Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BM7180

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
09-06-2010
Datum publicatie
10-06-2010
Zaaknummer
267179 / HA ZA 09-1114
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank benoemt zelfstandig deskundige om de vrije onderhandse verkoopwaarde van de voormalige echtelijke woning te bepalen.

Het verzoek van eiser de kosten van de deskundige volledig voor rekening van gedaagde te brengen, omdat zij in het verleden niet aan een taxatie heeft willen meewerken, wordt afgewezen.

Het subsidiaire verzoek van eiser de kosten van het door hem in het geding gebrachte taxatierapport voor de helft ten laste van gedaagde te laten komen, wordt eveneens afgewezen.

Overigens wordt aan gedaagde geen voorschot opgelegd, omdat zij met een toevoeging procedeert.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 267179 / HA ZA 09-1114

Vonnis van 9 juni 2010

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. A.C. Mens,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. W. Ploeg.

Partijen zullen hierna respectievelijk [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 31 maart 2010;

- de akte na tussenvonnis met een productie van [eiser];

- de akte na tussenvonnis van [gedaagde].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. In haar voornoemde tussenvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat een deskundige moet worden benoemd om – kort gezegd – de vrije onderhandse verkoopwaarde te bepalen van de voormalige echtelijke woning van partijen. De rechtbank heeft partijen vervolgens in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de persoon van de te benoemen taxateur.

2.2. De rechtbank heeft kennis genomen van het tussen partijen gevoerde debat op dit punt. [eiser] stelt zich op het standpunt dat de te benoemen deskundige in de gemeente Haarlemmermeer gevestigd moet zijn in verband met diens deskundigheid met betrekking tot de plaatselijke prijsontwikkeling. Verder stelt hij dat de deskundige niet verbonden moet zijn aan makelaarskantoor [makelaar 1] noch aan makelaarskantoor [makelaar 2], beide gevestigd in Hoofddorp.

[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat de heer [A] van makelaarskantoor [makelaar 3] in Amsterdam als deskundige benoemd moet worden.

2.3. Omdat tussen partijen geen overeenstemming bestaat over de persoon van de te benoemen deskundige, zal de rechtbank zelfstandig – en mede gelet op hetgeen is overwogen in r.o. 4.44 van het tussenvonnis van 31 maart 2010 – tot deskundige benoemen:

de heer ir. R.A. Toornend, werkzaam bij Quadraat Invest BV in Bloemendaal,

[adres]

[plaats].

2.4. Deze deskundige wordt verzocht gemotiveerd bericht uit te brengen over de vrije onderhandse verkoopwaarde op het moment van taxatie van de woning aan het [adres] te [plaats] (kadastraal bekend: gemeente [gemeente], sectie [sectie], nummer [nummer]).

2.5. Voorts wordt de deskundige verzocht zich uit te laten over andere aspecten betreffende de woning die naar zijn oordeel van belang kunnen zijn voor de beoordeling van deze zaak. In dit licht overweegt de rechtbank dat het [eiser] vrij staat de door hem gestelde gebreken aan de woning ter kennis van de deskundige te brengen.

2.6. [eiser] verzoekt de rechtbank ook te bepalen dat uitsluitend partijen aanwezig mogen zijn bij de taxatie. Dit verzoek zal worden afgewezen, omdat het partijen vrij staat het onderzoek met onder meer hun advocaat bij te wonen.

2.7. Met betrekking tot de kosten van de deskundige stelt [eiser] dat [gedaagde] deze dient te dragen, omdat zij in het verleden niet wilde meewerken aan taxatie van de woning. Subsidiair stelt hij zich op het standpunt dat als de rechtbank oordeelt dat de kosten van de deskundige door beide partijen gedragen moeten worden, [gedaagde] gehouden is de helft van de kosten te dragen die gemoeid zijn met de eerder op verzoek van [eiser] door [makelaar 2] Makelaardij verrichte taxatie.

2.8. De rechtbank is van oordeel dat het – gelet op de omstandigheid dat partijen in verdelingszaken geacht worden eenzelfde belang te hebben bij de taxatie van de voormalige echtelijke woning – redelijk is dat partijen in gelijke mate de kosten van de deskundige dragen. Het enkele feit dat [gedaagde], zoals [eiser] stelt, eerder niet wilde meewerken aan taxatie van de woning, maakt voornoemd oordeel niet anders.

Evenmin is in te zien waarom [gedaagde] de kosten van de taxatie van [makelaar 2] Makelaardij bij helfte moet dragen. [eiser] heeft de uitkomst van deze taxatie (productie 2 bij de dagvaarding) in het geding gebracht om zijn stellingen nader te onderbouwen. De kosten die met deze taxatie gemoeid zijn, dienen voor zijn rekening te blijven.

