Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BM8777

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
12-04-2010
Datum publicatie
23-06-2010
Zaaknummer
16/601349-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voorhanden hebben van een gas-alarmpistool, vuurwapen categorie III WWM. Oplegging ISD.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/601349-09, 16/601288-08 (tul) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 12 april 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1983] te [geboorteplaats]

zonder bekende woon- of verblijfplaats

thans gedetineerd in het PPC te Amsterdam

raadsman mr. J.P.W. Nijboer, advocaat te Utrecht

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 29 maart 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

een gas-alarm pistool voorhanden heeft gehad, dan wel heeft gedragen.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en baseert zich daarbij op de verklaring van verdachte, de verklaringen van getuigen en het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot het onderzoek van het pistool.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat slechts kan worden bewezen het voorhanden hebben van het vuurwapen en niet het dragen daarvan, nu verdachte het vuurwapen alleen op het terrein van [naam] bij zich heeft gehad. Verder merkt de verdediging op dat er een discrepantie zit tussen de op de dagvaarding vermeldde wetsartikelen en de tekst van de tenlastelegging. In plaats van artikel 55 lid 3 aanhef en onder b Wet Wapens en Munitie dient te worden vermeld artikel 55 lid 3 aanhef en onder a Wet Wapens en Munitie. Tot slot merkt de verdediging op dat nu zowel verdachte als de deskundige heeft verklaard dat het inbeslaggenomen pistool niet functioneerde, de vraag rijst of het bezit daarvan wel strafbaar is. Voor het overige refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en baseert zich daarbij op het volgende.

Aangeefster [aangever 1] heeft verklaard dat zij zag dat verdachte op 19 december 2009 te Den Dolder een vuurwapen in zijn hand had. Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaring van getuige [getuige], dat verdachte het wapen die dag aan hem heeft overhandigd.

Verdachte heeft verklaard dat hij het voornoemde wapen op 18 december 2009 te Utrecht van iemand heeft gehad. Verdachte heeft het pistool aangepakt en meegenomen naar zijn verblijfsadres te Den Dolder.

Uit onderzoek door de politie blijkt dat het gaat om een gas-alarmpistool, merk Walther, model P88-9. Het voorwerp is geschikt om weerloosmakende of traanverwekkende stoffen door een loop af te schieten. De werking van het voorwerp berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing. Derhalve is dit pistool een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2 lid 1 categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie. Het vuurwapen functioneerde, door een de politie onbekend gebleven reden, niet.

De verdediging heeft aangevoerd dat het pistool niet functioneerde. De rechtbank overweegt dat de verbodsbepaling in artikel 26 eerste lid van de Wet Wapens en Munitie (wapens van de categorieën II en III) niet vereist dat sprake is van een werkend wapen. Het gegeven dat het vuurwapen niet werkte, doet aan de bestemming van het wapen als zodanig niets af. Onder omstandigheden kan vrijstelling of ontheffing worden verleend voor een wapen dat niet voor gebruik als zodanig geschikt te maken is. Van een dergelijke vrijstelling of ontheffing is in deze zaak echter geen sprake, terwijl evenmin gebleken is dat hiet sprake is van een wapen dat niet voor gebruik als zodanig geschikt te maken is.

De rechtbank overweegt dat verdachte voornoemd wapen zowel voorhanden heeft gehad als heeft gedragen op 18 en 19 december 2009 en acht het tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op of omstreeks 19 december 2009 te Den Dolder, gemeente Zeist, een vuurwapen van categorie III, te weten een gas-alarmpistool (merk Walther, model P88-9), voorhanden heeft gehad en heeft gedragen.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna te noemen ISD) voor de duur van twee jaar. De officier acht daarbij een tussentijdse toetsing na 6 of 9 maanden noodzakelijk. De officier van justitie is van mening dat aan alle wettelijke vereisten is voldaan en dat ISD de meest passende maatregel is. Nadat het vonnis is gewezen kan worden gekeken naar een passende behandelinrichting en kan het NIFP een indicatie afgeven.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van oordeel dat de ISD-maatregel niet dient te worden opgelegd. Ten eerste verzet verdachte zich daartegen. Hij wil zo spoedig mogelijk een zekere mate van vrijheid. Ten tweede heeft de officier van justitie onvoldoende onderbouwd dat de ISD-maatregel bij uitstek hét traject is dat moet worden gevolgd. Er is geen plan van aanpak en het is onduidelijk hoe lang het zal duren voordat verdachte terecht kan in Hoeve Boschoord. De verdediging acht het passender een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, waarbij het onvoorwaardelijke deel van de straf even hoog is als het door verdachte ondergane voorarrest, met daarbij de bijzondere voorwaarde van verplicht reclasseringstoezicht. Ook op die manier is het mogelijk om verdachte in een hulpverleningsinstelling te plaatsen. Heiloo lijkt naar de mening van de verdediging de beste optie te zijn. Daar kan hij waarschijnlijk ook het snelst terecht.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben en dragen van een vuurwapen. De rechtbank acht dit, zeker gezien de gevaren hiervan, zeer ernstig.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het psychologisch rapport van 2 maart 2010, opgesteld door T.E.G.A. Oosterhof (psycholoog), het Reclasseringsadvies van 22 maart 2010, opgesteld door A. Schreurs (reclasseringswerker) en strafblad van de verdachte waarop eerdere veroordelingen staan.

