Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BM8020

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
16-06-2010
Datum publicatie
17-06-2010
Zaaknummer
222913 / HA ZA 06-2781
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser koopt woning op perceel met agrarische bestemming. Gemeente is bereid bestemming te wijzigen in woonbestemming, op voorwaarde dat aangrenzend tuinbouwbedrijf binnen een straal van 30 meter van de woning van eiser geen gewassen zal bespuiten. Eiser en gedaagden (aangrenzend tuinbouwbedrijf) komen overeen dat gedaagden een erfdienstbaarheid zullen vestigen, bestaande uit het niet bespuiten, tegen betaling van compensatie. Gedaagden willen een vergoeding voor het gedeeltelijk staken van hun bedrijf (de teelt van rode bessen).Partijen bereiken geen overeenstemming over de hoogte van die compensatie. Gedaagden schakelen voor het bepalen daarvan een partijdeskundige in. Na benoeming van een deskundige stelt de rechtbank de hoogte van de vergoeding vast en volgt daarbij grotendeels de partijdeskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 222913 / HA ZA 06-2781

Vonnis van 16 juni 2010

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. J.A.M. van de Sande,

tegen

1. de vennootschap onder firma

[gedaagde sub 1],

gevestigd te Wijk bij Duurstede,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te Wijk bij Duurstede,

3. [gedaagde sub 3],

wonende te Wijk bij Duurstede,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. J.M. van Noort.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde c.s.] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 4 februari 2009;

- het aanvullend deskundigenbericht van C.J. Streng van 22 juni 2009;

- de conclusie na aanvullend deskundigenbericht tevens akte overlegging productie van [gedaagde c.s.] van 5 augustus 2009;

- de conclusie na deskundigenbericht [eiser] van 2 september 2009;

- de akte overlegging productie van [gedaagde c.s.] van 16 september 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

in conventie en reconventie

2.1. Gelet op de samenhang tussen de vordering in conventie en de (voorwaardelijke) vordering in reconventie, voor zover deze laatste betrekking heeft op het vestigen door [gedaagde c.s.] van een erfdienstbaarheid ten behoeve van [eiser], zullen deze vorderingen hieronder gezamenlijk worden behandeld.

2.2. Partijen zijn tijdens een bespreking op 26 april 2005 overeengekomen dat [gedaagde c.s.] ten behoeve van [eiser] een erfdienstbaarheid zal vestigen, inhoudende het niet bespuiten van gewassen binnen een straal van 30 m, te rekenen vanaf de woning van [eiser], tegen betaling van compensatie door [eiser]. Tevens zijn partijen in dit verband overeengekomen dat op het perceel van [eiser], tot 2 meter vanaf de perceelgrens met [gedaagde c.s.], geen beplanting zal staan hoger dan 2 meter en dat [eiser] de paardenbak op zijn perceel weghaalt. Over de hoogte van de compensatie zijn partijen het echter niet eens geworden. [gedaagde c.s.] is alleen bereid mee te werken indien de liquidatiewaarde ter zake van het staken van haar bedrijfsactiviteiten (de teelt van rode bessen) op een perceel van in totaal 720 m2 wordt vergoed. Ter vaststelling van de liquidatiewaarde heeft de rechtbank deskundige Streng benoemd. Streng heeft op 18 juli 2008 zijn deskundigenbericht uitgebracht. In reactie op het op voorhand door hem aan partijen toegezonden concept heeft [gedaagde c.s.] aan Streng een brief van 11 juli 2008 met bijlagen gezonden van de door haar ingeschakelde partijdeskundige, ing. Klein Wolterink. Laatstgenoemde is een gecertificeerd taxateur van landelijk onroerend goed en staat als zodanig geregistreerd bij de Stichting VastgoedCert te Rotterdam. In het tussenvonnis van 4 februari 2009 heeft de rechtbank overwogen dat zij het van belang acht dat Streng zich inhoudelijk uitlaat over de door Klein Wolterink geformuleerde punten, gelet op diens inhoudelijke en gemotiveerde kritiek. In verband daarmee heeft de rechtbank een aanvullend deskundigenbericht door Streng bevolen. Streng heeft zijn aanvullend deskundigenbericht vervolgens bij de rechtbank ingediend, waarna partijen hierop hebben gereageerd. Zowel Streng als Klein Wolterink heeft de liquidatiewaarde berekend. De resultaten van de berekeningen wijken echter sterk van elkaar af; Streng komt uit op EUR 50.798,-- en Klein Wolterink op EUR 170.591,--. Met betrekking tot de diverse bestanddelen van de liquidatiewaarde overweegt de rechtbank het volgende.

