Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BM8021

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
11-06-2010
Datum publicatie
16-06-2010
Zaaknummer
16/446256-09 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

valsheid in geschrift, witwassen, bedreiging en beschadiging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/446256-09 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 11 juni 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1962] te [geboorteplaats] en[geboorteplaats],

wonende te [woonplaats] ter Heide, [adres].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2010. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. R.D.A. van Boom.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van de standpunten door de raadsman van verdachte en door verdachte zelf naar voren gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift, witwassen dan wel schuldwitwassen, beschadiging van een auto en bedreiging van de bestuurder van die auto.

Voluit luidt de tenlastelegging tegen de verdachte, dat:

1.

hij op of omstreeks 13 april 2005 te Kockengen, althans te Huis ter Heide,

gemeente Zeist, althans in het arrondissement Utrecht, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een akte van

geldlening - zijnde (telkens) (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om

tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst,

immers heeft/hebben verdachte en/of een of meer mededader(s) opzettelijk

valselijk in die akte van geldlening als debiteur vermeld [bedrijf 1], zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt

en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

en/of

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2005 tot

en met 31 augustus 2005 te De Bilt, althans te Huis ter Heide, gemeente Zeist,

althans in het arrondissement Utrecht, althans in Nederland, tezamen en in

vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een of meer faktu(u)r(en) -

zijnde (telkens) (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs

van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers

heeft/hebben verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) opzettelijk een

of meer faktu(u)r(en) opgemaakt waarop vermeld stond "voor u verrichte

werkzaamheden", zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst

te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

2.

Primair

hij in of omstreeks de periode van 01 tot en met 30 juni 2005, te De Bilt

en/of te Huis ter Heide, gemeente Zeist, althans in het arrondissement

Utrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en)

een voorwerp, te weten een bedrag groot 100.000 (honderdduizend) euro, heeft

verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, terwijl

hij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig

was uit enig misdrijf;

Subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 01 tot en met 30 juni 2005, te De Bilt

en/of te Huis ter Heide, gemeente Zeist, althans in het arrondissement

Utrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en)

een voorwerp, te weten een bedrag groot 100.000 (honderdduizend) euro, heeft

verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, terwijl

hij redelijkerwijs moest vermoeden dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk

of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

3.

hij op of omstreeks 21 september 2008 te Zeist opzettelijk en wederrechtelijk

een personenauto, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

heeft vernield en / of beschadigd en / of onbruikbaar gemaakt, door toen

aldaar opzettelijk en wederrechtelijk op en/of tegen die personenauto te slaan

en/of stompen en/of trappen;

4.

hij op of omstreeks 21 september 2008 te Zeist, althans in het arrondissement

Utrecht, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven

gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk

voornoemde[slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd :"Stap uit je auto,

durf je dan ook nog, ik sla je kapot" en/of "Stap maar uit. Dan verbouw ik je

kankerkop", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde feiten.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en heeft vrijspraak bepleit. Daartoe heeft de verdediging met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde aangevoerd dat niet vastgesteld kan worden door wie en wanneer de akte van geldlening is opgemaakt; dit is in ieder geval niet op 13 april 2005 geweest nu in de akte is opgenomen dat er op 1 juni 2005 gelden ter leen zijn genomen en zijn ontvangen. Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat het aannemelijk is dat er met betrekking tot de facturen miscommunicatie is geweest, maar dat het oogmerk van misleiding van derden niet valt te bewijzen.

Voor wat betreft het onder 2 tenlastegelegde heeft de verdediging aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat het geldbedrag van misdrijf afkomstig is. Uit overgelegde informatie blijkt dat de leningverstrekker over substantiële geldbedragen kon beschikken, aldus de verdediging. Daarnaast heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte niet wist en ook niet redelijkerwijs moest vermoeden dat het geldbedrag van misdrijf afkomstig zou zijn.

