Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BM6747

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
03-06-2010
Datum publicatie
04-06-2010
Zaaknummer
650968 UE VERZ 09-1893 LH 464
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Werkgeefster verzoekt voor de derde keer om (voorwaardelijke) ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werknemer die zij in november 2007 op staande voet heeft ontslagen, omdat hij zich aan malversaties schuldig zou hebben gemaakt. De twee eerdere ontbindingsverzoeken zijn in 2008 afgewezen. De kantonrechter ontbindt nu de arbeidsovereenkomst (zonder toekenning van een vergoeding), omdat inmiddels in de bodemprocedure tussen partijen bij tussenvonnissen is geoordeeld dat voor het ontslag op staande voet een dringende reden bestond.Dat de werknemer van die tussenvonnissen in hoger beroep is gekomen, doet er niet aan af dat thans voldoende aannemelijk is dat hij zich aan ongeoorloofde handelingen heeft schuldig gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2010/154
RAR 2010/121
AR-Updates.nl 2010-0489
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector kanton

Locatie Utrecht

zaaknummer: 650968 UE VERZ 09-1893 LH 464

beschikking d.d. 3 juni 2010

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Fujitsu Services B.V.,

gevestigd te Maarssen,

verder ook te noemen Fujitsu,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. A.J.P. van Beurden,

tegen:

[verweerder],

wonende te Hoorn,

verder ook te noemen [verweerder],

verwerende partij,

gemachtigde: mr. M.J. Draaisma.

Het verloop van de procedure

Fujitsu heeft op 28 november 2008 een verzoekschrift (met producties) ingediend. Bij brieven (met bijlagen) van 13 februari en 6 november 2009 heeft Fujitsu haar stellingen aangevuld. Op 18 mei 2010 heeft Fujitsu een aanvullend verzoekschrift (met bijlagen) ingediend. [verweerder] heeft op 21 mei 2010 een verweerschrift (met bijlagen) ingediend.

Het verzoek is ter zitting van 27 mei 2010 behandeld. Daarvan is aantekening gehouden.

Hierna is uitspraak bepaald.

De feiten

1.1. [verweerder], geboren op 2 december 1970, is op 1 april 2000 als Senior Account Manager in dienst getreden van Fujitsu. Het dienstverband is aangegaan voor onbepaalde tijd.

Het laatstgenoten bruto loon bedraagt € 5.500,-- per maand. [verweerder] heeft daarnaast aanspraak op een variabele commissie.

1.2. Op 19 oktober 2007 heeft Fujitsu [verweerder] op non-actief gesteld in verband met het vermoeden dat hij betrokken was bij onregelmatigheden. Op 6 november 2007 heeft Fujitsu [verweerder] op staande voet ontslagen, - kort gezegd - omdat hij betrokken zou zijn geweest bij het kopiëren en plakken van een vervalste handtekening in documenten en bij het achterhouden van correspondentie in de zogenoemde “Volker Wessel Telecom (VWT)/ Lijbrandt”-affaire, en omdat hij Fujitsu onder andere in de “NTT”-kwestie in de waan heeft gebracht en gelaten dat zaken werden gedaan met NTT Europe Limited in plaats van met het - later insolvabel gebleken - NTT Antwerp N.V. [verweerder] heeft steeds betwist dat hem enige malversatie kan worden verweten.

1.3. Op vordering van [verweerder] heeft de kantonrechter te Utrecht bij kort geding vonnis van 11 december 2007 (zaaknummer 547107 UV EXPL 07-416) Fujitsu veroordeeld om met ingang van november 2007 aan [verweerder] het bruto loon van € 5.500,-- per maand te betalen. De vordering tot wedertewerkstelling werd afgewezen. Tot januari 2010 is Fujitsu dit loon aan [verweerder] blijven voldoen.

1.4. Op 14 december 2007 heeft Fujitsu verzocht om (voorwaardelijke) ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerder], op grond van een dringende reden althans veranderingen in de omstandigheden. Bij beschikking van 12 februari 2008 (zaaknummer 553606 UE VERZ 07-2481) heeft de kantonrechter het verzoek afgewezen, - kort gezegd - omdat de aard van de ontbindingsprocedure zich ertegen verzet dat nader onderzoek (door deskundigen-berichten en/of het horen van getuigen) naar de aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegde dringende redenen plaatsvindt, welk onderzoek noodzakelijk werd geacht om de door Fujitsu aan [verweerder] gemaakte verwijten te kunnen beoordelen.