Kapitalisatiefactor

2.3. Streng heeft in zijn rapport vermeld dat hij ter vaststelling van de liquidatiewaarde aansluiting zoekt bij de uitgangspunten die worden gebruikt bij de berekening van een volledige schadeloosstelling bij onteigening. Deze benadering is volgens Klein Wolterink juist. Gelet hierop zal ook de rechtbank van die benadering uitgaan.

2.4. Bij de vaststelling van de inkomensschade en de belastingschade in verband met de eenmalige uitkering gaat Streng uit van kapitalisatiefactor 6. [eiser] neemt het standpunt in dat van deze kapitalisatiefactor moet worden uitgegaan. Streng onderbouwt zijn standpunt in zijn rapport van 18 juli 2008 door te overwegen dat de levensduur van zachtfruitstruiken 12 jaar is. Daarvan was ten tijde van de peildatum (11 juni 2008) 6 jaar verstreken. In zijn aanvullende rapport van 22 juni 2009 overweegt Streng dat hij de kapitalisatiefactor op 6 heeft gesteld gezien de bedrijfsomstandigheden, het soort gewas, de teelttechniek, de leeftijd van het gewas en het feit dat er slechts een klein gedeelte van de totale fruitopstand uit productie wordt genomen.

2.5. In navolging van Klein Wolterink stelt [gedaagde c.s.] zich op het standpunt dat de kapitalisatiefactor moet worden gesteld op 10. Zij voert aan dat in de onteigeningspraktijk en de rechtspraak doorgaans factor 10 wordt gehanteerd. [eiser] heeft dit niet weersproken. [gedaagde c.s.] betoogt voorts dat door kapitalisatie van de jaarlijkse inkomensschade met in beginsel factor 10 de eigenaar geacht wordt volledig schadeloos te zijn gesteld. Daarbij wordt verondersteld dat een voortgezet gebruik - de onteigening weggedacht - nog maximaal 13 jaar zou hebben voortgeduurd. [gedaagde c.s.] is eigenaar van het perceel. De door Streng gehanteerde factor 6 wordt gehanteerd bij personen die een zwakker recht hebben dan het eigendomsrecht, bijvoorbeeld een huurrecht. Volgens [gedaagde c.s.] wordt er van uitgegaan dat een dergelijk zwakker recht - de onteigening weggedacht - eerder eindigt dan een eigendomsrecht. In navolging van Klein Wolterink benadrukt [gedaagde c.s.] voorts dat de levensduur van een bessenstruik niet beperkt is tot 12 jaar. Zelfs al zou die levensduur wel beperkt zijn tot 12 jaar, zo betoogt [gedaagde c.s.], dan kan een bessenstruik onder normale omstandigheden vervangen worden door een nieuwe bessenstruik, zodat de bessenteelt op de betreffende grond tot in lengte van jaren kan worden voortgezet. Het gaat volgens [gedaagde c.s.] om het voortgezet gebruik van de grond en niet om de levensduur van actuele bessenstruik. Vestiging van een erfdienstbaarheid impliceert dat [gedaagde c.s.] die grond duurzaam niet meer voor de bessenteelt kan gebruiken.

2.6. Ter nadere onderbouwing van haar standpunt voert [gedaagde c.s.] nog het volgende aan. Bij de berekening van de inkomensschade baseert Streng zich op de gewassenlijst voor fruit voor de vorstschadeverzekering 2008/2009 van de Onderlinge Fruittelers Hagelverzekeringsmaatschappij U.A. (OFH). [gedaagde c.s.] heeft een e-mail overgelegd van

ir. G.J. van Dijk van de OFH. Daarin schrijft Van Dijk dat hij het opmerkelijk vindt dat Streng voor de berekening van de inkomensschade met een factor 6 rekent terwijl een kapitalisatiefactor van 10 gebruikelijk is, zeker ingeval van eigendom. Ook merkt Van Dijk op dat de leeftijd van de aanplant in zijn ogen daarbij geen enkele rol speelt. Daarnaast wijst [gedaagde c.s.] erop dat ook de eerder door [eiser] ingeschakelde partijdeskundige De Lorijn in diens rapport van 17 december 2003 met betrekking tot inkomensschade heeft vermeld dat deze jaarlijkse schade ingeval van onteigening wordt vergoed met de factor 10.

