [A] zegt dat [B] niet dezelfde fout moet maken als de vorige keer .

[L] heeft verklaard dat hij op 6 juni 2006 uit Gambia op Schiphol is aangekomen, dat hij [M] kent, dat [M] in [plaats] woont en dat hij hem broer noemt .

Tevens heeft [L] bij de politie verklaard [M] van de getoonde foto nr. 3, welke foto volgens de politie de foto van [M] is, te herkennen als de persoon waar hij reeds over verklaard heeft . Blijkens de passagierslijst van de rechtstreekse vlucht uit Banjul, Gambia, die op 06 juni 2006 op Schiphol aankwam, komt daarop slechts één [L] voor .

Op 06 juni 2006 omstreeks 09.22 uur belt [B] met een onbekend gebleven persoon in Gambia en vraagt wat “die andere” allemaal meeneemt. De onbekend gebleven persoon antwoordt: vijf paar schoenen en een album . Even later is er telefonisch contact tussen [B] en [A]. [B] zegt dat hij de man die is aangekomen gezien heeft en dat hij alles heeft ontvangen wat die man meegenomen had . Een paar uur later belt [B] wederom met [A]. [B] belt dan vanuit het huis van de schoenmaker en zegt dat hij bezig is om ze open te maken. [A] wil weten hoeveel er aangekomen is. [B] zegt dat de schoenmaker nu dingen aan het koken is. [A] zegt dat de schoenmaker zich goed moet concentreren, want ze moeten tot acht uit zien te komen. [B] zegt dat dat geen probleem is . Een half uur na dit gesprek belt [B] wederom naar [A] en zegt dat ze gewogen hebben en dat het 5.760 is geworden . Hierna belt [B] weer met [A] en komt [O] aan de lijn. [O] heeft verklaard dat hij zichzelf [O] noemt . [A] vraagt hoeveel van dat spul hij nodig heeft,[O] zegt dat hij drie nodig heeft. [A] zegt dat hij wil dat [O] 2 neemt en dat hij die andere ook zo moet mengen. [A] wil het 2.7 hebben . [O] heeft over dit gesprek verklaard dat het gaat om het versnijden van drugs. Er werd dan verteld hoeveel het moest worden en dan werd het gemixt met versnijdingsmiddel . [O] heeft in zijn verklaringen bij de politie gesproken over harddrugs en in verband daarmee enkel over cocaïne verklaard . Uit de verklaring van [O] blijkt verder dat hij contact heeft met iemand uit Sierra Leone waarvoor hij drugs in schoenen moest stoppen en wijst deze persoon aan op een foto (dit betreft een foto van [A]) .

Tijdens het laatstgenoemde telefoongesprek neemt verdachte de telefoon over van [O] en volgt er een gesprek tussen verdachte en [A]. Verdachte zegt tegen [A] dat die jongens aan de andere kant wel willen. Daarbij spreekt verdachte over zijn oom in Duitsland. [A] vraagt vervolgens aan verdachte of hij het risico wil nemen om het daar naar toe te brengen. [A] raadt het hem niet aan, maar als verdachte het wel wil, is het geen probleem. [A] vraagt of verdachte wil bellen of die mensen het geld wel hebben.

Op 6 juni 2006 om 15.46 uur belt verdachte met de telefoon van [B] naar een onbekende man die hij oom noemt. Verdachte zegt dat hij momenteel wel een ding heeft, maar dat alleen het probleem is dat die vriend gelijk geld wil hebben. De man zegt dat [verdachte] moet komen en zoals gewoonlijk goed spul moet brengen zonder problemen.

Kort daarna belt verdachte weer naar [A] en zegt dat die mensen alleen zes hebben. Verdachte stelt voor de dingen eerst te brengen en die zes te nemen en het restant later op te halen. [A] vindt dat goed . Later die dag heeft verdachte nogmaals contact met [A], waarbij opnieuw over getallen en bedragen wordt gesproken .

De rechtbank is van oordeel gelet op voorgaande telefoongesprekken dat verdachte niet alleen bij het transport, maar ook bij de versnijding van de cocaïne en de verdere verkoop een grote rol heeft gespeeld.

Het verweer van de raadsman met betrekking tot de stemherkenning van verdachte verwerpt de rechtbank ook ten aanzien van dit feit, op dezelfde grond zoals onder feit 3 is overwogen.