2.9. Omdat aan [gedaagde] een toevoeging op grond van de Wet op de rechtsbijstand is verleend, zal aan haar evenwel geen voorschot worden opgelegd voor de kosten van de deskundige en zal de rechtbank deze kosten ingevolge artikel 195 in samenhang met artikel 199 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering voorlopig ten laste van ’s Rijkskas brengen. In het eindvonnis zal worden beslist ten laste van welke partij de kosten van het deskundigenbericht uiteindelijk gebracht zullen worden.

2.10. Na het uitbrengen van het rapport door de deskundige dient [eiser] als eerste te concluderen, waarna [gedaagde] in de gelegenheid zal worden gesteld bij antwoordconclusie te reageren. In dit verband wijst de rechtbank partijen erop dat zij zich eveneens gemotiveerd dienen uit te laten over de hoogte van de hypotheekschuld op dat moment (zie r.o. 4.27 van het tussenvonnis van 31 maart 2010). Daartoe volstaat in beginsel een schriftelijke mededeling van de hypotheekverstrekker(s).

2.11. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3. De beslissing

De rechtbank

het deskundigenonderzoek

3.1. beveelt een deskundigenonderzoek naar de in r.o. ?2.4 en r.o. ?2.5 van dit vonnis geformuleerde vragen,

3.2. benoemt tot deskundige ter beantwoording van deze vragen:

de heer ir. R.A. Toornend, werkzaam bij Quadraat Invest BV in Bloemendaal,

[adres]

[plaats],

3.3. bepaalt dat het onderzoek zal worden verricht onder leiding van mr. M.E. Heinemann, die ten deze tot rechter-commissaris wordt benoemd,

de kosten

3.4. bepaalt met het oog op de vaststelling van het voorschot ter zake van de kosten van de deskundige het volgende:

- de deskundige dient binnen drie weken na de datum van dit vonnis een begroting van zijn kosten op te geven aan mr. M.E. Heinemann, gespecificeerd naar het aantal uren, het uurtarief en de overige kosten;

- de civiele griffie zal bedoelde opgave zenden aan partijen;

- partijen kunnen binnen twee weken daarna bij mr. M.E. Heinemann schriftelijk bezwaar maken tegen de begroting;

- als niet tijdig bezwaar wordt gemaakt, wordt het voorschot ter zake van de kosten van de deskundige reeds nu voor alsdan vastgesteld op het door de deskundige te begroten bedrag;

- als wel tijdig bezwaar wordt gemaakt, zal het voorschot worden vastgesteld bij afzonderlijke beslissing;

3.5. bepaalt dat [eiser] de helft van het bedrag van het voorschot ter griffie moet deponeren binnen twee weken nadat hij een daartoe strekkend betalingsverzoek van de civiele griffie hebben ontvangen,

3.6. verstaat dat aan [gedaagde] geen voorschot wordt opgelegd, omdat aan haar een toevoeging is verleend,

de werkwijze van de deskundige

3.7. draagt de deskundige op een schriftelijk en met redenen omkleed bericht met een duidelijke conclusie, en een gespecificeerde einddeclaratie in te leveren ter griffie van deze rechtbank,

3.8. bepaalt de termijn waarbinnen het schriftelijk, ondertekend bericht ter griffie moet worden ingeleverd op drie maanden na de datum van dit vonnis, met dien verstande dat de deskundige niet met het onderzoek behoeft te beginnen voordat deze van de griffie van de rechtbank bericht heeft ontvangen dat het voorschot is gedeponeerd,

3.9. schrijft de deskundige voor dat hij bij het onderzoek partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat uit het rapport van de deskundige moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan, terwijl in het rapport tevens melding dient te worden gemaakt van de inhoud van zodanige opmerkingen en verzoeken,

3.10. bepaalt dat de deskundige een concept van het rapport aan partijen zal toezenden en hen in de gelegenheid zal stellen opmerkingen over het concept te maken,

3.11. bepaalt dat uit het rapport van de deskundige moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan terwijl in het rapport tevens melding dient te worden gemaakt van de inhoud van zodanige opmerkingen, en verzoekt de deskundige om in het rapport te reageren op de opmerkingen van partijen over het concept,

de overige beslissingen

3.12. draagt de griffier op een afschrift van dit vonnis toe te zenden aan de deskundige,

3.13. bepaalt dat de verdere processtukken binnen één week na de datum van dit vonnis aan de deskundige dienen te worden toegezonden door [eiser],

3.14. draagt de griffier op om na inlevering van het schriftelijk bericht door de deskundige de zaak op een termijn van 4 weken weer op de rol te plaatsen voor het nemen van een conclusie na deskundigenbericht aan de zijde van [eiser] en om partijen daarvan bericht te doen,

3.15. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Heinemann en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2010. MaH/EB