2.7. Zoals de rechtbank al heeft overwogen moet bij de berekening van de liquidatiewaarde aansluiting worden gezocht bij de berekening van een volledige schadeloosstelling bij onteigening. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde c.s.] deugdelijk heeft onderbouwd dat bij onteigening wordt uitgegaan van kapitalisatiefactor 10. Voorts acht de rechtbank het aannemelijk dat [gedaagde c.s.] bij de vestiging van een erfdienstbaarheid ten behoeve van [eiser] gedurende een periode van tenminste 13 jaar (waarop de factor 10 is gebaseerd) niet bedrijfsmatig fruit zal kunnen telen. De rechtbank acht het dan ook redelijk dat [gedaagde c.s.] aan de vestiging van de door [eiser] gewenste erfdienstbaarheid de voorwaarde stelt dat zij een vergoeding krijgt voor de inkomensschade die zij gedurende 13 jaar zal leiden. Op grond hiervan concludeert de rechtbank dat moet worden uitgegaan van kapitalisatiefactor 10.

Waarde van de fruitopstand

2.8. In zijn deskundigenbericht van 18 juli 2008 stelt Streng de waarde van de fruitopstand (720 m2 rode bessen) op basis van de gewassenlijst van OFH op EUR 5.760,--. Klein Wolterink schat deze waarde op EUR 7.210,--. Dit onderbouwt hij door erop te wijzen dat het betreffende perceel is voorzien van tonkinstokken, waarlangs de takken van de rode bessen recht omhoog worden geleid. Dit geeft een snellere, krachtiger groei, goede lichtinval en veel lucht. Het voordeel hiervan is dat er een betere vruchtzetting plaatsvindt en dat er grotere bessen groeien. Volgens Klein Wolterink heeft de ervaring geleerd dat de tonkinstokken een ongeveer 30% hogere opbrengst leveren. Daarnaast wijst Klein Wolterink erop dat de gewassenlijst voor fruit van het OFH uitgaat van gemiddelden in de branche. In verband daarmee betoogt [gedaagde c.s.] dat Streng eraan voorbij is gegaan dat haar werkelijke schade moet worden vergoed en dat het daarbij niet gaat om een branchegemiddelde. Voorts beroept [gedaagde c.s.] zich op de eerdergenoemde e-mail van Van Dijk van de OFH, waarin het volgende is vermeld:

In mijn ogen is het niet juist voor de berekening van de schade van de heer [gedaagde sub 2] uit te gaan van de sommen, die vermeld staan in de OFH-gewassenlijst. Hiervoor geef ik u de volgende argumenten:

- de vorstschadeverzekering van de OFH is een calamiteitenverzekering (en dus geen schadeloosstellingsregeling). De verzekeringsdekking maakt het voor telers mogelijk financieel te ‘overleven’ als zich een gedekt evenement voordoet. Hiervoor kiezen telers zelf een verzekerde som.

- de in de OFH gewassenlijst vermelde adviesbedragen zijn verzekerde sommen en zijn afgeleiden van de gemiddelde waarde van de oogst in de aanplant van een gemiddeld bedrijf in Nederland. Voor de oogst van rode bessen heeft OFH gerekend met een kg-opbrengst van 18.000 kg per ha tegen een prijs van € 3,- per kg. Voor de plantopstand van rode bessen heeft OFH gerekend met de aanschaf van struiken en 2 jaar aanwas (o.b.v. 6.670 struiken per ha).

- bij het bepalen van de verzekerde sommen heeft OFH steeds in het achterhoofd gehouden dat de premie voor de vorstschadeverzekering wordt berekend over de door de telers opgegeven verzekerde som. Dit heeft eerder een drukkend effect gehad op de hoogte van de verzekerde sommen dan een verhogend effect. Zoals eerder gemeld gaat het overigens om overleven. Alle ‘luxe’ is achterwege gelaten. De voorschotpremie bedraagt 1,5 promille van de verzekerde som.

Kortom, de heer Streng gebruikt een overzicht dat volgens mij niet geschikt is voor het doeleind waarvoor hij het overzicht heeft gebruikt.

