Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BM6279

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
26-05-2010
Datum publicatie
01-06-2010
Zaaknummer
SBR 10-1192 en SBR 10-1193 VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Last onder dwangsom om gebruik parkeergarage als verkoopruimte te staken en gestaakt te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummers: SBR 10/1192 en SBR 10/1193 VV

uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 mei 2010 op het verzoek om voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak,

inzake

Rova Beheer B.V. en Avor Beheer B.V.,

gevestigd te Maarssen,

verzoekers,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maarssen,

verweerder.

Inleiding

1.1 Bij besluit van 13 oktober 2009 heeft verweerder verzoekers gelast om binnen zes weken na de verzenddatum van het besluit de geconstateerde illegale situatie aan de [adres] te [vestigingsplaats] op te heffen, zulks onder verbeurte van een dwangsom van € 3.500,- per overtreding per week met een maximum van € 35.000,-, door:

1. het gebruik van het pand [adres] te staken en gestaakt te houden zolang geen gebruiksmelding is ingediend;

2. de overdekte parkeergarage te ontruimen en ontruimd te houden en het gebruik van de overdekte parkeergarage als verkoopruimte te staken en gestaakt te houden;

3. het verwijzingsbord naar de Gamma te verwijderen en verwijderd te houden.

1.2 Bij besluit van 16 maart 2010 heeft verweerder de bezwaren van verzoekers tegen het besluit van 13 oktober 2009 ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. De verbeurte van dwangsommen is opgeschort tot twee weken na de dag van bekendmaking van het besluit van 16 maart 2010. Bij brief van 12 april 2010 heeft verweerder meegedeeld dat de verbeurte van dwangsommen zal worden opgeschort tot de dag van de uitspraak van de voorzieningenrechter op het door verzoekers ingediende verzoek om een voorlopige voorziening.

1.3 Het verzoek is op 12 mei 2010 ter zitting behandeld, waar verzoekers zijn verschenen bij drs. [A], bijgestaan door mr. P.H. Revermann, werkzaam bij het Juridisch en Bestuurlijk Adviescentrum te Amsterdam. Verweerder is verschenen bij gemachtigde mr. S.W.E. van Schaik, werkzaam bij de gemeente Maarssen. Belanghebbende Praxis B.V. is niet ter zitting verschenen.

Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is voorts bepaald dat, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, deze onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. Deze situatie doet zich hier voor.

Ten aanzien van het beroep (SBR 10/1192)

2.3 Op het perceel is sedert de nacht van 6 op 7 december 2006 [bedrijf 1] gevestigd.

Thans is op het perceel gevestigd [bedrijf 2].

Bij brief van 26 augustus 2008 heeft belanghebbende Praxis B.V. verweerder verzocht om handhavend op te treden tegen:

1. een zonder bouwvergunning opgericht bouwwerk op het perceel [adres] te [vestigingsplaats] (verder: het perceel), met daarop een verwijzing naar Gamma,

2. de op het perceel plaatsvindende verkoop van zaken als sanitair, tuinhout en bouwmaterialen aan consumenten en

3. het gebruik van de voormalige parkeergarage ten behoeve van verkoop van onder meer tuinhout, hetgeen belanghebbende qua bestemming, brandveiligheid en ontvluchting een verkeerde situatie acht.

2.4 Op 12 en 13 juni 2008 is tijdens een controlebezoek door medewerkers van de gemeente Maarssen geconstateerd dat het grootste deel van het assortiment van de te koop zijnde artikelen uit bouwmaterialen bestond. Tevens is geconstateerd dat de voormalige parkeergarage in gebruik was genomen als verkoopruimte van tuinartikelen. Op 1 april 2009 is er wederom een controlebezoek op het perceel geweest, waarbij is geconstateerd dat er op het perceel een bouwwerk was geplaatst met daarop een verwijzing naar Gamma. Voorts is geconstateerd dat er voor de gevel van de verkoopruimte diverse materialen waren geplaatst, zoals tuinhout en sierbestrating, en dat er losse electra-artikelen ter verkoop werden aangeboden.

Op 8 mei 2009 is door [B], inspecteur brandpreventie, onder meer geconstateerd dat de brandslanghaspels in het bouwwerk op het perceel niet dekkend zijn uitgevoerd, dat het brandcompartiment te groot is en dat de nood- en transparantverlichting niet werkte.

