Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BM8138

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
26-04-2010
Datum publicatie
17-06-2010
Zaaknummer
16-445075-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afbeeldingen met onder andere 'Burn the church' vallen niet onder art. 137c, maar 137d van het Wetboek van Strafrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2010/231
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/445075-09 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 26 april 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1986] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], [woonadres]

raadsvrouwe mr. P. Minkes, advocaat te Amstelveen

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is door de politierechter behandeld op de terechtzitting van 29 januari 2010. Na sluiting van het onderzoek heeft de politierechter bij schriftelijk vonnis van 12 februari 2010 het onderzoek heropend en de zaak overeenkomstig artikel 369 van het Wetboek van Strafvordering verwezen naar de Meervoudige Kamer. Het onderzoek is vervolgens door de Meervoudige Kamer opnieuw aangevangen op de terechtzitting van 12 april 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair: middels posters een groep mensen, te weten christenen, heeft beledigd;

subsidiair: middels posters heeft aangezet tot haat, discriminatie of gewelddadig optreden.

3. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De verdediging heeft aangevoerd dat de officier van justitie, door verdachte te vervolgen, in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel en om die reden niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de zaak van verdachte vergelijkbaar is met de zaak tegen [naam]. Die zaak heeft de officier van justitie geseponeerd omdat kritiek op een godsdienst niet onder het discriminatieverbod van artikel 137c Wetboek van Strafrecht zou vallen, tenzij hierbij tevens beledigende conclusies worden getrokken over aanhangers van die godsdienst. Zowel in de zaak van verdachte als in de zaak van [naam] gaat het naar de mening van de verdediging om het antwoord op de vraag of de uitlatingen zijn gericht tegen het geloof of tegen de gelovigen.

De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie niet heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank overweegt hiertoe dat het enkele feit dat hetzelfde strafbare feit is ten laste gelegd niet meebrengt dat het om een gelijke zaak gaat. Daarbij komt dat het in de zaak tegen verdachte uitingen betreft die, qua inhoud en vorm, verschillen met die aan de orde zijn in de zaak tegen [naam], en dat ook de context waarbinnen de uitingen zijn gedaan, niet vergelijkbaar is. Andere redenen die tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie zouden moeten leiden, zijn de rechtbank niet gebleken. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer en zal de officier van justitie ontvankelijk verklaren in de vervolging van verdachte.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht onvoldoende wettig bewijs aanwezig om tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit te komen, nu het niet gaat om discriminatie van een groep mensen.

De officier van justitie acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan en baseert zich daarbij op de verklaring van verdachte en de aangetroffen posters. Verdachte heeft aangezet tot gewelddadig optreden tegen goederen van mensen, vanwege hun godsdienst. Verdachte heeft verschillende afbeeldingen achter het raam van zijn woning opgehangen, waaronder een poster met een tekening van een kerk omringd door vlammen, met daarbij de woorden ‘burn the’, een plaatje met daarop een christelijk kruis met daarachter een ‘is gelijk aan’ teken, gevolgd door een hakenkruis, en twee afbeeldingen waarop zichtbaar een christelijk kruis met daarover een zogenoemd verbodsteken, met het bijschrift 'Bad Religion'. Met het ophangen van de tekening die oproept tot het in brand steken van een kerk, omringd door andere afbeeldingen die weergeven dat het christendom een slechte religie is en gelijk staat aan het Nazisme, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat anderen door zijn uitlatingen tot gewelddadig optreden worden bewogen.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken zowel van het primair als het subsidiair ten laste gelegde feit.

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde feit wijst de verdediging daarbij op jurisprudentie van de Hoge Raad, waaruit volgt dat het discriminatieverbod van artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht een beperkte reikwijdte heeft en enkel ziet op belediging van een groep personen vanwege – onder meer – hun godsdienst. Bespotting van bepaalde christelijke symbolen of heilige figuren valt niet onder voornoemd verbod. Verder betoogt de verdediging dat het volgens de Hoge Raad ook van belang is om de intentie en de achtergrond van de uitlatingen te betrekken bij de beoordeling of er sprake is geweest van belediging. Met het ophangen van de ter discussie staande posters heeft verdachte zijn mening over het instituut van de kerk willen uiten. Verdachte heeft niet de intentie gehad om christenen te beledigen.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit voert de verdediging aan dat het ook in geval van artikel 137d van het Wetboek van Strafvordering dient te gaan om personen. Zoals eerder door de verdediging aangevoerd richtte verdachte zich enkel tot het instituut van de kerk en niet tegen de christenen. Het ophangen van de betwiste posters kan daarom niet worden aangemerkt als aanzetten tot haat, discriminatie of geweld. De poster met daarop ‘burn the’ met daarbij een getekende kerk is een symbolische afbeelding, een veel voorkomende manier om aan te geven dat je het ergens niet mee eens bent. Dit wordt ondersteund door de andere afbeeldingen.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak

De rechtbank spreekt de verdachte vrij van het primair ten laste gelegde feit en overweegt daartoe dat, hoewel vaststaat dat verdachte de ten laste gelegde afbeeldingen op een voor het publiek zichtbare plaats heeft opgehangen, niet kan worden bewezen dat verdachte zich met deze posters beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen vanwege hun godsdienst. De rechtbank verwijst daarbij naar een uitspraak van de Hoge Raad van 10 maart 2009 waaruit volgt dat artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht het zich beledigend uitlaten over een groep mensen vanwege hun godsdienst strafbaar stelt, doch niet het zich beledigend uitlaten over een godsdienst, ook niet als dit geschied op zo’n wijze dat de aanhangers van die godsdienst daardoor in hun gevoelens worden gekrenkt. De enkele omstandigheid dat grievende uitlatingen over een godsdienst ook de aanhangers van die godsdienst krenken is niet voldoende om die uitlating gelijk te kunnen stellen met de uitlatingen over de aanhangers, aldus de Hoge Raad. De symbolen en tekst op de afbeeldingen verwijzen niet naar de aanhangers van het christelijke geloof, maar hebben uitsluitend betrekking op de christelijke godsdienst.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan en overweegt daartoe het volgende.

Op 8 april 2009 zagen twee verbalisanten vanaf de straat een aantal tekeningen en een poster achter meerdere ramen van de woning aan de [adres] te Mijdrecht hangen.

In het dossier bevinden zich foto’s van een aantal van die posters en tekeningen:

- een tekening met daarop een christelijk kruis, gevolgd door een zogenoemd 'is gelijk aan teken', gevolgd door een hakenkruis, en

- een tekening met daarop een brandend kerkgebouw, met het bijschrift 'burn the', en

- twee afbeeldingen waarop zichtbaar een christelijk kruis met daarover een zogenoemd verbodsteken, met het bijschrift 'Bad Religion'.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 12 april 2010 bekend dat hij de in de tenlastelegging genoemde afbeeldingen heeft opgehangen achter meerdere ramen van het huis waarin hij woont. Verdachte heeft verklaard dat hij het voor een ieder zichtbaar had opgehangen om anderen te vertellen dat het instituut van de christelijke kerk naar zijn mening moet ophouden te bestaan.

De rechtbank overweegt dat verdachte door het voor het publiek op een zichtbare plaats ophangen van de ten laste gelegde afbeeldingen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat anderen deze afbeeldingen konden opvatten als een aansporing om een kerk in brand te steken. De afbeelding van een door vlammen omringd kerkgebouw met het bijschrift ‘burn the’ staat daarbij centraal. De andere afbeeldingen, die tot uitdrukking brengen dat het christelijke geloof slecht is en verboden moet worden, boden een ondersteuning voor die oproep. Verdachte heeft weliswaar verklaard dat het niet zijn bedoeling was dat anderen een kerk in brand zouden steken, maar hij heeft ook verklaard dat hem bekend is dat satanisten in andere landen, waaronder Noorwegen en de Verenigde Staten, wel kerken in brand hebben gestoken. De rechtbank acht onder deze omstandigheden bewezen dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat bepaalde personen of groepen van personen in de maatschappij in de afbeeldingen van verdachte een aansporing zien om een kerk in brand te steken. De rechtbank verwerpt, gelet op het vorenstaande, het verweer van de verdediging dat de afbeelding van de brandende kerk als louter symbolisch moet worden opgevat en komt tot de conclusie dat verdachte met het ophangen van eerdergenoemde afbeeldingen heeft aangezet tot gewelddadig optreden tegen een goed van mensen wegens hun godsdienst, te weten de kerk.

Voor de beantwoording van de vraag of bij het onderhavige feit sprake is van het aanzetten tot gewelddadig optreden in de zin van artikel 137d Wetboek van Strafrecht, moet niet alleen de tekst of de afbeelding op zichzelf beschouwd beoordeeld worden. Immers, het artikel vormt een wettelijke uitzondering op het grondrecht van vrijheid van meningsuiting, zoals verankerd in onder meer artikel 10 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: het EVRM).

Het toetsingskader van artikel 10 EVRM

Artikel 10 EVRM beschermt de vrijheid van meningsuiting. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) heeft een uitvoerige rechtspraak ontwikkeld met betrekking tot de verschillende aspecten van artikel 10 EVRM. Het EHRM heeft daarin benadrukt dat de vrijheid van meningsuiting één van de essentiële fundamenten van de democratische rechtsstaat vormt en tevens een voorwaarde voor haar ontwikkeling als geheel en voor de ontwikkeling van de individuen binnen die rechtstaat.

Artikel 10 EVRM beschermt ook informatie of ideeën die ‘offend, shock or disturb’, maar bevat geen absoluut recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht, als gegarandeerd in het eerste lid van artikel 10 EVRM, kan immers ingevolge het tweede lid van deze bepaling worden onderworpen aan: ‘bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen’.