1.5. Ook een tweede verzoek van Fujitsu tot (voorwaardelijke) ontbinding, gebaseerd op veranderingen in de omstandigheden, is afgewezen. Bij beschikking van 14 april 2008 (zaaknummer 562978 UE VERZ 08-226) heeft de kantonrechter onder meer geoordeeld dat de door Fujitsu aangevoerde nieuwe feiten, te weten die welke zich na de eerdere ontbindingsprocedure zouden hebben voorgedaan, niet de ontbinding van de arbeidsovereenkomst van partijen rechtvaardigen.

1.6. Op 29 februari 2008 heeft [verweerder] de bodemprocedure betreffende het ontslag op staande voet bij de sector kanton van deze rechtbank aanhangig gemaakt en onder meer een verklaring voor recht gevorderd dat het ontslag op staande voet is vernietigd. Ook heeft hij van Fujitsu wedertewerkstelling en betaling van commissie gevorderd. Fujitsu heeft een tegeneis ingediend. Bij tussenvonnis van 24 juni 2009 (zaaknummer 565841 UC EXPL 08-3711) heeft de kantonrechter (in conventie) Fujitsu voorshands geslaagd geacht in het bewijs van de aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegde vervalsing door [verweerder] van de overeenkomst(en) met VWT, waaronder het in die overeenkomst(en) “plakken” van handtekeningen. [verweerder] is bij dit tussenvonnis in de gelegenheid gesteld tegenbewijs te leveren. Bij vonnis van 30 december 2009 heeft de kantonrechter geoordeeld dat [verweerder] niet in het tegenbewijs is geslaagd. Daartoe is in het bijzonder overwogen dat in dit geval niet kan worden volstaan met het in het geding brengen van schriftelijke verklaringen, zoals [verweerder] heeft gedaan. De vorderingen van [verweerder], onder meer die welke strekken tot bedoelde verklaring voor recht en tot wedertewerkstelling, zijn afgewezen. Van beide tussenvonnissen is [verweerder] in hoger beroep gekomen. Op 11 mei 2010 heeft hij in de appelprocedure van grieven gediend.

Het verzoek

2.1. Fujitsu verzoekt, voor het geval haar arbeidsovereenkomst met [verweerder] nog mocht bestaan, ontbinding daarvan op grond van veranderingen in de omstandigheden.

2.2. Fujitsu legt aan haar verzoek onder meer ten grondslag dat [verweerder] in de eerdere ontbindingsprocedures heeft gelogen dat hij geen ander werk had, dat hij ook na het ontslag betrokken is gebleven bij zogenoemde “grijze handel”, en dat [verweerder] aan derden met wie Fujitsu in gerechtelijke procedures is verwikkeld (niet-openbare) informatie over haar onderneming heeft verstrekt. Ook bestaat een gewichtige reden tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, nu in de bodemprocedure inmiddels bij tussenvonnis van 24 juni 2009 is beslist dat Fujitsu voorshands geslaagd is in het bewijs van de in de ontslagbrief van 6 november 2007 aan [verweerder] meegedeelde dringende reden, alleen al waar het de “VWT/Lijbrandt”-affaire betreft, en dat bij tussenvonnis van 30 december 2009 [verweerder] in dat tegenbewijs niet geslaagd is geacht. Op grond hiervan heeft Fujitsu het vertrouwen in [verweerder] verloren, is de arbeidsverhouding onherstelbaar verstoord geraakt en dient verdere voortzetting van de arbeidsovereenkomst van partijen geen doel meer. Voor toekenning van een vergoeding is geen plaats, nu [verweerder] de onwerkbare situatie zelf heeft doen ontstaan.

Het verweer

3.1. [verweerder] verweert zich tegen toewijzing van het ontbindingsverzoek. Voor zover Fujitsu haar - derde - ontbindingsverzoek baseert op het dienstverband dat [verweerder] na het ontslag op staande voet met een derde is aangegaan, is geen sprake van relevante nieuwe feiten die zich na de eerdere ontbindingsprocedure hebben voorgedaan. [verweerder] betwist dat hij zich aan verboden “grijze handel” heeft schuldig gemaakt. Ook heeft hij aan derden geen vertrouwelijke gegevens over Fujitsu verstrekt. Indien en zodra in de bodemprocedure onherroepelijk tussen partijen zal zijn vastgesteld dat Fujitsu [verweerder] ten onrechte op staande voet heeft ontslagen, bestaat er geen belemmering tot diens werkhervatting meer, omdat Fujitsu inmiddels is gefuseerd en de huidige leiding van de onderneming niet eerder met [verweerder] heeft samengewerkt.