Verder heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in vergelijkbare gevallen door de rechtbank worden opgelegd.

Door de officier van justitie is de ISD-maatregel gevorderd. De rechtbank zal echter niet overgaan tot oplegging van voornoemde maatregel en overweegt daartoe het volgende.

De rechtbank overweegt dat het beleid ten aanzien van meerderjarige stelselmatige daders erop is gericht het crimineel gedrag feitelijk onmogelijk te maken door middel van langdurige vrijheidsbeneming, als maatregel opgelegd. Tegelijkertijd biedt langdurige vrijheidsbeneming de mogelijkheid om, als er aanknopingspunten zijn voor gedragsverandering, daarmee het risico van recidive te beperken. De rechtbank is van oordeel dat het doel van de ISD-maatregel niet in de eerste plaats is gericht op de problematiek van verdachte. Die is blijkens het psychologisch rapport en het reclasseringsadvies zeer complex en de rechtbank verwacht dan ook niet dat de behandeling van verdachte binnen twee jaar zal zijn afgerond. Blijkens de rapporten heeft verdachte al vanaf jonge leeftijd gedragsproblemen, is hij zwakbegaafd en heeft hij meerdere persoonlijkheidsstoornissen. Daarbij komt dat de opvattingen van de ter terechtzitting van 29 maart 2010 gehoorde getuigen-deskundigen A. Schreurs (reclasseringswerker) en M.S. Arends (zorgcoördinator), met name met betrekking tot een geschikte behandelplaats, niet gelijkluidend zijn en dat er geen concreet behandelplan is. De rechtbank is van oordeel dat er voor de behandeling van verdachte voldoende alternatieven te vinden zijn in de reguliere geestelijke gezondheidszorg. De rechtbank neemt daarbij mede in overweging dat verdachte reeds een Rechterlijke Machtiging heeft en dat deze kan worden verlengd.

De rechtbank acht het echter wel van belang dat verdachte in een verplicht kader wordt begeleid. De rechtbank acht daartoe een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringstoezicht passend en noodzakelijk.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een gevangenisstaf van 155 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en als bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringstoezicht, passend en geboden. Dit om de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst nieuwe strafbare feiten te plegen. De rechtbank is van oordeel dat met deze straf, die anders is dan door de officier van justitie is gevorderd, voldoende recht wordt gedaan aan de ernst van de onderhavige zaak en de persoon van de verdachte.

7. Het beslag

7.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd het inbeslaggenomen voorwerp, het gas-alarm pistool (merk Walther, model P88-9), te onttrekken aan het verkeer.

7.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het inbeslaggenomen voorwerp, het gas-alarm pistool (merk Walther, model P88-9), vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

Gebleken is dat het feit is begaan met betrekking tot dit voorwerp. Verder is het voorwerp van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

8. De vordering tot tenuitvoerlegging

8.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat, indien de rechtbank geen ISD-maatregel aan verdachte oplegt, de voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van 24 februari 2009 ten uitvoer zal worden gelegd.

8.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de vordering tot tenuitvoerlegging dient te worden afgewezen. Verdachte zit momenteel al lang in voorlopige hechtenis. Wanneer de vordering wordt tenuitvoergelegd, wordt het totaalpakket aan straffen te groot.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

9. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14g, 36b en 36c van het Wetboek van Strafrecht en artikel 55 van de Wet Wapens en Munitie zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 155 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland, zolang deze instelling dat nodig vindt;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarde;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van de opgelegde straf;

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer het inbeslaggenomen voorwerp, te weten: het gas-alarm pistool (merk Walther, model P88-9);

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis d.d. 24 februari 2009 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 16/601288-08 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een gevangenisstraf van 2 maanden;

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Schukking, voorzitter, mr. L.M.G. de Weerd en mr. M.S. Koppert, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.C. de Vries, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 12 april 2010.