Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BM8584

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
04-05-2010
Datum publicatie
22-06-2010
Zaaknummer
16/600072-10 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezen is verklaard dat de verdachte meermalen een medewerker van de Regionale Sociale Recherche Dienst (telefonisch) heeft bedreigd met brandstichting. Daarnaast heeft hij een politieagent ernstig mishandeld. Door op deze wijze te handelen, heeft verdachte bij verschillende slachtoffers die werkzaam zijn in een publieke functie, schade en gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 weken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600072-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 4 mei 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1970] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

verblijvende in de PI Utrecht –HvB locatie Nieuwegein, Nieuwegein.

raadsman mr. M.C. Vermeul, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 20 april 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: heeft geprobeerd [verbalisant 1] (hoofdagent van politie Utrecht) zwaar lichamelijk letsel toe te brengen dan wel [verbalisant 1] heeft mishandeld;

Feiten 2 en 3: [getuige 1] heeft bedreigd met brandstichting.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder

1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is het met de officier van justitie eens dat de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1 primair:

Evenals de officier van justitie en de verdediging, acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 20 april 2010;

- het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] ;

- de geneeskundige verklaring letselbeschrijving .

Ten aanzien van de feiten 2 en 3:

Evenals de officier van justitie en de verdediging, acht de rechtbank deze feiten wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 20 april 2010;

- de verklaring van getuige [getuige 1] ;

- de aangifte van [aangever] ;

- de verklaring van getuige [getuige 2] .

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

Primair

op 19 januari 2010 in Zeist, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [verbalisant 1] (hoofdagent van politie Utrecht) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (met kracht) een kopstoot heeft gegeven tegen het gezicht van voornoemde [verbalisant 1], zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

2.

op 08 januari 2010 te Zeist en te Bilthoven, [getuige 1] (medewerker Regionale Sociale Recherche Dienst) (telefonisch) heeft bedreigd met brandstichting, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [getuige 1] dreigend de woorden toegevoegd: "Als ik mijn geld niet meer krijg, dan steek ik de hele kankerboel in de fik";

3.

op 11 januari 2010 te Zeist en Bilthoven, [getuige 1] (medewerker Regionale Sociale Recherche Dienst) heeft bedreigd met brandstichting, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [getuige 1] ((telefonisch) (via [aangever], tevens medewerker Regionale Recherche Dienst) dreigend de woorden toegevoegd: "als

die duizend euro niet binnen drie dagen op mijn rekening staat, dan steek ik het gebouw in de fik".

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1 primair: poging tot zware mishandeling.

Feiten 2 en 3: telkens, bedreiging met brandstichting.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 20 weken, waarvan 5 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en aftrek van het voorarrest.

De officier van justitie heeft voorts verzocht de vordering van de benadeelde partij, te weten van [verbalisant 1], ad. € 350,00 toe te wijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

6.2 Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de vordering van de officier van justitie (te weten een gevangenisstraf van 20 weken waarvan 5 weken voorwaardelijk), heeft de raadsman aangegeven een onvoorwaardelijk gevangenisstraf voor de duur van 15 weken redelijk te achten; het voorwaardelijke deel zou volgens de raadsman achterwege gelaten dienen te worden.

Voorts heeft de raadsman verzocht de vordering van de benadeelde partij te matigen c.q. te bepalen dat zijn cliënt het toe te wijzen bedrag in termijnen kan betalen.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Bewezen is verklaard dat de verdachte meermalen een medewerker van de Regionale Sociale Recherche Dienst (telefonisch) heeft bedreigd met brandstichting. Daarnaast heeft hij een politieagent ernstig mishandeld. Door op deze wijze te handelen, heeft verdachte bij verschillende slachtoffers die werkzaam zijn in een publieke functie, schade en gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt.

Wat betreft de persoon heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 12 maart 2010, waaruit blijkt dat verdachte reeds eerder is veroordeeld voor het plegen van andere en soortgelijke feiten;

- een brief van Reclassering Nederland d.d. 2 maart 2010 waaruit blijkt dat op 1 maart 2010 rapporteur mevrouw A. Balfoort naar PI Nieuwegein is gegaan voor een gesprek met betrokkene, maar dat betrokkene heeft doorgegeven aan de bewaarder niet mee te willen werken aan een reclasseringsadvies.

De rechtbank is van oordeel dat de bewezen verklaarde feiten in beginsel een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf rechtvaardigen, waarbij zij een gevangenisstraf van 15 weken passend acht. Verdachte heeft ter zitting onder meer verklaard dat hij opgepakt wilde worden om aandacht te vragen voor zijn problemen en om zijn boosheid tegen de maatschappij te uiten. Mede hierom ziet de rechtbank geen aanleiding om een gedeelte van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [verbalisant 1] vordert een schadevergoeding van € 350,00 voor feit 1.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 45, 57, 285 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart de tenlastegelegde feiten bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 primair: poging tot zware mishandeling;

feiten 2 en 3: telkens, bedreiging met brandstichting;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 weken;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- heft het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van de opgelegde vrijheidsstraf;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [verbalisant 1] van

€ 350,00 ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf het moment van het ontstaan van de schade (19 januari 2010) tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [verbalisant 1], € 350,00 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 7 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.L. Schoenmakers, voorzitter, mrs. A. Wassing en

A. van Maanen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. V. Soeteman, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 4 mei 2010.

Mr. Schoenmakers is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.