Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BM6307

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
12-05-2010
Datum publicatie
01-06-2010
Zaaknummer
SBR 09/1670
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft eiseres gelast een zonder bouwvergunning gebouwden schuur en overkapping te verwijderen en verwijderd te houden, óf de zijwanden en de voorkant van de schuur en de overkapping te verwijderen en verwijderd te houden. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het belang van een goede ruimtelijke ordening er niet mee is gebaat indien nu al wordt afgeweken van het nieuwe bestemmingsplan. Verlenen van ontheffing is een eigen, discretionaire, bevoegdheid van verweerder die de bestuursrechter terughoudend heeft te toetsen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 09/1670

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde: ir. M.H. Zwamborn

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Woudenberg, verweerder,

gemachtigde: mr. D.J. Roelofs.

Inleiding

1.1 Bij besluit van 17 november 2007 heeft verweerder eiseres gelast om vóór 1 februari 2008 de zonder bouwvergunning opgerichte schuur en overkapping op het perceel aan de [adres], kadastraal bekend gemeente Woudenberg, sectie [sectie] nummer [nummer] (hierna: het perceel), te verwijderen op verbeurte van een dwangsom van

€ 250,- per week met een maximum van € 5.000,-, indien daaraan niet tijdig wordt voldaan. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft bij besluit van 3 juni 2008 het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 6 april 2009 van deze rechtbank (tussen partijen bekend onder procedurenummer SBR 08/1997), is het beroep van eiseres tegen dit besluit gegrond verklaard en het besluit op bezwaar van 3 juni 2008 vernietigd, zodat verweerder gehouden was opnieuw op het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 17 november 2007 te beslissen. Tegen de uitspraak van 6 april 2009 is door partijen geen hoger beroep ingesteld.

Bij het thans bestreden besluit d.d. 18 mei 2009 heeft verweerder het bezwaar (wederom) ongegrond verklaard en eiseres gelast vóór 1 november 2009 de gehele schuur en overkapping te verwijderen en verwijderd te houden, óf de zijwanden en de voorkant van de schuur en de overkapping te verwijderen en verwijderd te houden. Eiseres heeft hiertegen beroep bij deze rechtbank ingesteld.

1.2 Het beroep is behandeld ter zitting van 19 april 2010, waar eiseres in persoon is verschenen. Eiseres en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht.

Overwegingen

2.1. Uit de rechtens onaantastbare uitspraak van 6 april 2009 ontleent de rechtbank de volgende relevante feiten:

- Tientallen jaren geleden is op het gedeelte van het perceel dat grenst aan de [straat], door de toenmalige eigenaar van het perceel een bouwwerk in een zogenoemde L-vorm gerealiseerd, dat voor het grootste deel bestond uit houten hokken, voorzien van een golfplaten dak en gaas aan de tuinzijde, en voor een kleiner deel uit een overkapping. In de hokken werden door de toenmalige eigenaar vogels gehouden;

- Sinds 1998 worden de hokken door eiseres gebruikt voor de opslag van haardhout en tuingereedschap;

- De naar de [straat] gerichte zijde van de hokken vormt de erfafscheiding;

- Vanwege instortingsgevaar van de hokken en de slechte staat van het houtwerk heeft eiseres het bouwwerk in het najaar van 2006 vervangen door het huidige bouwwerk, bestaande uit de onderhavige schuur en overkapping, waarbij gebruik is gemaakt van soortgelijke materialen als voorheen: hout en golfplaten. Het deel dat bestond uit de hokken is daarbij kleiner geworden en het deel dat bestond uit de overkapping groter.

2.2 In de uitspraak van 6 april 2009 heeft de rechtbank geoordeeld dat het huidige bouwwerk bouwkundig en functioneel één geheel vormt en dat dit niet is te splitsen in een schutting enerzijds en een schuur en overkapping anderzijds. Verder heeft de rechtbank in die uitspraak geoordeeld dat de ter plaatse geldende bestemming het bouwwerk niet toelaat; dat het bouwwerk zonder bouwvergunning is opgericht en dat eiseres dus in strijd heeft gehandeld met het bepaalde in artikel 40 van de Woningwet, zodat verweerder op die grond bevoegd is handhavend op te treden. Ten overvloede heeft de rechtbank geoordeeld dat eiseres niet op een vermeende toezegging van een ambtenaar mocht vertrouwen dat het vernieuwen van het bouwwerk geen problemen zou opleveren.

2.3 In de genoemde uitspraak heeft de rechtbank het beroep van eiseres gegrond verklaard en verweerder opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, waarbij aan de orde diende te komen of het bouwwerk onder het overgangsrecht van artikel 30 van de planvoorschriften van het geldende bestemmingsplan “Dorp” valt.

2.4 Verweerder heeft in de beslissing op bezwaar opnieuw gemotiveerd dat het bouwwerk niet onder het overgangsrecht valt. Tussen partijen is niet in geschil dat het oorspronkelijke bouwwerk in 2006 geheel is afgebroken en vervolgens zonder bouwvergunning opnieuw is opgericht. Van een gedeeltelijke vernieuwing als bedoeld in artikel 30 van de planvoorschriften is gelet op het opnieuw oprichten van het bouwwerk dus geen sprake, terwijl van een calamiteit als bedoeld in het tweede lid van dit artikel evenmin is gebleken. Verweerder heeft in het bestreden besluit terecht geconstateerd dat het bouwwerk niet valt onder het overgangsrecht.