De verdediging heeft met betrekking tot het onder 3 en 4 tenlastegelegde betoogd – onder verwijzing naar de Salduz-jurisprudentie – dat de verklaring van verdachte bij de politie moet worden uitgesloten van het bewijs. Verdachte is immers niet gewezen op zijn recht om, voorafgaande aan het eerste verhoor, een advocaat te raadplegen. Nu alleen deze verklaring bewijs kan leveren voor de ten laste gelegde feiten en daar geen andere bewijsmiddelen voor zijn, behoort verdachte ook van deze feiten te worden vrijgesproken, aldus de verdediging.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Feiten 1 en 2

De rechtbank is van oordeel dat de onder 1, voor zover dat betrekking heeft op de facturen, en onder 2 subsidiair ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De handelingen die verdachte heeft verricht en die de rechtbank redengevend oordeelt voor deze conclusie zijn de volgende.

Door verdachte is ter terechtzitting verklaard dat hij een bedrag van € 100.000,00 van medeverdachte [medeverdachte 1] heeft geleend. Dit bedrag heeft verdachte in contanten van hem ontvangen en het was bedoeld als privélening, aldus verdachte ter terechtzitting.

Van deze overeenkomst tot geldlening is een ‘akte van geldlening’ opgemaakt, welke zich in het dossier bevindt. Als datum waarop de akte is opgemaakt wordt genoemd: 13 april 2005. De lening zou op 1 juni 2005 ter leen zijn genomen en ontvangen. De akte is getekend en geparafeerd door zowel verdachte als [medeverdachte 1]. Uit de akte valt voorts op te maken dat over de hoofdsom (van € 100.000,00) de debiteur aan de crediteur maandelijks aan rente een bedrag van € 1.666,67 is verschuldigd. Als debiteur wordt in de akte genoemd: [bedrijf 1]

In het dossier zijn voorts drie facturen opgenomen, respectievelijk gedateerd 10 juni 2005,

8 juli 2005 en 10 augustus 2005, voor verrichte werkzaamheden. Op 10 juni 2005 en 8 juli 2005 wordt telkens een bedrag van € 1.667,67 vermeerderd met B.T.W. gefactureerd. Op

10 augustus 2005 wordt een bedrag van € 833,34 vermeerderd met B.T.W. gefactureerd. De facturen zijn telkens afkomstig van ‘[bedrijf 2]’ en gericht aan [bedrijf 1]

Over de akte van geldlening en de facturen is in het voorbereidend onderzoek door verschillende personen en op verschillende momenten een verklaring afgelegd.

Allereerst is door de medeverdachte [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris verklaard dat hij het geldbedrag aan verdachte ‘privé’ heeft geleend en niet aan diens besloten vennootschap en dat de namens hem verstuurde facturen waren bedoeld ter betaling door verdachte van de overeengekomen rente.

Door [A], de boekhouder van verdachte, is verklaard dat hij op verzoek van verdachte een akte van geldlening heeft opgesteld en dat het uiteindelijke bedrag (van € 100.000,00) daarop niet door hem is ingevuld. Uit zijn verklaring valt voorts op te maken dat het contract op naam van de besloten vennootschap was gesteld en dat hij er uiteindelijk achter is gekomen dat het geen zakelijke transactie betrof, omdat hij het bedrag later niet in de boekhouding is tegengekomen.

Door verdachte zelf is ten slotte in 2006 ten overstaan van de politie verklaard dat het rentebedrag is teruggedraaid van 20% naar 10%. Voorts is door verdachte verklaard dat hij geruchten had gehoord dat [medeverdachte 1] iets had in de handel van hasj en weed.

Volgens een zich in het dossier bevindend afschrift van het vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken van deze rechtbank d.d. 3 april 2008 is de medeverdachte [medeverdachte 1]

– onder meer – veroordeeld voor het witwassen van een geldbedrag van € 100.000,00. Dit betreft hetzelfde bedrag van € 100.000,00, waarvan in het onder 2 tenlaste gelegde feit wordt gesproken.