2.9. In reactie op het voorgaande heeft Streng in zijn aanvullend deskundigenbericht geschreven dat hij niet is uitgegaan van een gemiddelde waarde maar dat deze is gecorrigeerd, rekening houdend met de teeltwijze ter plaatse (waaronder de tonkinstokken), de leeftijd en de stand van het gewas. [eiser] betoogt dat Streng hiermee ruimschoots heeft voldaan aan de verplichting om zijn waardering inzichtelijk te maken. De rechtbank overweegt het volgende. De gewassenlijst van de OFH vermeldt voor de waardering van plantopstanden (rode bessen; 6.670 struiken per ha) een adviesbedrag van EUR 80.000,--. Dit komt neer op EUR 8,-- per m2. Uitgaande van een perceel van 720 m2 levert dit het door Streng berekende bedrag van EUR 5.760,-- op. Van enige correctie, zoals Streng stelt te hebben toegepast, blijkt derhalve niet. De rechtbank is voorts van oordeel dat [gedaagde c.s.] deugdelijk heeft onderbouwd waarom de OFH-gewassenlijst niet bruikbaar is voor de vaststelling van haar concrete schade. Streng heeft hierop, naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte, niet gereageerd. Streng heeft ook niet gereageerd op de stelling van Klein Wolterink dat tonkinstokken een ongeveer 30% hogere opbrengst leveren. Gelet op de onderbouwing daarvan acht de rechtbank een dergelijke hogere opbrengst aannemelijk. Met inachtneming van het voorgaande begroot de rechtbank de waarde van de fruitopstand op EUR 7.210,--.

Inkomensschade

2.10. Streng begroot de jaarlijkse inkomensschade als volgt:

Opbrengst minus directe kosten (720 m2 x EUR 5,40) EUR 3.888,--

bij: verkoop aan huis (40%) 1.555,--

bruto saldo EUR 5.443,--

Uitgaande van kapitalisatiefactor 6 stelt hij de totale inkomensschade op EUR 32.658,--.

2.11. Klein Wolterink baseert zijn berekening van de inkomensschade op de jaarrekeningen van [gedaagde c.s.] over de jaren 2005 tot en met 2007. Daaruit volgt een gemiddelde opbrengst minus directe kosten van EUR 10,23 per m2. Klein Wolterink begroot de jaarlijkse inkomensschade als volgt:

Opbrengst minus directe kosten (720 m2 x EUR 10,23) EUR 7.366,--

bij: verkoop aan huis 259,--

bruto saldo EUR 7.625,--

Uitgaande van kapitalisatiefactor 10 stelt hij de totale inkomensschade op EUR 76.250,--.

2.12. [gedaagde c.s.] betoogt ook met betrekking tot deze schadepost dat Streng eraan voorbij is gegaan dat haar werkelijke schade moet worden vergoed en dat het daarbij niet gaat om een branchegemiddelde van de OFH-gewassenlijst. Anders dan in zijn deskundigenbericht van 18 juli 2008 stelt Streng naar aanleiding daarvan in zijn aanvullend deskundigenbericht dat hij bij zijn berekening niet is uitgegaan van een gemiddeld saldo van de gewassenlijst voor fruit van de OFH maar dat hij deze heeft gecorrigeerd, rekening houdend met teeltomstandigheden ter plaatse. Op het bedrijf worden verschillende teelttechnieken toegepast, waaronder bessenteelt onder plastic, welke normaal gesproken een hogere opbrengst geeft. Op het desbetreffende perceel van 720 m2 vond echter geen bessenteelt onder plastic plaats zodat het volgens Streng niet terecht is om voor dit perceel uit te gaan van het bedrijfsgemiddelde. [eiser] voert aan dat Streng terecht een differentiatie heeft toegepast ten aanzien van de verschillende teelttechnieken.