2.5 Naar aanleiding van deze bevindingen heeft verweerder verzoekers bij brief van 2 juli 2009 meegedeeld voornemens te zijn over te gaan tot het opleggen van een last onder dwangsom teneinde de geconstateerde overtredingen te beëindigen. Verzoekers zijn daarbij in de gelegenheid gesteld hun zienswijze kenbaar te maken. Van deze gelegenheid hebben verzoekers gebruik gemaakt bij brief van 14 juli 2009.

Bij besluit van 13 oktober 2009 heeft verweerder verzoekers gelast om binnen zes weken na de verzenddatum van het besluit de geconstateerde illegale situatie op het perceel op te heffen, zulks onder verbeurte van een dwangsom van

€ 3.500,- per overtreding per week met een maximum van € 35.000,-, door:

1. het gebruik van het pand [adres] te staken en gestaakt te houden zolang geen gebruiksmelding is ingediend;

2. de overdekte parkeergarage te ontruimen en ontruimd te houden en het gebruik van de overdekte parkeergarage als verkoopruimte te staken en gestaakt te houden;

3. het verwijzingsbord naar de Gamma te verwijderen en verwijderd te houden.

Het door verzoekers tegen dat besluit ingediende bezwaarschrift, is bij het thans bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.6 Ter zitting van de voorzieningenrechter hebben verzoekers aangevoerd dat het beroep zich richt tegen de aanschrijving om het gebruik van het perceel te staken en gestaakt te houden zolang geen gebruiksmelding is ingediend alsmede tegen de aanschrijving om de overdekte parkeergarage te ontruimen en ontruimd te houden en het gebruik van de overdekte parkeergarage als verkoopruimte te staken en gestaakt te houden. Verzoekers hebben opgemerkt dat het beroep zich niet richt tegen de aanschrijving om het verwijzingsbord te verwijderen en verwijderd te houden, aangezien het bord al is verwijderd en er in zoverre geen geschil meer is. De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding het oordeel te beperken tot de partijen thans nog verdeeld houdende geschilpunten.

2.7 In beroep hebben verzoekers in de eerste plaats aangevoerd dat op grond van de tekst van het bestreden besluit de door verweerder opgelegde last onder dwangsom uitsluitend betrekking heeft op het gebruik van het perceel [adres]. Naar de mening van verzoekers is het verweerder bij de opgelegde last onder dwangsom evenwel te doen om het gebruik van het perceel [adres] met huisnummer 1a. Verzoekers baseren de perceelsaanduiding op de waardevaststelling van het perceel in het kader van de Wet waardering onroerende zaken, waaruit is af te leiden dat het om twee verschillende locaties gaat, te weten [adres] en [adres]. Verzoekers zijn van mening dat nu verweerder de onjuiste locatie in de last onder dwangsom heeft vermeld ([adres]) het besluit reeds om die reden niet in stand kan blijven.

Deze beroepsgrond van verzoekers faalt, waartoe het volgende wordt overwogen.

2.7.1 De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit het primaire besluit van 13 oktober 2009 en uit het besluit op bezwaar van 26 maart 2010 duidelijk blijkt op welke locatie de last onder dwangsom betrekking heeft. In de last onder dwangsom wordt immers de kadastrale aanduiding van het perceel vermeld, terwijl daarnaast expliciet melding wordt gemaakt van het feit dat de last ziet op het (volgens verweerder niet toegestane) gebruik van de parkeergarage als verkoopruimte. De voorzieningenrechter stelt voorts vast dat uit het betoog van verzoekers blijkt dat ook voor hen duidelijk is dat de last betrekking heeft op het gebruik van de voormalige parkeergarage. Verzoekers refereren immers in hun bezwaarschrift aan het gebruik van de achterhal van het perceel, waarbij zij doelen op de voormalige parkeergarage. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat in de last onder dwangsom de locatie voldoende nauwkeurig is omschreven.

2.8 Met betrekking tot verweerders last om het gebruik van het perceel [adres] te staken en gestaakt te houden zolang geen gebruiksmelding is ingediend, hebben verzoekers aangevoerd dat zij alsnog een gebruiksmelding hebben gedaan en dat zij ondertussen ook bezwaar hebben gemaakt tegen verweerders besluit van 6 januari 2010, waarbij verweerder de melding buiten behandeling heeft gesteld. Verzoekers zijn van mening dat die procedure moet worden afgewacht alvorens kan worden geoordeeld op het ingestelde beroep in zoverre.

Deze beroepsgrond van verzoekers faalt.