Bij de doorzoeking van de woning van [B] op 14 juni 2006 is een zwarte portemonnee met daarin pasjes op naam van [B] in beslag genomen. In deze portemonnee zaten twee losse papiertjes met de volgende notities:

1 s file 5.760

1 b file 370

2 x 46 30

1 x 44sandal 6.160

2 x 44

Blijkens het proces-verbaal van de politie zou het getal 5.760 kunnen worden gerelateerd aan het hierboven vermelde gesprek tussen verdachte en [A] op 6 juni 2006 (tap 212). De notities 2 x 46, 1 x 44 sandal en 2 x 44 zijn vermoedelijk de schoenmaten en kunnen worden gerelateerd aan het bovenvermelde gesprek tussen [B] en een onbekend gebleven man (tap 187) . Er is ten aanzien van dit feit geen cocaïne in beslag genomen en derhalve heeft geen onderzoek plaatsgevonden of in casu sprake is van de stof cocaïne. De rechtbank is evenwel van oordeel dat sprake is geweest van de stof cocaïne, gelet op de navolgende omstandigheden:

• blijkens het proces-verbaal Project Diaz 2006 van de politie Utrecht is zicht gekregen op een zestal drugstransporten die steeds op soortgelijke wijze werden georganiseerd en uitgevoerd, te weten de smokkel van cocaïne in schoenen en (foto)albums;

• [O] heeft in zijn verklaringen bij de politie gesproken over harddrugs en in verband daarmee enkel over cocaïne verklaard, terwijl in de woning bij de doorzoeking op een later moment ook (naast versnijdingsmiddel) enkel cocaïne is aangetroffen ; en

• nergens is uit gebleken dat het om een andere stof dan cocaïne ging.

Ten aanzien van feit 5:

Op 13 juni 2006 werd door leden van observatieteam waargenomen dat [B] samen met iemand anders, een persoon van Schiphol ophaalde. Deze laatstgenoemde persoon was in het bezit van een grote tas. Voorts werd waargenomen dat [B] met de twee andere personen zijn woning is binnengegaan. Ook de grote tas werd mee naar binnen genomen. Korte tijd later werd gezien dat [B] de woning uitkwam, waarna hij de persoon die van Schiphol was opgehaald, naar [plaats] bracht en daar afzette bij perceel [adres] . Door [M] is verklaard dat hij staat ingeschreven op het adres [adres] te [plaats], dat hij op 13 juni 2006 vanuit Gambia op Schiphol is aangekomen en dat hij op verzoek van een jongen die [J] of [N] heet, drie paar schoenen heeft meegenomen. [B] heeft bij de politie verklaard dat [A] (de rechtbank begrijpt: [A]) dezelfde persoon is als [J] . [M] heeft voorts verklaard dat hij de schoenen aan [B] moest geven, dat hij op Schiphol werd opgewacht door [B] en dat de man in Afrika [B] had verteld hoe hij hem ([M]) kon herkennen. Vervolgens zijn zij gezamenlijk naar Utrecht gereden en zijn zij de flat van [B] in gegaan alwaar [M] de schoenen uit zijn tas heeft gehaald. Hierna is hij door [B] naar Dordrecht gebracht .

Op 14 juni 2006 te 0.12 uur (paallocatie Schiphol) wordt met de telefoon van [B] gebeld met [verdachte] die gebruik maakt van een Engels telefoonnummer. [verdachte] vraagt of hij gekomen is en of alles in orde is. [verdachte] zegt dat hij op dat ding zit te wachten, waarop wordt gezegd dat hij is gekomen. [verdachte] zegt dat hij daar blij om is . Verdachte heeft tijdens de zitting verklaard sinds 2004 in Groot-Brittannië te wonen.