Valsheid in geschrift

De rechtbank is van oordeel dat op grond van het bovenstaande wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich aan het medeplegen van valsheid in geschrift schuldig heeft gemaakt voor wat betreft de onder 1 genoemde akte van geldlening, nu daarin in als debiteur wordt genoemd “[bedrijf 1]”, terwijl de verdachte als privépersoon partij was bij deze transactie. De rechtbank is evenwel van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat dat feit is gepleegd op of omstreeks 13 april 2005, zoals tenlastegelegd. Weliswaar is die datum van 13 april 2005 in de akte vermeld als datum van opmaak maar, zoals door de verdediging terecht is opgemerkt, wordt in die akte tevens vermeld dat het desbetreffende bedrag van € 100.000,- ter leen is genomen en is ontvangen op 1 juni 2005. Een ondertekening van deze akte door verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] vóór 1 juni 2005, komt de rechtbank dan ook niet aannemelijk voor. Gezien deze verschillende data komt het de rechtbank aannemelijker voor dat een eerste concept van deze akte (door [A]) op 13 april 2005 is opgesteld, dat de datum 13 april 2005 bij die gelegenheid op de akte is vermeld en ook op latere versies van de akte vermeld is gebleven maar dat ondertekening heeft plaatsgevonden op of na 1 juni 2005.

Dat betekent dat niet bewezen kan worden dat verdachte zich op of omstreeks 13 april 2005 heeft schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte zodat hij van dat deel van het onder 1 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.

Wel acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich aan het medeplegen van valsheid in geschrift heeft schuldig gemaakt voor wat betreft de bovenvermelde facturen. Deze facturen zijn immers valselijk opgemaakt, nu daarop staat vermeld “voor u verrichte werkzaamheden”, terwijl het in werkelijkheid ging om tussen verdachte en de medeverdachte afgesproken rente over de hoofdsom. Dit blijkt uit de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 1] alsook uit het feit dat, nadat blijkens de verklaring van verdachte de renteverplichting was gehalveerd, de factuur van augustus 2005 een bedrag van € 833,34 bedraagt, hetgeen exact de helft van € 1.666,67 is, het bedrag dat maandelijks over de hoofdsom van de geldlening was verschuldigd. Hoewel aangenomen moet worden dat het medeverdachte [medeverdachte 1] is geweest die de betreffende facturen heeft opgesteld is de rechtbank, gezien de samenhang van deze facturen met de tevens valselijk opgemaakte akte van geldlening en het feit dat bij de opmaak van die akte sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte 1], van oordeel dat van een dergelijke bewuste en nauwe samenwerking eveneens sprake is geweest waar het de facturen betreft. Deze facturen zijn gericht aan en betaald door de vennootschap waarin verdachte exclusieve en volledige zeggenschap had. Dat een en ander op niet aan verdachte toe te rekenen slordigheid zou zijn terug te voeren acht de rechtbank niet aannemelijk.

Witwassen

De rechtbank stelt voorop dat, om tot een bewezenverklaring te komen, volgens vaste jurisprudentie (HR 27 september 2005, NJ 2006, 473) uit de bewijsmiddelen niet behoeft te blijken dat de desbetreffende geldbedragen afkomstig zijn uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Dit betekent dat niet bewezen behoeft te worden door wie, wanneer en waar dit misdrijf concreet is begaan.

Aan genoemd vereiste is voldaan indien uit de bewijsmiddelen kan volgen dat het in de gegeven omstandigheden niet anders kan zijn dan dat de geldbedragen een criminele herkomst hebben.