2.8.1 Op grond van artikel 2.12.1, onder b, van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken is het verboden om zonder of in afwijking van een gebruiksmelding een bouwwerk in gebruik te nemen of te gebruiken indien daarin meer dan 50 personen tegelijk aanwezig zullen zijn.

De voorzieningenrechter stelt vast dat het betreffende perceel door verzoekers in gebruik is genomen zonder een daarvoor vereiste gebruiksmelding. Uit de overgelegde stukken blijkt weliswaar dat verzoekers op 27 november 2009 een aanvraag gebruiksmelding hebben ingediend, doch die aanvraag is door verweerder bij besluit van 6 januari 2010 met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld aangezien deze niet compleet was.

Geoordeeld moet dan ook worden dat verzoekers hebben gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 2.12.1, onder b, van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken, zodat verweerder ten tijde hier van belang bevoegd was terzake handhavend op te treden.

Gelet op de aard en het beoogde doel van de last, namelijk het niet in gebruik nemen van een bouwwerk zonder een gebruiksmelding, is de vraag naar de mogelijkheid van legalisatie naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aan de orde.

2.9 Verzoekers hebben voorts aangevoerd dat het gebruik van de voormalige parkeergarage als verkoophal niet strijdig is met (de overgangsbepaling van) het vigerende bestemmingsplan. Verzoekers hebben er op gewezen dat de voormalige parkeergarage door Runner Meubelen vanaf oktober 2006 via een interne doorgang bij de detailhandelverkoop is betrokken. Aangezien deze ruimte voorafgaand aan 7 december 2006, de peildatum voor het overgangsrecht, reeds in gebruik was voor detailhandelverkoop, is deze ruimte als legale verkoopvloeroppervlakte aan te merken en mag deze als zodanig worden gebruikt. Verzoekers hebben er voorts op gewezen dat de voormalige parkeergarage thans feitelijk wordt gebruikt voor opslagdoeleinden, hetgeen naar de mening van verzoekers evenmin in strijd is met het vigerende bestemmingsplan. De voorzieningenrechter overweegt naar aanleiding van deze beroepsgrond als volgt.

2.9.1 Het perceel is gelegen in het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Maarssenbroek Werkgebied”; op het perceel rust de bestemming "Bedrijven -B-".

Ingevolge artikel 7, sub 1.2. van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn de op de kaart als zodanig aangewezen gronden tevens bestemd voor volumineuze detailhandel, waarbij de bestaande verkoopvloeroppervlakte niet mag worden vergroot.

Ingevolge artikel 7, sub 4.1., is het verboden gronden en bouwwerken te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de bestemming.

Ingevolge artikel 7, sub 4.2, is het in ieder geval verboden bouwwerken en gronden te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken voor:

a. seksinrichting of erotisch getinte horecabedrijven;

b. het storten of het lozen van puin, vuil of andere vaste of vloeibare afvalstoffen;

c. het opslaan van gerede of ongerede goederen, zoals vaten, kisten, bouwmaterialen, werktuigen, machines of onderdelen hiervan;

d. het opslaan van onklare voer- en vaartuigen of onderdelen hiervan;

e. het plaatsen of geplaatst houden van onderkomens.

Ingevolge artikel 7, sub 4.3, is het in lid 4.2 bepaalde niet van toepassing op:

a. het (tijdelijk) gebruik ten behoeve van de realisering en/of handhaving van de bestemmingen of het normale onderhoud van de gronden;

b. opslag van goederen en materiaal in het kader van de in het plan toegestane bedrijfsvoering.

Ingevolge artikel 1, lid 26, sub b, wordt in deze voorschriften onder detailhandel in volumineuze goederen verstaan: detailhandel die vanwege de omvang van de gevoerde artikelen een groot oppervlak nodig heeft voor de uitstalling, zoals de verkoop van auto's, boten, caravans, keukens en sanitair.

Ingevolge artikel 30, tweede lid, onder 2.1, mag het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond ten tijde van het van kracht worden van het verbod tot gebruik in strijd met de aan die gronden en bouwwerken gegeven bestemming en dat in enigerlei opzicht afwijkt van dit plan worden voortgezet.

Ingevolge artikel 30, tweede lid, onder 2.3, is het bepaalde in lid 2.1 niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, waaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang uitgeoefend door het college, indien de toepassing van bestuursdwang dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.

Artikel 5:32, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom kan opleggen.