Uit een opgenomen telefoongesprek drie kwartier later, gevoerd vlak nadat [M] en [B] in de woning van [B] te [plaats] zijn aangekomen, blijkt dat [B] tegen [A] zegt dat het vijf schoenen zijn. [A] antwoordt: “dat dit klopt”. Daarop deelt [B] mede dat hij “hem dan gewoon naar huis brengt”. [A] zegt vervolgens dat [B] hem 4200 moet geven . [B] heeft verklaard dat het om € 4200,00 ging, dat hij € 5000,00 had gekregen waarvan hij € 4200,00 aan de jongen moest geven en € 800,00 zelf mocht houden en dat hij van de jongen vier of vijf paar schoenen heeft ontvangen . Hoewel [M] heeft verklaard dat hij drie paar schoenen heeft afgegeven in de woning van [B], gaat de rechtbank er - gelet voornoemd telefoongesprek tussen [A] en [B] en de verklaring van [B] - van uit dat [plaats] de vijf paar schoenen heeft afgegeven waarin de cocaïne is aangetroffen.

Vlak nadat [B] was teruggekeerd uit Dordrecht, is hij aangehouden door de politie. Er heeft vervolgens op 14 juni 2006 vanaf 4.55 uur een doorzoeking plaatsgevonden in de woning van [B] . Bij die doorzoeking zijn onder andere vijf paar schoenen aangetroffen. In de zolen van deze schoenen zaten pakketjes met wit poeder verstopt. Uit onderzoek is gebleken dat in de schoenen ongeveer 4.626,77 gram cocaïne is aangetroffen .

Tevens is een notitieboekje met een bruin lederen kaft in beslag genomen. Op bladzijde 6 van dit boekje stond onder meer vermeld: “[M] -5000 150” en “Tik [M] -5000 - 350”.

Dat door de aanhouding van [B] verwarring ontstaat, blijkt uit een telefoongesprek tussen [O] en [A] op 14 juni 2006 om 17.21 uur, waarin [A] vraagt of die jongen nog heeft gebeld, want dat had hij hem gisteravond nog gevraagd. Het laatste contact was de nacht tevoren om 2.00 uur. [O] zegt niet gebeld te zijn en dat ze ook niet zijn geweest. [A] zegt dat het ergste is dat hij de spullen mee naar zijn woning heeft genomen, terwijl hij, [A], had gezegd dat het naar zijn vriendin gebracht moest worden. [O] vraagt of er iets binnen kwam. [A] zegt ja, en dat was het laatste spul dat binnenkwam . Direct na dit gesprek probeert [O] tevergeefs om [B] telefonisch te bereiken .

Op 15 juni 2006 om 18.28 uur belt verdachte met telefoonnummer [telefoonnummer 1] naar [C] en zegt dat hij gekomen is en voorts wordt tussen verdachte en [C] gesproken over de woning van [B] . Verdachte heeft vervolgens diezelfde dag om 19.49 uur en op 16 juni 2006 om 9.26 uur telefonisch contact met [O] over de verdwijning van [B] .

De rechtbank acht voorts het volgende van belang. [M] heeft bij de politie verklaard dat hij op 6 juni 2006 zijn vlucht had gemist, omdat hij ziek was en daarom een week later naar Nederland terug is gegaan. Hij had de schoenen toen al gekregen. De volgende dag (de rechtbank begrijpt: 7 juni 2006) zijn de schoenen door die [J] of [N] weer op gehaald en op 11 juni 2006 zijn dezelfde schoenen aan hem gegeven en heeft hij de schoenen meegenomen naar Nederland .

Derhalve concludeert de rechtbank dat [M] dezelfde dag met [L] naar Nederland had moeten komen.

Gelet op het voorgaande, de bewezenverklaring van het onder 4 ten laste gelegde feit waaruit de betrokkenheid van verdachte bij het drugstransport blijkt, het tapgesprek d.d. 14 juni 2006 dat verdachte wordt geïnformeerd dat [M] is gekomen, de wetenschap van verdachte met betrekking tot het transport, zijn komst naar Nederland op 15 juni 2006 en de nadien gevoerde telefoongesprekken, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met anderen het onder 5 tenlastegelegde heeft begaan.

Ten aanzien van feit 6:

Op 22 januari 2006 werd op luchthaven Zaventem te Brussel (België) aangehouden [P]. [P] was zojuist aangekomen met een vlucht komende uit Conakry (Guinee) en was in bezit van een reiskoffer. In de reiskoffer bleek een dubbele bodem te zijn aangebracht, waarin zich één pak met wit poeder met een totaal bruto gewicht van 3.155 gram bevond . Uit onderzoek van het Belgische forensische instituut, het NICC, is gebleken dat het witte poeder cocaïne betrof met een zuiverheidsgraad van 76% .