2.13. De rechtbank overweegt als volgt. De gewassenlijst van de OFH vermeldt als adviesbedrag EUR 54.000,-- per hectare. Per m2 komt dit neer op EUR 5,40. Uitgaande van een perceel van 720 m2 levert dit het door Streng berekende bedrag van EUR 3.888,-- op. Ook hier is dus van enige correctie ten opzichte van de gewassenlijst niet gebleken. Voor de vaststelling van de inkomensschade moet naar het oordeel van de rechtbank niet worden uitgegaan van gemiddelden uit de branche maar van de concrete situatie bij [gedaagde c.s.] Een berekening op grond van de OFH-gewassenlijst voldoet niet aan die voorwaarde. Strengs argument, dat het niet terecht is om voor dit perceel uit te gaan van het bedrijfsgemiddelde in verband met het ontbreken van plastic op het desbetreffende perceel, is wel steekhoudend. [gedaagde c.s.] doet in haar conclusie van 5 augustus 2009 echter nadrukkelijk een beroep op de reactie die Klein Wolterink heeft gegeven op het aanvullend deskundigenbericht van Streng (alinea 2 in samenhang met productie 22). Daar voert Klein Wolterink aan dat het desbetreffende perceel inmiddels is voorzien van regenkappen. [eiser] heeft dit in zijn conclusie van 2 september 2009 niet weersproken. De aanwezigheid van regenkappen brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat toch moet worden uitgegaan van de bedrijfsopbrengst per m2, blijkend uit de jaarrekeningen van [gedaagde c.s.] (EUR 10,23). Met inachtneming van kapitalisatiefactor 10 stelt de rechtbank de door [eiser] aan [gedaagde c.s.] te betalen vergoeding voor inkomensschade ter zake van het vestigen van de door [eiser] gewenste erfdienstbaarheid vast op EUR 76.250,--.

Kosten in verband met het uit productie nemen van 720 m2

2.14. Tussen partijen is niet in geschil dat aan het uit productie nemen van het perceel van 720 m2 door [gedaagde c.s.] kosten verbonden zijn. Streng stelt dat het perceel moet worden gerooid, geëgaliseerd en ingezaaid en schat de kosten daarvoor op EUR 500,--. Een onderbouwing voor dit bedrag ontbreekt. Klein Wolterink begroot de hiermee verband houdende kosten op EUR 2.750,-- inclusief EUR 500,-- ter zake van onderhoud. Hij onderbouwt dit door te stellen dat EUR 35,-- een normaal uurtarief is en dat Streng kennelijk uitgaat van maximaal 15 manuren. Volgens Klein Wolterink is het niet reëel dat Streng de machinekosten en de afvoerkosten van het materiaal niet heeft meegerekend. Voorts wijst hij erop dat Streng niet ingaat op de kosten verbonden aan het toekomstige onderhoud. [eiser] betoogt dat Streng deze kosten reëel heeft gewaardeerd. Net als bij Streng ontbreekt ook hier een onderbouwing voor dit standpunt. Gelet op het voorgaande begroot de rechtbank deze schadepost op EUR 2.750,--.

Belastingschade in verband met de overbrenging naar het privé-vermogen

2.15. Partijen zijn het erover eens dat [gedaagde c.s.] door het vestigen van de eerder genoemde erfdienstbaarheid belastingschade zal leiden in verband met de (fiscale) overbrenging door v.o.f. [gedaagde sub 1] ([gedaagde c.s.] sub 1) van het perceel van 720 m2 naar het privé-vermogen van haar beide vennoten ([gedaagde c.s.] sub 2 en 3). Deze belastingschade vloeit voort uit de omstandigheid dat de waarde van de grond (die door partijen thans wordt gesteld op EUR 6,-- per m2) zal toenemen. Deze toename is volgens partijen een gevolg van het feit dat de grond thans moet worden gewaardeerd naar de maatstaf van de “waarde economisch verkeer agrarisch bedrijf” (WEVAB), terwijl na de overbrenging naar het privé-vermogen de “waarde economisch verkeer” (WEV) bepalend zal zijn. Volgens Streng zal de Belastingdienst de WEV stellen op EUR 15,-- per m2, hetgeen volgens hem een belastingschade oplevert ter hoogte Van EUR 3.370,--. Streng onderbouwt dit door te overwegen dat de grond eigendom blijft van de vennootschap onder firma en door deze gebruikt kan blijven worden, zij het met een beperkte gebruiksmogelijkheid. Klein Wolterink gaat ervan uit dat de Belastingdienst de WEV van het perceel zal stellen op EUR 100,-- per m2 en hij komt uit op een belastingschade van EUR 35.194,--. Klein Wolterink overweegt dat het perceel niet aan de overige productiegronden van het bedrijf grenst maar aan de woning en de tuin. Volgens hem hanteert de Belastingdienst bij de vaststelling van de waarde in het economisch verkeer ten aanzien van naar privé vermogen over te brengen grond de schillentheorie. Daarbij wordt de waarde van de grond tot 20 meter om de woning gesteld op ongeveer EUR 250,-- per m2 en de waarde van de volgende schil tot 30 meter op ongeveer EUR 100,-- per m2. Hoewel een groot gedeelte van het betreffende perceel in de eerste schil ligt gaat hij gezien de ligging van het perceel uit van een waarde van EUR 100,-- per m2.