3.2. In de bodemprocedure heeft de kantonrechter bij tussenvonnis van 24 juni 2009 ten onrechte overwogen dat het ontslag op staande voet niet in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor is gegeven. Daarmee is miskend dat de werkgever bij de beoordeling van de vraag of er een dringende reden voor ontslag op staande voet is, zelf alle omstandigheden van het geval moet beoordelen. Fujitsu mocht dit niet aan het door haar ingeschakelde recherchebureau overlaten. Voorts heeft de bodemrechter in het tussenvonnis van 30 december 2009, bij de waardering van het door [verweerder] in het kader van de “VWT/ Lijbrandt”-affaire te leveren tegenbewijs, ten onrechte meer van hem verlangd dan dat hij de bij vonnis van 24 juni 2009 voorshands aangenomen vervalsing van overeenkomst(en) ontzenuwde. Dit is in strijd met het bewijsrecht. [verweerder] verwijst naar de door hem in de appelprocedure genomen memorie van grieven.

De beoordeling

4.1. De onderhavige ontbindingsprocedure is de derde die Fujitsu tegen [verweerder] aanhangig heeft gemaakt. Omdat ingevolge artikel 7:685 lid 11 BW tegen een beschikking op een ontbindingsverzoek hoger beroep noch cassatie kan worden ingesteld en voorkómen moet worden dat een hernieuwd verzoek neerkomt op een verkapt hoger beroep, dient na afwijzing van een eerder ontbindingsverzoek aan een volgend verzoek in beginsel de eis te worden gesteld dat sprake is van, voor de beoordeling van de aangevoerde veranderingen in de omstandigheden, relevante nieuwe feiten die eerder niet aan de orde konden worden gesteld.

4.2. In de genoemde beschikking van 14 april 2008 is om deze reden in het midden gelaten of de feiten en omstandigheden die Fujitsu aan haar eerste verzoek ten grondslag had gelegd tot de ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerder] behoorden te leiden. De kantonrechter heeft zich niet willen begeven in een hernieuwde beoordeling van de door Fujitsu in de “VWT/Lijbrandt”- en de “NTT”-kwesties aan [verweerder] gemaakte verwijten, omdat deze verwijten alleen in de bodemprocedure op hun aard en ernst kunnen worden beoordeeld. Onder verwijzing naar de beschikking van 14 april 2008 betoogt [verweerder] thans dat dit ook in de onderhavige - derde - ontbindingsprocedure tot afwijzing van het verzoek van Fujitsu moet leiden, nu in de genoemde kwesties geen sprake is van relevante nieuwe feiten. De kantonrechter volgt [verweerder] in dat standpunt niet en overweegt het volgende.

4.3. De in artikel 7:685 BW geregelde procedure tot ontbinding van een arbeidsovereenkomst, is bedoeld als een eenvoudige, op spoedige beslissing gerichte verzoekschriftprocedure, waarin de rechter niet aan de wettelijke bewijsregels gebonden is (vgl. HR 3 december 1982 NJ 1983,182). Dit brengt mee dat in een situatie als de onderhavige, waarin partijen strijden over de vraag of de werkgever de werknemer op staande voet heeft mogen ontslaan en de werkgever verzoekt om ontbinding van de arbeidsovereenkomst voor het geval het dienstverband mocht zijn blijven voortbestaan, tot (voorwaardelijke) ontbinding kan worden overgegaan, indien de werkgever voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van zodanig veranderingen in de omstandigheden dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve of na korte tijd behoort te eindigen. Op grond van het partijdebat, zoals zich dat in de twee eerdere ontbindingsprocedures heeft voltrokken, is in februari en april 2008 geoordeeld dat voor een (voorwaardelijke) ontbinding onvoldoende reden bestond. Waar het ging om de beoordeling van de (mede) voor het ontslag op staande voet aangevoerde dringende reden, als gewichtige reden, werd destijds onvoldoende aannemelijk geacht dat van Fujitsu voortzetting van de arbeidsovereenkomst niet langer kon worden gevergd. Daarom was er toen, inmiddels meer dan twee jaar geleden, onvoldoende reden om vooruit te lopen op de uitkomst van de, wèl met voldoende processuele waarborgen omgeven, bodemprocedure tussen partijen.