[P] heeft verklaard dat [A] hem is komen oppikken om naar de luchthaven te brengen op de dag dat hij zou vertrekken om drugs op te halen in Guinee en naar Nederland te brengen. [A] was toen in het gezelschap van een zekere [verdachte]. Het was [A] die het vliegticket voor [P] heeft gekocht. [A] had bovendien gezegd dat hij [P] € 6.000,00 zou betalen, wanneer [P] terug zou komen met cocaïne. [verdachte] is met [P] naar de ambassade gegaan om het visum te kopen en [verdachte] heeft het visum ook betaald. [P] was er zeker van dat [verdachte] dat in opdracht heeft gedaan van [A].

Zoals hiervoor reeds is overwogen heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij degene was die op 27 april 2006 op de luchthaven Zaventem in België is aangehouden. Uit het proces-verbaal blijkt dat verdachte werd geïdentificeerd als de reisgenoot van [A]. Van verdachte zijn foto’s en vingerafdrukken genomen.

De gemaakte foto’s zijn tijdens het verhoor van op 9 oktober 2006 aan hem getoond. [P] heeft vervolgens de foto bijgevoegd als bijlage 2 herkend als [A] en de foto bijgevoegd als bijlage 3 herkend als [verdachte] . Tevens heeft [P] in voornoemd verhoor verklaard dat de echte naam van [A] [A] is.

De rechtbank acht gelet op het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met anderen het onder 6 tenlastegelegde heeft begaan.

Ten aanzien van feit 7:

Op 12 mei 2006 werd op luchthaven Zaventem te Brussel (België) aangehouden [Q]. [Q] was zojuist aangekomen met een vlucht komende uit Conakry (Guinee). In zijn bagage werden drie paar schoenen en één paar sandalen aangetroffen, waarvan de zolen zeer dik aanvoelden. Tevens bevond zich in de bagage van [Q] een groen boek waarvan beide kaften zeer dik aanvoelden. In totaal werden er tien pakken cocaïne aangetroffen in de goederen met een totaal bruto gewicht van 3.773 gram . Uit onderzoek van het NICC is gebleken dat het cocaïne betrof met een zuiverheidsgraad van 87% .

Zoals hiervoor reeds is overwogen heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij degene was die op 27 april 2006 op luchthaven Zaventem in België is aangehouden. Uit het proces-verbaal blijkt dat verdachte werd geïdentificeerd als de reisgenoot van [A]. Van verdachte zijn foto’s en vingerafdrukken genomen.

[Q] heeft tijdens een verhoor op 30 mei 2006 verklaard dat hij op een foto bijgevoegd als bijlage 1 [A] heeft herkend. Deze persoon heeft hem opdracht gegeven om de cocaïne te gaan halen en zou hem € 3.000,00 betalen. Volgens [Q] heeft deze persoon de reis georganiseerd en betaald. Op de als bijlage 2 bijgevoegde foto heeft [Q] [verdachte] herkend. Deze persoon was bij [A], toen [A] met hem sprak over het halen van cocaïne. Deze [verdachte] is de helper van [A] en heeft [Q], volgens voornoemde verklaring, naar de luchthaven gebracht.

De rechtbank acht gelet op het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met anderen het onder 7 tenlastegelegde heeft begaan.

Ten aanzien van feit 8:

De rechtbank overweegt dat uit de bewezenverklaring van de onder 1, 2 primair, 3, 4, 5, 6 en 7 ten laste gelegde feiten en hetgeen daarbij is overwogen, de deelneming aan een criminele organisatie volgt.

Deze criminele organisatie bestond onder meer uit: verdachte, [C], [S], [B], [O], [slachtoffer] en [R].

Dat de verdachten elkaar (reeds lang) kenden blijkt uit de verschillende afgelegde verklaringen:

[R] heeft verklaard dat zij vier à vijf jaar een relatie met [A] heeft gehad en dat zij [S] al vier à vijf jaar kent. Via [A] kent zij [C] (de rechtbank begrijpt: [C]) en [verdachte] (de rechtbank begrijpt: [verdachte]) kent zij ook, dat is een vriend van [A] .

[slachtoffer] heeft verklaard dat hij [A] en zijn vriendin [X] kent, dat hij sinds juni/juli 2006 telefonisch contact met [S] heeft en dat dit door [A] kwam. [C] kent hij ook en [B] ook, deze woont bij hem in de buurt .