2.9.2 De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder de last onder dwangsom te ruim heeft geformuleerd, nu de last ook ziet op het ontruimen en ontruimd houden van de voormalige parkeergarage. Ter zitting heeft verweerder erkend dat met de opgelegde last onder dwangsom niet is beoogd de voormalige parkeergarage te (laten) ontruimen en ontruimd te houden, aangezien de parkeergarage volgens verweerder wel mag worden gebruikt voor opslagdoeleinden.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter staat het bestemmingsplan er, gelet op het bepaalde in artikel 7, sub 4.3, van de planvoorschriften, niet aan in de weg dat verzoekers de voormalige parkeergarage voor opslagdoeleinden gebruiken. De last om de voormalige parkeergarage geheel te ontruimen en ontruimd te houden is dan ook te verstrekkend, aangezien deze niet nodig is om te bewerkstelligen dat de ruimte in overeenstemming met het bestemmingsplan wordt gebruikt. De last is in zoverre onevenredig bezwarend en komt mitsdien in zoverre voor vernietiging in aanmerking, zodat deze beroepsgrond van verzoekers slaagt.

Het beroep is gegrond en het bestreden besluit moet worden vernietigd, in zoverre daarbij de bij het primaire besluit van 13 oktober 2009 opgelegde last om de voormalige parkeergarage te ontruimen en ontruimd te houden is gehandhaafd. Tevens bestaat, gelet op het voorgaande, aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, het primaire handhavingsbesluit van 13 oktober 2009, voor zover daarbij is gelast de voormalige parkeergarage te ontruimen en ontruimd te houden, te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.9.3 De voorzieningenrechter is van oordeel dat er in de gedingstukken geen steun is te vinden voor het standpunt van verzoekers dat het gebruik van de parkeergarage onder het overgangsrecht valt omdat voorafgaand aan de inwerkingtreding van het vigerende bestemmingsplan op 7 december 2006 reeds sprake was van detailhandelverkoop in de voormalige parkeergarage.

De voorzieningenrechter acht in dat verband allereerst van belang het proces-verbaal van 7 december 2006, waarin inspecteur buitentoezicht [C] melding maakt van zijn bevindingen tijdens zijn bezoek aan het perceel [adres] op 7 december 2006. In dat proces-verbaal wordt door [C] gemeld dat het perceel in gebruik is genomen door Robs Bouwmarkt en dat door [A] voornoemd desgevraagd is meegedeeld dat de bouwmarkt legaal is geopend omdat het perceel naar de mening van [A] de bestemming bouwmarkt heeft. In dit proces-verbaal wordt er geen melding van gemaakt dat de voormalige parkeergarage in gebruik is als verkoophal ten behoeve van detailhandel in volumineuze goederen, dan wel van bouwmarktmaterialen. Eerst in het proces-verbaal van 12 juni 2008 wordt door [C], naar aanleiding van diens bezoek aan [bedrijf 1] op 11 juni 2008, geconstateerd dat de voormalige parkeergarage in gebruik was genomen als verkoopruimte ten behoeve van de tuinafdeling van [bedrijf 1].

De voorzieningenrechter acht voorts van belang dat door verzoekers op 8 december 2006 een ‘aanvraagformulier vergunning brandveilig gebruik’ is ingediend, waaruit blijkt dat vergunning wordt gevraagd ten behoeve van het gebruik van het perceel met een totale vloeroppervlakte van 2148 m², zijnde nagenoeg dezelfde vloeroppervlakte ten behoeve waarvan eerder aan Runner Meubelen vergunning is verleend. De voorzieningenrechter wijst voorts op de bij de aanvraag om vergunning gevoegde tekeningen, waarop is aangegeven dat de voormalige parkeergarage is bestemd ten behoeve van ‘parkeren’.

Gezien de bevindingen van [C] en in aanmerking nemend de door verzoekers aangedragen gegevens, kon verweerder zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid op het standpunt stellen dat niet is aangetoond dat reeds voorafgaand aan 7 december 2006 in de voormalige parkeergarage detailhandel in volumineuze goederen plaatsvond. Verzoekers zijn er op hun beurt evenmin in geslaagd om aannemelijk te maken dat het gestelde gebruik valt onder de beschermende werking van het overgangsrecht. Met name het door verzoekers overgelegde schrijven van 3 december 2009 van De Raad Vastgoed B.V. kan de voorzieningenrechter niet tot een ander oordeel leiden, nu deze brief achteraf is opgesteld en de inhoud er van niet strookt met de door verzoekers zelf op 8 december 2006 verstrekte informatie.