2.16. De rechtbank acht zich in de huidige stand van het geding niet in staat om de belastingschade in verband met de overbrenging naar privé te begroten. Gelet op de door de beide deskundigen gegeven onderbouwingen kan de rechtbank thans niet met voldoende zekerheid aannemen dat de Belastingdienst zal kiezen voor een waardering conform Streng dan wel conform Klein Wolterink. Ten aanzien van deze belastingschade dient daarom naar het oordeel van de rechtbank te worden afgewacht op welk bedrag het perceel van 720 m2 door de Belastingdienst zal worden gewaardeerd. [eiser] vordert (subsidiair) dat [gedaagde c.s.] wordt veroordeeld een erfdienstbaarheid te vestigen tegen betaling door [eiser] van een zodanig bedrag en/of onder voldoening aan zodanige voorwaarden als de rechtbank in goede justitie zal bepalen. Gelet op het voorgaande overweegt de rechtbank bij eindvonnis te bepalen dat [gedaagde c.s.] na ontvangst van de relevante definitieve aanslag van de belastingdienst een kopie hiervan aan [eiser] dient te verstrekken en dat [eiser] [gedaagde c.s.] vervolgens binnen redelijke termijn de aan de hand van die aanslag vast te stellen belastingschade in verband met de overbrenging naar het privé-vermogen dient te vergoeden. Bij akte zal [gedaagde c.s.] in de gelegenheid worden gesteld aan te geven welke termijn door hem als redelijk wordt geacht. [eiser] zal hierop vervolgens bij akte mogen reageren. Partijen worden voorts in de gelegenheid gesteld zich in hun akten uit te laten over de exacte formulering van de door de rechtbank aan de vergoeding van deze belastingschade te verbinden voorwaarden.

Belastingschade in verband met eenmalige vergoeding

2.17. Partijen zijn het er ook over eens dat belastingschade zal ontstaan in verband met de ontvangst door [gedaagde c.s.] van de eenmalige van [eiser] te ontvangen vergoeding van de liquidatiewaarde. Deze belastingschade wordt door beide deskundigen berekend door op de inkomstenbelasting (52%) over die eenmalige vergoeding in mindering te brengen de gekapitaliseerde inkomstenbelasting die [gedaagde c.s.] jaarlijks zou betalen over de winst die zij zou behalen bij voortzetting van het bedrijf op het perceel van 720 m2. Daarbij gaat Streng uit van een eenmalige vergoeding van EUR 42.288,-- (inclusief EUR 3.370,-- als vergoeding voor belastingschade in verband met de overbrenging naar het privé vermogen), van een inkomstenbelastingtarief van eveneens 52% over de jaarlijks te behalen winst en van kapitalisatiefactor 6. Streng komt uit op EUR 5.010,--. Klein Wolterink gaat uit van een eenmalige vergoeding van EUR 121.404,-- (inclusief EUR 35.194,-- als vergoeding voor belastingschade in verband met de overbrenging naar het privé vermogen), van een inkomstenbelastingtarief van 32% over de jaarlijks te behalen winst en van kapitalisatiefactor 10. Klein Wolterink komt uit op EUR 38.730,--. Geconfronteerd met de berekening van Klein Wolterink neemt Streng in zijn aanvullend deskundigenbericht ten aanzien van deze belastingschade het standpunt in dat deze beter als pro memorie-post kan worden opgenomen. [eiser] heeft dit standpunt overgenomen. [gedaagde c.s.] acht een pro memorie-post onwenselijk.