In het vonnis van 3 april 2008 van deze rechtbank uitgesproken tegen medeverdachte [medeverdachte 1] is op grond van de daarin genoemde bewijsmiddelen gemotiveerd overwogen, dat het niet anders kan zijn dan dat het bedrag van € 100.000,-- waar het hier om gaat, afkomstig is van misdrijf. Hetgeen verdachte in deze zaak heeft aangevoerd en de door hem ter ondersteuning daarvan overgelegde stukken zijn voor de rechtbank volstrekt onvoldoende om thans tot een ander oordeel te komen. Derhalve oordeelt de rechtbank ook in de zaak tegen verdachte dat het bedrag van € 100.000,- van misdrijf afkomstig is.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte reeds in juni 2005 wist dat het geldbedrag van €100.000,00 van misdrijf afkomstig was. Verdachte had bij enig nadenken echter wel redelijkerwijs kunnen vermoeden dat het geldbedrag van enig misdrijf afkomstig was.

De naar het oordeel van de rechtbank ongebruikelijk hoge rente van aanvankelijk 20%, het feit dat het geldbedrag in contanten werd overgedragen en de geruchten die verdachte had gehoord over mogelijke betrokkenheid van medeverdachte [medeverdachte 1] bij drugshandel, brengen echter wel met zich mee dat verdachte is tekortgeschoten in de in een dergelijk geval van hem te verlangen onderzoeksplicht naar de herkomst van het geldbedrag, hetgeen de conclusie rechtvaardigt dat hij zich aan medeplegen van schuldwitwassen heeft schuldig gemaakt.

Op grond van het bovenstaande spreekt de rechtbank verdachte vrij van het onder 2 primair tenlastegelegde.

Feiten 3 en 4

Ten aanzien van het door de verdediging gevoerde verweer, dat de (bekennende) verklaring die verdachte op 21 september 2008 bij de politie heeft afgelegd van het bewijs moet worden uitgesloten, overweegt de rechtbank als volgt.

De Hoge Raad heeft bij arrest van 30 juni 2009 (LJN: BH3079) uit de rechtspraak van het EHRM – met name de uitspraak van het EHRM inzake Salduz tegen Turkije van 27 november 2008 – afgeleid dat een door de politie aangehouden verdachte aan artikel 6 van het EVRM een aanspraak op rechtsbijstand kan ontlenen, die inhoudt dat hem de gelegenheid wordt geboden om, voorafgaand aan het verhoor door de politie aangaande zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit, een advocaat te raadplegen. Dit brengt volgens de Hoge Raad mee dat de aangehouden verdachte voor de aanvang van het eerste verhoor dient te worden gewezen op zijn recht op raadpleging van een advocaat. Nu dit in de onderhavige zaak niet is gebeurd, zal de rechtbank de verklaring die verdachte ten overstaan van de politie heeft afgelegd uitsluiten van het bewijs.

Anders dan de verdediging is de rechtbank, met de officier van justitie, van oordeel dat dit niet leidt tot vrijspraak van verdachte, wegens het ontbreken van (voldoende) wettig en overtuigend bewijs. De rechtbank is van oordeel dat de onder 3 en 4 ten laste gelegde feiten, ook zonder die verklaring, wettig en overtuigend zijn bewezen. De bewijsmiddelen die de rechtbank redengevend oordeelt voor deze conclusie zijn de volgende.

Door [slachtoffer 1] is verklaard dat op 21 september 2008 te Huis ter Heide (de rechtbank begrijpt: in de gemeente Zeist), terwijl hij in zijn personenauto zat, door de bestuurder van een Jeep met kenteken [kenteken] tegen hem werd geschreeuwd: “Stap uit je auto, durf je dan ook nog.” en “Ik sla je kapot.” Vervolgens hoort hij een harde klap op het dak van zijn auto. Terwijl hij wegrijdt ziet hij de man een schoppende beweging maken in de richting van zijn auto, waarop hij direct een harde knal hoort. [slachtoffer 1] constateert een deuk op het scherm van het linkerachterportier van zijn auto. Niet lang daarna, terwijl hij contact heeft met de meldkamer van de politie, hoort hij de man schreeuwen: “Stap maar uit, dan verbouw ik je kankerkop.”