4.4. Dit is nu anders. In de bodemprocedure is, na een uitvoerig debat tussen partijen, bij tussenvonnis van 30 december 2009 beslist dat [verweerder] er, met de door hem overgelegde schriftelijke verklaringen van derden, niet in is geslaagd om zodanig bewijs bij te brengen dat moet worden teruggekomen op het bij tussenvonnis van 24 juni 2009 gegeven oordeel dat Fujitsu voorshands geslaagd is in de op haar rustende last te bewijzen dat de handelwijze van [verweerder] in de “VWT/Lijbrandt”-affaire een dringende reden tot ontslag op staande voet heeft gevormd. Bij deze ontwikkeling in het bodemgeschil, die zich ruim na afloop van de eerdere ontbindingsprocedures heeft voorgedaan, is het voor de beantwoording van de in het onderhavige geding voorliggende vraag of de arbeidsovereenkomst van partijen (voorwaardelijk) moet worden ontbonden, voldoende aannemelijk dat [verweerder] zich in de genoemde affaire aan zodanige gedragingen heeft schuldig gemaakt dat van Fujitsu thans niet meer kan worden gevergd het dienstverband met hem, waaraan inmiddels sinds januari 2010 geen inhoud meer wordt gegeven, nog langer te laten voortbestaan.

4.5. Dat [verweerder] in hoger beroep is gekomen van de beide genoemde tussenvonnissen in het bodemgeschil, doet hieraan, anders dan hij meent, niet af. Dat aan een opvolgend ontbindingsverzoek, ter voorkoming van een verkapt hoger beroep, de eis wordt gesteld dat zich relevante nieuwe feiten hebben voorgedaan, betekent immers niet dat een onherroepelijke uitspraak in de bodemzaak moet worden afgewacht. Met zijn betoog ziet [verweerder] voorbij aan de hierboven uiteengezette bijzondere aard van de ontbindingsprocedure. Wat er ook zij van de door hem in het appel ontwikkelde grieven - het is aan de appelrechter daarover te oordelen -, deze zijn enkel gericht tegen het oordeel van de bodemrechter dat Fujitsu voor het aan [verweerder] verleende ontslag op staande voet een dringende reden had. De grief dat de bodemrechter daarbij vanuit bewijsrechtelijk oogpunt een onjuiste maatstaf heeft aangelegd, raakt niet aan de beoordeling die in de onderhavige ontbindingsprocedure van de kantonrechter wordt gevraagd, nu daarin de gewone bewijsregels geen overeenkomstige toepassing vinden. De grief dat de bodemrechter onvoldoende betekenis heeft toegekend aan het bij verlening van ontslag op staande voet in acht te nemen beginsel van hoor en wederhoor, keert zich enkel tegen het oordeel van de bodemrechter dat Fujitsu in november 2007 bij ontslagverlening niet te onverhoeds te werk is gegaan. Het gaat hier dan ook om

- de keerzijde van - de aan een ontslag op staande voet te stellen eis van onverwijldheid. Aan deze eis komt, mede gezien de eerste volzin van artikel 7:685 lid 2 BW (‘indien de arbeidsovereenkomst deswege onverwijld opgezegd zou zijn’) in de ontbindingsprocedure niet eenzelfde betekenis toe als in het bodemgeschil. Nu in de tussenvonnissen geen sprake is van een kennelijke misslag, ziet de kantonrechter voldoende reden om uit te gaan van hetgeen in de bodemprocedure, zij het nog niet onherroepelijk, is beslist.

4.6. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat thans, gezien de genoemde tussenvonnissen, voldoende aannemelijk is dat [verweerder] zich in de “VWT-Lijbrandt”-affaire aan ongeoorloofde gedragingen heeft gemaakt. Dat dit in de loop van de in 2009 gewezen tussenvonnissen is beslist, vormt een verandering in de omstandigheden die ontbinding van de arbeidsovereenkomst van partijen rechtvaardigt. De arbeidsovereenkomst zal daarom worden ontbonden voor het geval deze nog bestaat, en wel met ingang van 15 juni 2010. Voor toekenning van een vergoeding aan [verweerder] bestaat geen reden, omdat uit de aard van de bedoelde gedragingen volgt dat hem daarvan een verwijt kan worden gemaakt.

4.7. Gezien de aard van de onderhavige procedure, worden de proceskosten gecompenseerd, in die zin dat elk der partijen de eigen kosten draagt.

De beslissing

De kantonrechter:

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 15 juni 2010, voor zover deze arbeidsovereenkomst nog bestaat;

compenseert de proceskosten, in die zin dat partijen de eigen kosten dragen.

Deze beschikking is gegeven door mr. P. Krepel, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2010.