2.18. De rechtbank acht zich op dit moment evenmin in staat om de belastingschade in verband met de ontvangst van de eenmalige vergoeding te begroten. In de eerste plaats is op dit moment onbekend hoe hoog de belastingschade in verband met de overbrenging naar het privé-vermogen zal bedragen, terwijl de belastingschade in verband met de ontvangst van de eenmalige vergoeding mede afhangt van dat bedrag. In de tweede plaats ontbreekt in de onderbouwing van beide deskundigen een toelichting op het door hen gehanteerde uitgangspunt dat over de jaarlijks te behalen winst moet worden uitgegaan van een inkomstenbelastingtarief van 52% (Streng) dan wel van 32% (Klein Wolterink). Wel kan de rechtbank nu reeds vaststellen dat moet worden uitgegaan van een (hypothetische) jaarlijkse winst van EUR 7.625,-- en van kapitalisatiefactor 10. Gelet op de omstandigheid dat het hier gaat om de inkomstenbelasting die van gedaagden sub 2 en 3 wordt geheven dient [gedaagde c.s.] bij akte met stukken te onderbouwen dat moet worden uitgegaan van 32%. [eiser] zal hierop vervolgens bij akte mogen reageren. Tevens worden partijen in de gelegenheid gesteld om in hun akten aan te geven welke voorwaarden de rechtbank in het eindvonnis aan de door [eiser] te verstrekken vergoeding ter zake van deze belastingschade kan stellen.

Op partijen rustende verplichtingen

2.19. Zoals de rechtbank al heeft overwogen zijn partijen overeengekomen dat [gedaagde c.s.] ten behoeve van [eiser] de in 2.1 vermelde erfdienstbaarheid zal vestigen, tegen betaling van compensatie door [eiser]. [gedaagde c.s.] betoogt dat zij alleen kan worden gehouden tot het vestigen van die erfdienstbaarheid indien [eiser] haar EUR 170.591,-- betaalt (het eindsaldo van de berekening van Klein Wolterink). Uit hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen volgt dat bij de vaststelling van de vergoeding van de liquidatiewaarde van het perceel van 720 m2 alle door Klein Wolterink gehanteerde uitgangspunten dienen te worden gehanteerd, met uitzondering van die ter vaststelling van de belastingschade. Deze belastingschade dient naar het oordeel van de rechtbank echter ook volledig door [eiser] te worden vergoed, al kan die schade op dit moment nog niet worden vastgesteld. Gelet hierop en op de overeenkomst tussen partijen brengen de redelijkheid en billijkheid mee dat [gedaagde c.s.] de erfdienstbaarheid dient te vestigen, op voorwaarde dat [eiser] aan [gedaagde c.s.] een vergoeding betaalt welke wordt vastgesteld in overeenstemming met de beslissingen van de rechtbank in dit vonnis ten aanzien van alle componenten van die vergoeding.

Kosten Klein Wolterink

2.20. [gedaagde c.s.] betoogt dat [eiser] haar ook een vergoeding dient te verstrekken voor de kosten die zij heeft gemaakt door het inschakelen van partijdeskundige Klein Wolterink. Onder verwijzing naar door haar overgelegde facturen stelt [gedaagde c.s.] dit bedrag op EUR 10.458,--. De rechtbank overweegt hierover het volgende. [eiser] heeft [gedaagde c.s.] ter compensatie voor het vestigen van de erfdienstbaarheid aanvankelijk een bedrag van EUR 14.375,-- aangeboden. [gedaagde c.s.] heeft dit aanbod niet aanvaard en zich op het standpunt gesteld dat de liquidatiewaarde moest worden vergoed. Ter vaststelling van de liquidatiewaarde heeft zij zich laten bijstaan door Klein Wolterink. Nu partijen geen overeenstemming hebben bereikt over de hoogte van de vergoeding kan [gedaagde c.s.] alleen dan worden gehouden de door [eiser] gewenste erfdienstbaarheid te vestigen indien die vergoeding redelijk is. De werkzaamheden van Klein Wolterink hebben een wezenlijke bijdrage geleverd aan de vaststelling van de liquidatiewaarde. De kosten verband houdend met die werkzaamheden staan naar het oordeel van de rechtbank bovendien in een redelijke verhouding tot de hoogte van die liquidatiewaarde. De rechtbank concludeert dan ook dat de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat [eiser] deze kosten ter hoogte van EUR 10.458,-- moet vergoeden.

Proceskosten

2.21. Als grotendeels in het ongelijk gestelde partij zal [eiser] in het eindvonnis worden veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van [gedaagde c.s.] in conventie. Daaronder vallen de kosten van de door de rechtbank benoemde deskundige Streng, ter hoogte van EUR 3.213,--. [eiser] heeft deze kosten bij wege van voorschot reeds geheel voldaan.