[S] heeft verklaard dat hij [A], [R] en [C], S. Bali, [B] en [verdachte] kent .

[B] heeft verklaard dat hij [verdachte] en [A] kent.

Uit de verschillende tapgesprekken en verklaringen is gebleken dat [A] degene was die de opdrachten gaf en dat [verdachte] eveneens een (semi) leidinggevende rol vervulde. Dit hiërarchisch verband binnen deze criminele organisatie blijkt ook uit het volgende. Door [S] is verklaard dat hij handelde in opdracht van [A]. [O] heeft verklaard dat hij voor [A] drugs uit schoenen moest halen en in schoenen moest verstoppen en [R] moest voor [A] boodschappen aan mensen doorgeven . Deze opdrachten werden vervolgens klakkeloos uitgevoerd.

De rolverdeling tussen [A] en verdachte blijkt onder meer uit een tapgesprek, gevoerd tussen [C] (waarbij [C] belt met telefoonnummer [telefoonnummer 4]) en verdachte op 27 juni 2006. In dit gesprek wordt het volgende besproken:

“[verdachte] zegt dat hij zou vertellen wat hij met [A] heeft besproken en vraagt aan [C] of die nog weet wat hij heeft verteld. [J] heeft tegen [C] gezegd dat het geld daarheen is gegaan. [verdachte] zegt dat het geld nog hier is en dat er nog niets is gekocht. [verdachte] heeft tegen [A] gezegd dat ze eerst moeten kijken en verrekenen want op die manier als nu kan hij niet werken, er gebeurt teveel achter hem om. [verdachte] zegt dat [A] dingen/informatie achterhoudt. [verdachte] zegt dat hij zijn deel voor zichzelf wil hebben. Verder zouden ze gaan praten of ze verder gaan samenwerken en dat ze samenwerken of niet. [verdachte] zegt tegen [C] dat [A] tegen hem heeft gezegd dat zij samen zijn begonnen en dat ze samen door moeten gaan en geduld met elkaar moeten hebben. [verdachte] merkt op dat wat [A] heeft gezegd, dat ze niet willen scheiden maar door moeten gaan. [C] zegt dat dit wel verstandig is om naar hem te luisteren. [verdachte] moet geduld hebben tot alles weer gewoon is. Als [verdachte] besluit om met hem verder te gaan, moet er wel duidelijkheid komen en dan pas weer verder gaan. Anders wordt het rommelig en verlies je zaken. [C] zegt dat [verdachte] goed duidelijk met hem ([A]) moet bespreken. [C] zegt dat hij ([A]) niet [verdachte]’s baas is, maar dat ze gelijk zijn. Dus het is wel dom als hij ([A]) dingen gaat dicteren” . Uit het feit dat verdachte dit allemaal met [C] bespreekt, blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte zaaksinhoudelijk een vooraanstaande rol had dan wel mede als leider van de organisatie werd beschouwd.

Deze organisatie hield zich bezig met georganiseerde transporten van cocaïne vanuit Afrika naar Nederland door middel van geprepareerde schoenen en albums. De werkzaamheden daartoe bestonden uit het werven van koeriers, het regelen van tickets voor de koeriers, het van Schiphol ophalen van de koeriers en hun betaling en het afleveren, opslaan en verkopen van de cocaïne. Het verdiende geld werd vervolgens eveneens door middel van geprepareerde schoenen en albums door koeriers naar Afrika gesmokkeld.

Door de politie is zicht gekregen op zes drugstransporten in een periode van twee maanden.

Binnen de organisatie bestonden strenge regels en sancties. Dit blijkt ook uit de ernstige wederrechtelijke vrijheidsberovingen van [slachtoffer], die beschuldigd werd van het stelen van cocaïne van [B].

[O] heeft verklaard dat hij sinds 2005 en dit jaar geld of cocaïne uit schoenen haalt of erin stopt. Voorts heeft hij verklaard dat hij voor [A] drugs uit schoenen moest halen en ook drugs in schoenen moest verstoppen . Ook kreeg [O] de opdracht om de drugs te versnijden. Er werd hem verteld hoeveel het moest worden en dan werd het gemixt met een versnijdingsmiddel .