2.5 Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal naar vaste rechtspraak in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.6 Ten aanzien van de vraag of er concreet zicht is op legalisatie is nog van belang dat de betreffende locatie valt onder het op 25 maart 2009 vastgestelde (en op 11 november 2009 in werking getreden) bestemmingsplan “Woudenberg Dorp”. De locatie van het bouwwerk valt onder de bestemming “Tuin”. Tussen partijen is niet in geschil dat de planvoorschriften van dit bestemmingsplan het betreffende bouwwerk evenmin toelaten, nu het bouwwerk al in strijd met het vorige bestemmingsplan was opgericht.

2.7 In het bestreden besluit heeft verweerder meegedeeld niet voornemens te zijn om ontheffing op grond van artikel 3.23 van de Wet op de ruimtelijke ordening te verlenen, nu de bestemming “Tuin” bewust is opgenomen omdat het ongewenst wordt geacht dat bijgebouwen tot de erfgrens (en dus tot het trottoir) worden opgericht. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het belang van een goede ruimtelijke ordening er niet mee is gebaat indien nu al wordt afgeweken van het nieuwe bestemmingsplan. Verlenen van ontheffing is een eigen, discretionaire, bevoegdheid van verweerder die de bestuursrechter terughoudend heeft te toetsen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen.

2.8 Ten aanzien van de vraag of bijzondere omstandigheden er toe moeten leiden dat handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen wordt het volgende overwogen.

Eiseres heeft in dat verband aangevoerd dat verweerder niet consequent handelt ten aanzien van andere illegale situaties, die verweerder ongemoeid laat en dat verweerder ten onrechte geen complete inventarisatie van situaties, soortgelijk aan die van eiseres, heeft gemaakt. Verweerder heeft naar aanleiding van de door eiseres aangedragen situaties gemotiveerd uiteengezet waarom in een aantal gevallen geen sprake is van gelijke situaties, terwijl in de andere door eiseres aangedragen gevallen handhavingprocedures zijn gestart. De rechtbank acht die motivering voldoende voor de conclusie dat de door eiseres aangehaalde gevallen in essentie niet gelijk zijn met de onderhavige situatie, zodat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt.

2.9 Eiseres heeft verder aangevoerd dat verweerder ten onrechte de uitspraak van de rechtbank van 6 april 2009 niet heeft nageleefd, aangezien verweerder het bouwwerk (nog steeds) niet als één geheel beschouwt. Eiseres heeft ter zitting deze beroepsgrond toegelicht en daarbij aangevoerd dat zij daarmee bedoelt dat de betrokken ambtenaar heeft toegezegd dat het gehele bouwwerk mocht worden vervangen en niet slechts de schutting. Het beroep richt zich volgens eiseres niet op de haar geboden keuzemogelijkheid in de last onder dwangsom.

2.10 Verweerder heeft in dit verband aangevoerd dat tussen eiseres en de betrokken ambtenaar inderdaad een gesprek heeft plaatsgevonden met de strekking dat de schutting zonder bouwvergunning in zijn geheel kon worden vervangen, maar dat uitdrukkelijk niet is gesproken over de hokken/volières. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd aangevoerd dat de keuzemogelijkheid die eiseres in de last onder dwangsom in het bestreden besluit wordt gegeven is ingegeven door de wens eiseres wel tot op zekere hoogte tegemoet te komen in haar standpunt dat zij mocht vertrouwen op de toezegging van de betrokken ambtenaar dat vervanging van de schutting beschouwd kon worden als renovatie - en dus onder het overgangsrecht zou vallen - en daarnaast de wens te voorkomen dat er een gat in de erfafscheiding ontstaat als gevolg van het verwijderen van de schuur. Door in het bestreden besluit een keuzemogelijkheid voor eiseres op te nemen tracht verweerder tevens tegemoet te komen aan de uitspraak van de rechtbank van 6 april 2009, waarbij is bepaald dat het bouwwerk als één geheel dient te worden beschouwd.

2.11 Ten aanzien hiervan stelt de rechtbank vast dat in de eerdergenoemde uitspraak van

6 april 2009 reeds - zij het ten overvloede - is ingegaan op de beweerde toezegging van de ambtenaar en dat tot het oordeel is gekomen dat niet gebleken is van een ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging door een tot een beslissen bevoegd orgaan, waaraan eiseres het vertrouwen mocht kunnen ontlenen dat het vernieuwen van het bouwwerk geen problemen zou opleveren. De rechtbank ziet in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding om anders te oordelen, ongeacht of de beweerde toezegging ziet op het gehele bouwwerk of slechts op de schutting.

2.12 Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres geen bijzondere omstandigheden genoemd die er toe moeten leiden dat handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat verweerder van zijn bevoegdheid tot handhaving had moeten af zien. Verweerder heeft in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid tot handhaving. Hoewel eiseres begrijpelijkerwijs vraagtekens zet bij de door verweerder geboden keuzemogelijkheid omdat verweerder inderdaad afwijkt van het uitgangspunt van de uitspraak van 6 april 2009, is de rechtbank van oordeel dat verweerder een alleszins redelijke oplossing voor eiseres heeft geboden, waarbij zij geenszins in haar belangen is geschaad.

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.W. Veenendaal, als rechter, en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2010.

De griffier: De rechter:

mr. K. de Waard mr. J.W. Veenendaal

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.