De term ‘noodzakelijk’ houdt in dat er een dringende maatschappelijke noodzaak moet zijn voor zodanige beperking. De rechter moet daarbij de zaak als geheel tegen het licht houden en acht slaan op de inhoud van de bestreden bewoordingen of afbeeldingen en de context waarin deze werden gebruikt. Hij zal moeten vaststellen of de tussenkomst van de autoriteiten proportioneel was in relatie tot de legitieme doelstellingen van de beperking van de vrijheid van meningsuiting. In dat kader is van belang dat het EHRM in zijn rechtspraak heeft beklemtoond dat tolerantie en respect voor de menselijke waardigheid fundamentele waarden zijn in een democratische en pluralistische samenleving, reden waarom het noodzakelijk kan zijn om sanctionerend of zelfs verbiedend op te treden tegen het propageren, aanzetten of rechtvaardigen van haat (waaronder begrepen ‘religieuze haat’) gebaseerd op onverdraagzaamheid. Aan de nationale rechter komt bij deze toetsing een beoordelingsmarge toe.

Beoordeling onderhavige geval

In het onderhavige geval is voldaan aan het in het tweede lid van artikel 10 EVRM gestelde vereiste dat de (mogelijke) beperking is voorzien bij wet. Daarnaast dient een mogelijke veroordeling van verdachte in elk geval een aantal van de in het tweede lid van artikel 10 EVRM opgenomen doelen, te weten de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, het belang van de openbare veiligheid en het voorkomen van strafbare feiten. Dat betekent dat te deze de vraag moet worden beantwoord of de inbreuk op de vrijheid van meningsuiting in de vorm van een strafrechtelijke veroordeling noodzakelijk is in een democratische samenleving.

De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. De rechtbank acht daartoe van belang dat verdachte de afbeeldingen welbewust heeft aangebracht achter ramen die voor het publiek zichtbaar waren. Door anderen kunnen deze afbeeldingen worden opvat als een aansporing om een kerk in brand te steken. De afbeeldingen druisen in tegen de waarden die worden uitgedragen en beschermd door het EVRM, namelijk tolerantie en verdraagzaamheid en leveren geen bijdrage aan het publieke debat of maatschappelijke kwestie.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat de inbreuk op het recht op vrijheid van meningsuiting van verdachte door vervolging terecht is gemaakt en noodzakelijk is geweest in een democratische samenleving ter bescherming van de gerechtvaardigde (grond) rechten van anderen. Niet aannemelijk is dat dit voldoende op een andere wijze dan door middel van strafrechtelijk ingrijpen kon worden gerealiseerd. De rechtbank is op voormelde gronden van oordeel dat artikel 10 EVRM niet is geschonden.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 8 april 2009 te Mijdrecht, gemeente Ronde Venen in het openbaar, bij afbeelding heeft aangezet tot gewelddadig optreden tegen een goed van mensen, te weten een kerkgebouw, wegens hun godsdienst, door voor een aantal ramen ten toon te spreiden:

- een tekening met daarop een Christelijk kruis, gevolgd door een zogenoemd 'is gelijk aan teken', gevolgd door een hakenkruis, en

- een tekening met daarop een kerkgebouw, met het bijschrift 'burn the', en

- een aantal posters waarop zichtbaar een Christelijk kruis met daarover een zogenoemd verbodsteken, met het bijschrift 'Bad Religion'.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

In het openbaar bij afbeelding aanzetten tot gewelddadig optreden tegen goed van mensen wegens hun godsdienst.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een geheel voorwaardelijke geldboete van € 250,00 met een proeftijd van twee jaar.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat, indien de rechtbank tot een veroordeling komt, kan worden volstaan met een lagere geldboete dan door de officier van justitie is geëist. De verdediging verzoekt de rechtbank bij de strafoplegging rekening te houden met het gegeven dat het om een relatief eenvoudige zaak gaat, dat verdachte hiervoor tweemaal voor de rechter moest verschijnen en dat de officier van justitie uiteindelijk vrijspraak heeft gevraagd voor het feit waarvoor de zaak naar de meervoudige kamer is verwezen.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft door het ophangen van de betreffende afbeeldingen op de koop toegenomen dat anderen zijn uitlatingen letterlijk zouden opvatten, met alle mogelijke gevolgen van dien. De rechtbank acht dit onacceptabel en rekent dit verdachte aan.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op strafblad van de verdachte waarop enkele eerdere, maar andersoortige, veroordelingen staan.

Alles afwegend komt de rechtbank tot de conclusie dat een geheel voorwaardelijke geldboete van € 250,00 een passende sanctie is. Hierbij heeft de rechtbank rekening gehouden met de beperkte draagkracht van verdachte. Deze voorwaardelijke geldboete dient als stok achter de deur om verdachte in de toekomst te weerhouden van het plegen van soortgelijke feiten.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 137d van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het primair ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

in het openbaar bij afbeelding aanzetten tot gewelddadig optreden tegen goed van mensen wegens hun godsdienst;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 250,00 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- beveelt dat bij niet betaling van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 5 dagen;

- bepaalt dat deze geldboete niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Schukking, voorzitter, mr. R.P. den Otter en mr. L.M.G. de Weerd, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.C. de Vries, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 26 april 2010.