Door [slachtoffer] is verklaard dat [A] hem een paar keer heeft gevraagd of hij drugs wilde vervoeren. Hij weet ook dat [S] ([S]) en [A] ([A]) zich met drugshandel bezig hielden .

Door [B] is verklaard dat hij op verzoek van [A] uit Gambia een jongen van Schiphol heeft gehaald en dat hij van deze jongen vier of vijf paar schoenen heeft gekregen. [B] was belast met de betaling van € 4.200,00 aan degene die de schoenen meegaf .

Door de organisatie werden tickets voor de verschillende leden geregeld. Dit blijkt onder meer uit de volgende tapgesprekken. Op 06 juni 2006 vindt een telefoongesprek tussen [B] en [A] plaats. In dit gesprek wordt onder meer gezegd dat de schoenmaker ook weg wil en ook een ticket wil. De schoenmaker zou willen hebben dat zij het ticket betalen. schoenmaker zou een ticket hebben gezien voor € 1.800,00, [A] vond dat te duur. [A] zegt dat de schoenmaker een ticket moet kopen van Amsterdam naar Gambia . Op 8 juni 2006 belt verdachte naar [B]. [B] vraagt hoe ze het gaan doen met die drie tickets voor die twee jongens uit [plaats] en die jongen uit [plaats] . [B] belt op 9 juni 2006 met een onbekend gebleven persoon en vraagt hoe die jongen waarvoor het ticket moet worden gekocht heet .

Het met de verkoop van de cocaïne verdiende geld, werd naar [R] gebracht. [R] heeft verklaard dat [B], verdachte en [S] (grote) geldbedragen, te weten € 4.000,00, € 5.000,00 en € 10.000,00 bij haar in bewaring gaven en dat de jongens soms bij haar kwamen met een koffer of een grote tas. Het was laat in de avond als zo’n koffer of tas werd gebracht. Meestal kwamen ze de koffer of de tas de volgende dag ophalen. [A], verdachte en [S] ([R] bedoelt daarmee [S], zie hiertoe haar verklaring bij de rechter-commissaris d.d. 15 mei 2007) waren hierbij betrokken .

Het geld werd vervolgens op verschillende manieren naar [A] in Afrika gezonden. Dat gebeurde onder meer door het geld te verstoppen in schoenen. [O] heeft erkend dat hij geld in schoenen heeft verstopt en dat hij dat ook wel eens voor [C] heeft gedaan . Op 27 april 2006 werden [A] en verdachte aangehouden op luchthaven Zaventem te Brussel (België) om naar Sierra Leone te gaan met € 135.225,00 contant bij zich .

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen onder feit 1, feit 2 primair, feit 3, feit 4, feit 5, feit 6, feit 7 en feit 8 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

Zaakdossier DIA/ZA/09

hij op 23 mei 2006 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers heeft hij, verdachte, en zijn mededader opzettelijk wederrechtelijk

- terwijl die [slachtoffer] in een woning gelegen aan de [adres], kamer 4 was tegen die [slachtoffer] gezegd: “Jij moet hier wachten tot die mensen komen”, en

- vervolgens bij de deur van die woning gestaan en die [slachtoffer] gedurende ongeveer 8 uren verhinderd de woning te verlaten door die [slachtoffer] met geweld tegen te houden door hem tegen zijn onderlip te stompen en met kracht tegen een muur te duwen;

2.

Primair

Zaakdossier DIA/ZA/09

hij in de periode van 24 mei 2006 tot en met 25 mei 2006 te Utrecht en ‘s-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders

opzettelijk wederrechtelijk

- terwijl die [slachtoffer] hij zijn woning gelegen aan de [adres] stond die [slachtoffer] bij zijn schouder beetgepakt en vervolgens een pistool, (met de loop) tegen de nek van die [slachtoffer] gedrukt en gedrukt gehouden en

- tegen die [slachtoffer] gezegd: “Als je gaat rennen, dan schiet ik”, en

- die [slachtoffer] onder bedreiging van dat pistool, tegen de zin van die [slachtoffer] in, in een auto gezet en

- in die auto de loop van dat pistool tegen de buik van die [slachtoffer] gehouden en

- vervolgens tegen die [slachtoffer] gezegd dat hij met zijn hoofd op zijn benen moest gaan liggen en zijn ogen moest dichthouden en