De voorzieningenrechter betrekt daarbij de eigen uitlatingen van verzoekers in onder meer het bezwaarschrift van 20 november 2009 met betrekking tot het gebruik van het perceel. Indien immers al zou moeten worden aangenomen dat de parkeergarage vanaf oktober 2006 dan wel per medio november 2006 reeds in gebruik was ten behoeve van de detailhandelverkoop van bouwmarktartikelen, dan nog kunnen verzoekers geen beroep doen op de beschermende werking van het overgangsrecht, aangezien een bouwmarkt niet kan worden aangemerkt als detailhandel in volumineuze goederen als bedoeld in de planvoorschriften. De voorzieningenrechter wijst ter ondersteuning van dit oordeel op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) van 17 juli 2008, LJN: BD8327. Uit vorenstaande volgt dat er ten opzichte van het (aantoonbare legale) gebruik op 7 december 2006 sprake is van een (niet toegestane) vergroting van de verkoopvloeroppervlakte als bedoeld in artikel 7, sub 1.2, van de planvoorschriften.

2.10 Gelet op vorenstaande moet worden geoordeeld dat door verzoekers is gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 7, sub 4.1, van de planvoorschriften alsmede met het bepaalde in artikel 2.12.1, onder b, van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken. Verweerder was dan ook in beginsel bevoegd handhavend op te treden.

Naar vaste rechtspraak zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift, gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving, het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dat kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.10.1 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is van concreet zicht op legalisatie wat betreft het gebruik van de parkeergarage ten behoeve van detailhandelverkoop geen sprake, nu verweerder niet bereid is de strijd met het bestemmingsplan op te heffen door middel van het verlenen van een ontheffing of het nemen van een projectbesluit. Bovendien zijn er geen aanknopingspunten voor het oordeel dat zou moeten worden geconcludeerd dat dit door verweerder ingenomen standpunt rechtens onhoudbaar is en de vereiste medewerking niet zal kunnen worden geweigerd. De omstandigheid dat door verzoekers bezwaar is gemaakt tegen het besluit van verweerder van 26 maart 2010, voor zover daarbij is geweigerd binnenplanse vrijstelling als bedoeld in artikel 7, derde lid, van de planvoorschriften te verlenen, maakt vorenstaande niet anders, nu in beginsel het enkele feit dat verweerder niet bereid is vrijstelling te verlenen volstaat voor het oordeel dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat. Ter ondersteuning van dit oordeel verwijst de voorzieningenrechter naar de uitspraak van de ABRS van 28 november 2007, LJN: BB8935. Met betrekking tot de strijd met het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken is hiervoor overwogen (rechtsoverweging 2.8) dat de mogelijkheid van legalisatie niet aan de orde is. Derhalve komt geen betekenis toe aan het feit dat verzoekers op 27 november 2009 alsnog een gebruiksmelding hebben gedaan, welke door verweerder bij besluit van 6 januari 2010 buiten behandeling is gesteld.

2.10.2 Nu van bijzondere omstandigheden niet is gebleken, is de voorzieningenrechter van oordeel dat handhavend optreden in dit geval niet zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van dit optreden in deze concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.11 Het vorenoverwogene leidt de voorzieningenrechter tot de hierna te melden uitspraak. Nu verzoekers grotendeels in het ongelijk worden gesteld, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening (SBR 10/1193 VV):

2.12 Gelet op de beslissing in de hoofdzaak is het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb niet aangewezen. De voorzieningenrechter ziet evenmin aanleiding om verweerder in deze procedure in de proceskosten te veroordelen.

Beslissing

De voorzieningenrechter,

Ten aanzien van het beroep:

3.1 verklaart het beroep gegrond, en

3.2 vernietigt het bestreden besluit, in zoverre dit strekt tot handhaving van het besluit van 13 oktober 2009, voor zover verzoekers daarbij zijn gelast om de voormalige parkeergarage te ontruimen en ontruimd te houden,

3.3 herroept het besluit van 13 oktober 2009 in zoverre, en

3.4 bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 16 maart 2010, voor zover vernietigd,

3.5 verklaart het beroep ongegrond voor het overige,

3.6 bepaalt dat verweerder het door verzoekers betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,- aan hen vergoedt.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening:

3.7 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2010.

De griffier: De voorzieningenrechter:

W.B. Lakeman mr. B.J. van Ettekoven

Afschrift verzonden op:

Tegen de uitspraak op het ingestelde beroep staat, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.