Dwangsom

2.22. [eiser] vordert, voor zover thans relevant, veroordeling van [gedaagde c.s.] om binnen 15 dagen na betekening van het te wijzen eindvonnis de eerder genoemde erfdienstbaarheid te vestigen, op straffe van een hoofdelijk door [gedaagde c.s.] te verbeuren dwangsom van EUR 2.000,-- per dag(deel). [gedaagde c.s.] heeft tegen de gevorderde dwangsom en de hoofdelijkheid geen verweer gevoerd. Dit deel van de vordering kan bij eindvonnis dan ook worden toegewezen.

Samenvatting

2.23. Samenvattend zal [gedaagde c.s.] bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis worden veroordeeld om binnen 15 dagen na betekening van het vonnis:

- tegen gelijktijdige betaling door [eiser] van EUR 96.668,-- (EUR 7.210,-- + EUR 76.250,-- + EUR 2.750,-- + EUR 10.458,--) en onder voldoening door [eiser] van de in het eindvonnis te bepalen voorwaarden met betrekking tot de door [eiser] te verstrekken vergoeding voor de belastingschade (in verband met het overbrengen naar het privé-vermogen en in verband met de eenmalige vergoeding),

- een erfdienstbaarheid te vestigen binnen een straal van 30 meter, te rekenen vanaf de woning van [eiser], inhoudende dat op het perceel van [gedaagde c.s.] geen mechanische bespuitingen van plantaardige materialen, waaronder begrepen fruitopstanden, met beschermingsmiddelen verricht worden,

- zulks op straffe van een hoofdelijk door [gedaagde c.s.] te verbeuren dwangsom van EUR 2.000,-- per dag(deel). [eiser] zal worden veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van [gedaagde c.s.] in conventie.

in reconventie voorts

2.24. [gedaagde c.s.] vordert dat [eiser] wordt veroordeeld om binnen 10 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis de op het perceel van [eiser] binnen een strook van 2 meter, te rekenen vanaf de perceelsgrenzen tussen de percelen van [eiser] en [gedaagde c.s.] aanwezige beplanting geheel en al te verwijderen en verwijderd te houden, voor zover die beplanting hoger is dan 2 meter, op straffe van een door [eiser] te verbeuren dwangsom van EUR 500,-- per dag(deel). [eiser] heeft hiertegen geen verweer gevoerd zodat deze vordering bij eindvonnis kan worden gewezen.

2.25. [gedaagde c.s.] vordert tevens dat [eiser] wordt veroordeeld om binnen 10 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis de op het perceel van [eiser] aanwezige paardenbak geheel en al te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van een door [eiser] te verbeuren dwangsom van EUR 500,-- per dag(deel). Ter zitting heeft [eiser] aangevoerd dat er geen paardenbak aanwezig is, alleen onderliggende drainage. Volgens [gedaagde c.s.] was de paardenbak nog wel aanwezig. De rechtbank overweegt dat partijen in het kader van het vestigen door [gedaagde c.s.] van een erfdienstbaarheid zijn overeengekomen dat de paardenbak wordt weggehaald (tussenvonnis van 10 oktober 2007, 2.9). Hieruit volgt dat zich op het perceel van [eiser] een paardenbak heeft bevonden. De stelling dat er geen paardenbak (meer) is, is door [eiser] niet met stukken, bij voorbeeld foto's, onderbouwd. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat [eiser] de paardenbak nog steeds niet heeft verwijderd. De tot verwijdering van de paardenbak strekkende vordering van [gedaagde c.s.] kan bij eindvonnis dan ook worden toegewezen.

2.26. Als grotendeels in het ongelijk gestelde partij zal [eiser] in het eindvonnis worden veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van [gedaagde c.s.] in reconventie.

in conventie en reconventie voorts

2.27. De rechter, die de tussenvonnissen in deze zaak heef gewezen, heeft dit vonnis niet kunnen wijzen om organisatorische redenen.

3. De beslissing

De rechtbank

in conventie en reconventie

3.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 14 juli 2010 voor het nemen van een akte door [gedaagde c.s.], teneinde zich uit te laten over het gestelde in 2.16 en 2.18, en dat [eiser] in reactie daarop vier weken later een akte mag nemen,

3.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.K.J. van den Boom en in het openbaar uitgesproken op

16 juni 2010.