- die [slachtoffer] tegen zijn zin in naar een woning gebracht en

- vervolgens de polsen en voeten van die [slachtoffer] met tape aan elkaar vastgebonden en

- die [slachtoffer] terwijl hij was vastgetaped in de badkamer van die woning neergelegd en

- de wanden van die badkamer met tape en plastic afgeplakt en

- meermalen een pistool tegen het hoofd van die [slachtoffer] gedrukt/gehouden en daarbij tegen die [slachtoffer] gezegd dat als hij “niet zou vertellen waar de stuf was”, dat hij dan “door zijn hoofd geschoten” zou worden, en

- die [slachtoffer] terwijl hij was vastgetaped neergezet in de woonkamer van die woning en die [slachtoffer] gedurende ongeveer een nacht tegen zijn zin in in de woning laten zitten en terwijl zijn mededaders in de onmiddellijke nabijheid van die [slachtoffer], twee pistolen bij zich hadden;

3.

Zaakdossier DIA/ZA/06

hij op 4 juli 2006 te Schiphol (gemeente Haarlemmermeer), tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 3471,43 gram cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij die wet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4.

Zaakdossier DIA/ZA/03

hij op 06 juni 2006 te Schiphol (gemeente Haarlemmermeer) en Amsterdam (Zuid-Oost), tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 5760 gram cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij die wet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die Wet;

5.

Zaakdossier DIA/ZA/04

hij op 13 juni 2006 te Schiphol (gemeente Haarlemmermeer), tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 4626,77 gram cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de hij die wet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die Wet;

6.

Zaakdossier DIA/ZA/15

hij op 22 januari 2006 te Brussel (België), tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft vervoerd, ongeveer 3155 gram cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die Wet;

7.

Zaakdossier DIA/ZA/15

hij op 12 mei 2006 te Brussel (België), tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft vervoerd, ongeveer 3773 gram cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die Wet;

8.

Zaakdossier DIA/ZA/10

hij in de periode van 01 mei 2006 tot en met 4 juli 2006 te Utrecht en Amsterdam (Zuid-Oost), heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een organisatie bestaande uit (in elk geval) hem, verdachte, en [C] en [S] en [B] en [O] en

[slachtoffer] en [R], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

het opzettelijk binnen het grondgebied brengen als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de opiumwet en verkopen en afleveren en vervoeren en bewerken van grote hoeveelheden cocaïne, zijnde cocaïne (telkens) een middel als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet (zoals bedoeld in artikel 2 onder A en B Opiumwet) en het (opzet- en/of schuld-)witwassen van (grote hoeveelheden) chartaal geld (zoals bedoeld in artikel 420bis en/of 420quater Wetboek van Strafrecht).

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

6 De strafbaarheid

6.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van feit 1 en feit 2 primair:

Telkens: medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

Ten aanzien van feit 3, feit 4 en feit 5:

Telkens: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, aanhef en onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Ten aanzien van feit 6 en feit 7:

Telkens: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, aanhef en onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Ten aanzien van feit 8:

Het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

6.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

7 De strafoplegging

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, met aftrek van het voorarrest en hetgeen hij in uitleveringsdetentie heeft doorgebracht.

7.2 Het standpunt van de verdediging

Primair heeft de verdediging vrijspraak bepleit van alle ten laste gelegde feiten. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat er sprake is van oudere feiten, verdachte een blanco strafblad heeft en een bijrol danwel ondergeschikte rol heeft gespeeld.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met zijn mededaders tot tweemaal toe schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving.

Nadat verdachte het slachtoffer eerst zelf tevergeefs het vuur na aan de schenen heeft gelegd, is het slachtoffer de volgende dag, nadat verdachte de persoon die men moest hebben aangewezen had door mededaders van de verdachte onder bedreiging van een vuurwapen meegenomen naar een woning in een andere plaats dan de woonplaats van het slachtoffer. Hij is daar meermalen met twee vuurwapens bedreigd. De polsen en voeten van het slachtoffer werden met tape vastgebonden en het slachtoffer is op de vloer van een badkamer gelegd waarvan de wanden rondom met zwart plastic waren afgeplakt. Twee van de drie daders trokken een overall aan en het slachtoffer werd meerdere keren een pistool tegen het hoofd gezet. Dit is voor het slachtoffer uitermate beangstigend en bedreigend geweest. Hij moet het gevoel gehad hebben dat zijn executie nabij was. Het slachtoffer heeft verklaard dat hij van angst meermalen in zijn broek heeft geplast.