Uit het telefoonverkeer dat [slachtoffer 1] met de meldkamer van de politie heeft valt op te maken dat de centralist op de achtergrond een mannenstem hard hoort schreeuwen en roepen: “Jij bent nu aan de beurt.”

De tenaamgestelde van de Jeep met kenteken [kenteken] blijkt verdachte te zijn. Voor zijn woning treft de politie een vrouw aan die hen vertelt dat verdachte enkele seconden daarvoor van voertuig was gewisseld en binnen enkele minuten terug zou komen. Niet veel later wordt verdachte, wiens signalement overeenkomst met het door [slachtoffer 1] opgegeven signalement, aangehouden.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 1 juni 2005 tot en met 31 augustus 2005 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, fakturen - zijnde telkens een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers hebben verdachte en zijn mededader opzettelijk fakturen opgemaakt waarop vermeld stond "voor u verrichte

werkzaamheden", zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst

te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

2.

Subsidiair

in de periode van 01 tot en met 30 juni 2005, in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander een voorwerp, te weten een bedrag groot 100.000 (honderdduizend) euro, voorhanden heeft gehad, terwijl hij redelijkerwijs moest vermoeden dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

3.

op 21 september 2008 te Zeist opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto, toebehorende aan [slachtoffer 1], heeft beschadigd, door toen aldaar opzettelijk en wederrechtelijk tegen die personenauto te slaan en/of stompen en trappen;

4.

op 21 september 2008 te Zeist, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd :"Stap uit je auto, durf je dan ook nog, ik sla je kapot" en "Stap maar uit. Dan verbouw ik je kankerkop".

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen telkens meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;.

Ten aanzien van het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde:

Schuldwitwassen;

Ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen;

Ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde:

Bedreiging met zware mishandeling.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden voorwaardelijk en een geldboete van € 5.000,00 subsidiair twee maanden vervangende hechtenis. Bij de hoogte van de gevorderde straf heeft de officier van justitie rekening gehouden met een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Door valselijk facturen op te maken heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift en daarmee heeft hij de schijn van echte handelstransacties gewekt. Het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer in de juistheid van bepaalde geschriften wordt gesteld, is door het handelen van verdachte aangetast. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan witwassen, waardoor het vertrouwen in stukken die tot bewijs kunnen dienen en in het kunnen nagaan van de herkomst en bestemming van geldstromen, wordt ondermijnd.

Ook wordt verdachte veroordeeld voor beschadiging en bedreiging op de wijze als in de bewezenverklaring is omschreven.

Hoewel de bewezen verklaarde feiten naar het oordeel van de rechtbank een gevangenisstraf van aanzienlijke duur rechtvaardigen, zal de rechtbank rekening houden met het feit dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM met betrekking tot hetgeen onder 1 en 2 is tenlastegelegd is overschreden. De rechtbank overweegt dat de tenlastelegging (voor wat betreft het onder 1 en 2 tenlastegelegde) ziet op 2005 en dat in de zaak tegen de medeverdachte reeds in april 2008 vonnis is gewezen. Niet in te zien valt waarom verdachte eerst tegen een zitting in december 2009 is gedagvaard. De rechtbank acht, dit alles in acht genomen, de door de officier van justitie gevorderde straffen passend en geboden.

Dit betekent dat aan verdachte, ondanks de omstandigheid dat verdachte van het onder 1, eerste gedeelte en 2 primair tenlastegelegde wordt vrijgesproken, dezelfde straf wordt opgelegd als door de officier van justitie is gevorderd, aangezien met een lagere dan door de officier van justitie gevorderde straf niet kan worden volstaan.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 47, 57, 225, 285, 350 en 420quater van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 1, eerste gedeelte en 2 primair tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 5.1 genoemde strafbare feiten oplevert:

- verklaart verdachte daarvoor strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van zes maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 5.000,=;

- beveelt dat bij niet betaling van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.A.T. Engbers, voorzitter, mr. J.R. Krol en mr. A. van Maanen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.A. van Wageningen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 11 juni 2010.

Mr. Van Maanen is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.