De manier waarop de bedreiging heeft plaatsgevonden merkt de rechtbank aan als professioneel.

Tevens is bewezen verklaard dat verdachte zich in een korte periode driemaal heeft schuldig gemaakt aan de invoer van een grote hoeveelheid cocaïne in Nederland en tweemaal aan vervoer van een grote hoeveelheid cocaïne in België. In totaal ging het om de invoer van ruim 13.858 gram en het om de vervoer van 6.928 gram cocaïne.

Verdachte heeft bovendien deelgenomen aan een professionele organisatie die zich op geraffineerde wijze zeker zes maal schuldig heeft gemaakt aan het invoeren, bewerken en verkopen van omvangrijke hoeveelheden cocaïne. Er werd daarbij gebruik gemaakt van verschillende koeriers, die de cocaïne vanuit Afrika vervoerden in geprepareerde schoenen en albums. Tevens hield deze organisatie zich bezig met het witwassen van de opbrengsten van de cocaïne. Deze bedragen werden - eveneens in geprepareerde schoenen -getransporteerd naar Afrika.

Verdachte vervulde binnen de organisatie een prominente rol. Verdachte onderhield veelvuldige telefonische contacten met [A], een van de opdrachtgevers in Afrika, en fungeerde daarmee als zijn verlengstuk in Nederland. Hij gaf namens [A] opdrachten door aan andere leden van de organisatie, waaronder de schoenmaker [O], die de ingevoerde cocaïne uit de schoenen haalde en er geld in verborg. Bovendien was verdachte betrokken bij het afhalen van verschillende drugskoeriers, hij kocht hun tickets en betaalde hen voor hun diensten. De rechtbank beschouwt verdachte dan ook als een van de leidende figuren binnen de organisatie.

Cocaïne levert, eenmaal in handen van gebruikers, grote gevaren op voor de gezondheid van die gebruikers. Omdat het gebruik van cocaïne kostbaar is en de verslaving leidt tot toenemend gebruik, nemen verslaafden vaak hun toevlucht tot criminele activiteiten om hun gebruik te bekostigen, waardoor aan de samenleving ernstige schade wordt berokkend.

Algemeen bekend is dat in drugsgerelateerde criminaliteit aanzienlijke bedragen omgaan en dat er enorme winsten worden gemaakt, getuige ook de aanzienlijke geldbedragen die bij de verschillende deelnemers aan de organisatie zijn gevonden. De opbrengst kwam via witwaspraktijken van de criminele organisatie, hetzij in Nederland hetzij in Afrika, weer terecht in het gewone betalingsverkeer. Deze vermenging van crimineel geld met legaal geld ontwricht het economisch evenwicht in de samenleving.

Het misdadige handelen van verdachte en zijn mededaders schaadt bovendien het aanzien van Nederland in het buitenland.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest in Nederland.

De rechtbank zal er bij de op te leggen straf geen rekening mee houden dat de feiten in 2006 hebben plaatsgevonden. De verblijfplaats van verdachte was medio 2006 onbekend en verdachte stond ook sinds medio 2006 internationaal gesignaleerd. Uiteindelijk is verdachte op 31 augustus 2009 gearresteerd op het vliegveld te Genève (Zwitserland).

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47, 57, 140 en 282 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

ten aanzien van feit 1 en feit 2 primair:

Telkens: medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden;

ten aanzien van feit 3, feit 4 en feit 5:

Telkens: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, aanhef en onder A van de Opiumwet gegeven verbod;

ten aanzien van feit 6 en feit 7:

Telkens: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, aanhef en onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

ten aanzien van feit 8:

Het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 jaren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf, alsmede de tijd welke verdachte ingevolge het uitleveringsverzoek in Zwitserland in detentie heeft doorgebracht, te rekenen vanaf 31 augustus 2009.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Perrick, voorzitter, mr. M.P. Gerrits-Janssens en

mr. R.C. Hartendorp, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. van Beek, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 21 mei 2010.

Mr. Perrick is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.